Europese expansie door grondstoffen en afzetmarkten

Een veelgehoorde opvatting over de oorsprong van de Europese expansie is dat deze door economische motieven en winstbejag was ingegeven. De ontdekkingsreizen van de 16de en 17de eeuw zochten naar grondstoffen voor de lokale productie en naar afzetmarkten voor de toenemende Europese productie. Op deze manier probeerde het moederland de eigen economische groei te stimuleren.

Deze opvatting klinkt op zich aannemelijk. Ze is lijn met het belang dat ook tegenwoordig aan economische motieven wordt gehecht. Bij nadere beschouwing valt zij echter niet vol te houden. Economische motieven speelden inderdaad een rol, maar die kunnen niet gekoppeld worden aan grondstoffen of afzetmarkten. Europese landen waren op zoek naar zilver, met name om de oorlogen binnen Europa te kunnen financieren. Met zilver kon je legers bekostigen en de gages van soldaten betalen. Daarnaast ontstond er geleidelijk een markt voor luxe producten voor de Europese elite. Deze producten kwamen veelal uit het Oosten, zoals bijvoorbeeld sieraden en zijde voor de verschillende vorstenhoven, en kruiden als peper, nootmuskaat en gember voor de welgestelden. Er was dus wel een groeiende vraag van producten van elders, maar andersom bestond er in de 16de eeuw geen afzetmarkt van Europese producten.

Europa had in die tijd weinig te bieden aan Arabische, Indiase of Chinese handelaren. Het centrum van de wereldmarkt en -productie lag in het Oosten. Veelzeggend is het eerste contact dat de Portugese ontdekkingsreiziger Vasco da Gama in 1498 had met de Zuid-Indiase heerser Samorijn in diens paleis. Da Gama snoefde tijdens die bijeenkomst over de onmetelijke macht en rijkdom van de Portugese koning en eiste dat Samorijn de islamitische handelaren de toegang tot de stad zou ontzeggen. Daar kon volgens Samorijn geen sprake van zijn. Hij was uitermate ontevreden over de minderwaardige geschenken die hij van de Portugezen kreeg, waaronder visserspetten en strengen koraal. In deze ontmoeting werd pijnlijk duidelijk dat de stand van techniek en de fijnheid van de Zuid-Europese handwerkproducten het lieten afweten ten opzichte van Aziatisch handwerk. Europeanen hadden geen zilver, goud, mooie sieraden, porselein of zijde. Wat zij hadden meegenomen waren petten en touwen.

Ook is het een mythe dat koloniale expansie een voorwaarde zou zijn voor landen om tot economische rijkdom te komen. Enkele van de meest ontwikkelde Europese landen hebben zelf geen of onbelangrijke koloniën gehad, zoals Duitsland, Noorwegen en Zweden. Rijke landen als Japan en de Verenigde Staten hebben evenmin erg geprofiteerd van hun koloniale expansie. Koloniën waren geen noodzaak; ook zonder konden landen zich economisch sterk ontwikkelen.

Rubrieken: 

Partners: 

Bekijk het gehele programma van de Week van de Koloniale Geschiedenis met thema ‘Aan het Werk’.