Geen afbeelding beschikbaar

Turkije: middelpunt van de wereldbeschaving

Na de Eerste Wereldoorlog was Turkije een verslagen en gedesillusioneerd land. Dit veranderde in de jaren twintig met de machtsovername van Atatürk die streefde naar een Turkije dat trots, zelfbewust en Westers was. Historici konden hierbij een belangrijke rol spelen. Hun onderzoek moest aantonen dat Turkije nauw verbonden was met de antieke bronnen van de Westerse beschaving. De resultaten waren spectaculair: zonder de Turken, zo bleek, was er waarschijnlijk nooit een Indiase, Soemerische of Egyptische beschaving geweest.

De herschrijving van de geschiedenis onder Atatürk

Mustafa Kemal, of Atatürk zoals hij beter bekend werd, was de onbetwiste leider van Turkije van 1923 tot 1938. Hij was dol op jonge vrouwen – zozeer zelfs dat hij er vier adopteerde. Een van hen, Afet, was een 18-jarige geschiedenisstudente wier familie Kemal kende van zijn geboorteplaats Salonica. Net als bij de andere meisjes, moedigde hij Afet aan haar studie voort te zetten opdat ze haar doctoraal zou halen en vooruit zou komen in het Turkse historische establishment. Volgens haar eigen weergave kwam ze op een dag in 1929 naar Gazi (een favoriete aanspreekvorm die Overwinnaar van de Ongelovigen betekent) met een probleem. In een Frans aardrijkskundeboek had ze gelezen dat de Turken behoorden tot het gele ras, algemeen beschouwd als tweedeklasmensen. Dit ontlokte een krachtige reactie bij Kemal, die donkerblond haar en blauwe ogen had. ‘Nee, dat kan niet’, zei hij, ‘we gaan er een zaak van maken’.

Kemal was vastbesloten elke suggestie te weerleggen dat de Turken tot het gele ras zouden behoren, dat ze ongeschikt zouden zijn voor de beschaving, en vooral, dat was immers de implicatie, dat ieder ander een historisch recht op Klein-Azië als thuisland zou kunnen laten gelden. Hij wilde weten wie het oorspronkelijke Turkse volk was, hoe en door wie de eerste Turkse beschaving zich had ontwikkeld en welke plaats de Turken innamen in de wereldgeschiedenis. Hij stortte zich helemaal in het project en nam tijd vrij van zijn staatsverplichtingen. Hij bracht een grote historische bibliotheek bijeen en gaf specialisten opdracht deze te bestuderen. Ministers, parlementsleden, professoren en leraren waren allemaal bezig met lezen en rapporteerden dit aan hem. Waar Gazi ook was (in Ankara, Istanboel, zijn favoriete kuuroord, op de boot of in de trein), hij vond altijd tijd om te werken en vergaderingen te houden, soms tot diep in de nacht. Hij hield discussies tijdens het diner, boven een tafel vol boeken en papieren in een kamer die veel weg begon te krijgen van een school.

Een comité van leraren en politici organiseerde het project dat Kemal persoonlijk bestuurde. De medewerkers werkten hard en kwamen in 1930 met een eerste versie van een nieuwe geschiedenis. Kemal las elke pagina, zag te veel fouten. Hij droeg het comité op de grote staten te bestuderen die hun voorouders hadden gebouwd, om zich te baseren op documenten en dat ze niet moesten aarzelen hun onwetendheid te bekennen; ‘geschiedenis schrijven is even belangrijk als geschiedenis maken’, schreef hij. Tegen 1931 verscheen een vierdelig werk, eenvoudig Geschiedenis genoemd, bedoeld voor middelbare scholen in een tijd dat er weinig mogelijkheden waren voor hoger onderwijs. Mustafa Kemal las en corrigeerde de proeven; de teksten werden verplicht en waren voor meer dan tien jaar vast onderdeel van de canon. De teksten vormden de basis voor een latere eenvoudige editie, bedoeld voor jongere leerlingen.

Groot verleden voor een groot land

Turkije was tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog een verslagen en vernederde natie, en dat bleef het tot Mustafa Kemal in 1919 naar Klein-Azië kwam. Hier organiseerde hij een verzet dat zich al snel ontwikkelde tot een machtige, nationalistische beweging die zijn hoofdkwartier had in Ankara en die een rivaliserende regering werd voor die van de sultan, die gecontroleerd werd door de Geallieerde overwinnaars. Kemal kreeg hulp van de Sovjet-Unie, sloot een overeenkomst met de Fransen en versloeg de Griekse strijdkrachten die Klein-Azië waren binnengetrokken. Toen de Turkse republiek middels het verdrag van Lausanne in 1923 als onafhankelijke staat erkend werd, was Kemal erin geslaagd om op de ruïnes van het vervallen, kosmopolitische Osmaanse rijk een nieuw en zegevierend land te creëren met een grotendeels homogeen-Turkse bevolking.

In de daaropvolgende jaren initieerde hij een verbazingwekkende hoeveelheid hervormingen die zich afzetten tegen de islam en Westerse wetten introduceerden en die Turken in toenemende mate verplichtten te denken en handelen als Europeanen. Rond 1929 stond Kemal aan het hoofd van een eenpartijstaat, in feite een dictatuur. Het nieuwe land voelde een grote behoefte aan meer zelfvertrouwen om zodoende zijn plaats in te nemen tussen de beschaafde landen – die voor Kemal gelijk stonden met Europa. De Europeanen hadden echter traditioneel weinig op met de Turken die ze voorheen zagen als wrede en gewelddadige veroveraars, ‘de Verschrikkelijke Turk’, of, recentelijk, als de ‘Zieke man van Europa’.

Zelf waren de Turken in verwarring over hun identiteit. In het verleden waren ze Osmanen geweest, heersers van een groot rijk dat het gehele Nabije Oosten omvatte, Noord-Afrika en een groot gedeelte van Europa. Daarnaast waren ze moslims, en hun sultan stond als kalief aan het hoofd van de gehele islam en was daarmee opvolger van de profeet. Nu was het rijk verdwenen, de Arabische gebieden weg, en de Turken, een naam die van oudsher alleen op boeren betrekking had, stonden nu aan het roer van een moderne, progressieve natie.

Op dit punt keerde Mustafa Kemal zijn aandacht naar de geschiedenis, want een groot land had een groot verleden nodig. Er was weinig trots te halen uit de geschiedenis van de islam, waarvan het land zich juist distantieerde, of uit die van de Osomanen. Evenmin aantrekkelijk was het wijdverspreide idee dat de Turkse staat was voortgekomen uit een stam van vierhonderd tenten. De bestaande geschiedenis was niet bruikbaar voor het heden. Ook al omdat Kemal het Latijns alfabet had geïntroduceerd dat vanaf 1929 de moeilijke en omslachtige arabische letters moest vervangen. Dit betekende dat er over elk onderwerp snel nieuwe boeken moesten worden gemaakt die de jeugd in aanraking konden brengen met het nieuwe denken en die hen zouden afsnijden van de Osmaanse erfenis. Geschiedenis was een belangrijk deel van de veranderingen die in het onderwijs plaatsvonden, en van het hele concept van Turkije en de Turken.

De Turkse These

Het eerste deel van Geschiedenis, dat handelt over de Oudheid, was het meest origineel en bracht de zogeheten Turkse Geschiedenis These naar voren. Volgens deze These waren alle beschavingen voortgekomen uit de Turken of waren diepgaand door hen beïnvloed. Deze radicaal nieuwe zienswijze presenteerde de Turken als een oude natie, aan niemand ondergeschikt en veel belangrijker dan wie dan ook had gedacht. Het stelde de Turken in het centrum van de beschaving. De These was brutaal, origineel en volledig verzonnen.

Volgens Geschiedenis woonden de Turken van 10 000 v.Chr. rond een grote binnenzee, die het grootste deel van Centraal- Azië omvatte tussen de Kaspische zee, het Hindoeïstische Kush en de Himalaya’s. Hier ontwikkelden ze metaalbewerking, domesticeerden ze dieren en ontdekten ze de technieken van de eerste landbouw. Aan het eind van de IJstijd werd het land droger; meren en moerassen verdrongen de zee, noorderwinden brachten massa’s zand mee en de omstandigheden werden ondragelijk voor de miljoenen ingezetenen. Gelukkig creëerde de klimaatwijziging nieuwe routes het thuisland uit en de Turken emigreerden in alle richtingen. Degenen die bleven, werden nomaden die zich aanpasten aan de gewijzigde omstandigheden (en verdwenen uit het geschiedverhaal dat, vreemd genoeg, niet meer terugkeert bij deze inheemse Turken).

De eerste groep vestigde zich in een vergelijkbare omgeving, Noord-China, rond de Gele Rivier, waar zij de technieken van de beschaving brachten en zich, omstreeks 7000 v.Chr., vestigden als militaire aristocratie. Anderen trokken naar India waar zij prehistorische stammen van donkerhuidige mensen tegenkwamen die leefden als een groep apen. De Turken verdreven hen naar het zuiden en vestigden een beschaving die later ontdekt werd door opgravingen bij Harappa en Mohenjo Daro in de Indusvallei (de These maakt veelvuldig gebruik van archeologie). In feite had India een lange Turkse aanwezigheid gekend; de Turkse Ariler (Ariyanen; -ler of -lar is een meervoudsvorm in het Turks) kwamen rond 1500 v.Chr. uit Centraal-Azië; ze werden opgevolgd door de Koeshkan Turken; zelfs Boeddha was een Turk (zijn dorpsnaam Sakya was duidelijk afgeleid van Saka). Dit alles mag overduidelijk onzin zijn, vooral omdat duidelijk was dat Chinezen en Indiërs geen Turken waren, maar daarvoor was een eenvoudige verklaring: de Turken kwamen hier aan, brachten hun beschaving en werden toen geabsorbeerd door de lokale bevolking – eigenlijk net als de voorouders van de Bulgaren (die Turken waren), die opgeslokt waren door de lokale Slaven.

Veel belangrijker voor de toekomst was de geschiedenis van het Nabije Oosten. De Turken trokken hier binnen via een route ten zuiden van de Kaspische Zee. Ze introduceerden irrigatie en waterafvoersystemen in een land van moerassen en vestigde de eerste georganiseerde Turkse staten en steden in Soemer en Elam. De Soemeriërs ontwikkelden het eerste schrift ter wereld (dat zij meebrachten uit Centraal-Azië) en dat zij gebruikten om hun Turkse taal tot uitdrukking te brengen. De archeologie heeft de grootsheid van hun beschaving aan het licht gebracht. Vandaaruit, omstreeks 5000 v.Chr., trokken de Turken hun heilige land Anatolië binnen waar zij een millennium later de beschaving vestigden van de Turkse Hittieten (Eti); dit alles is bevestigd door opgravingen in Klein- Azië. De taal van de Hittieten was Turks en niet Semitisch of Indo-Europees. Het boek vertelt verder in detail de geschiedenis van de Hittieten. Samen met de Eti kwamen de Traklar (Thraciërs) die Troje stichtten (wederom archeologie).

Verwante Turkse stammen omvatten de Litler (Lydiërs) waarvan een tak naar Italië trok en er, als de Etrusken, de fundering legde voor de Romeinse beschaving. De oorsprong van de Egyptenaren was onderwerp van veel debat. Geschiedenis concludeerde dat de vroegste bewoners uit Centraal-Azië kwamen; zij brachten omstreeks 5000 v.Chr. landbouw en irrigatie met zich mee. Helaas verwijderden de semitische (!) Egyptische farao’s hen uit de boeken toen ze in 3315 v.Chr. de macht overnamen. De These claimde niet iedereen in het Nabije-Oosten: de Semieten (Babyloniërs, Assyriërs, Arabieren en Joden) en ook de Armeniërs, die in de boeken niet eens aan de orde komen, zijn niet Turks. Maar dit gaf eigenlijk niet want de Hebreëers waren van geen belang voor politiek, kunst of beschaving, alleen voor religie.

De Griekse connectie

De Grieken vormden het grootste probleem. Niemand kon hun betekenis in de wereldgeschiedenis ontkennen, noch hun sleutelrol in de ontwikkeling van de Westerse beschaving waar de Turken juist zo graag aansluiting bij zochten. Maar het was onmogelijk te beweren dat Grieken Turks waren. De oplossing was een ingenieuze verdraaiing. Het Bronzen Tijdperk was geen probleem: de Minoïers van Kreta kwamen van Anatolië en konden dus beschouwd worden als Turks. Hun stammen hadden leiders genaamd ege (vandaar de Egeïsche zee) of aka, een naam die gebruikt werd door de Akalar (Achaeans) die de Myceense beschaving voortbrachten. De klassieke periode was moeilijker, maar beargumenteerd werd (geheel juist) dat veel plaatsnamen in Griekenland verwijzen naar een voor- Griekse taal. In ieder geval konden enkele als Turks geïdentificeerd worden op basis van een verzonnen overeenkomst met bepaalde Turkische talen. De bevolkingen van Euboea (Öbe) en Ionië (Iyon) konden zo geclaimd worden; evenals de Torlar (Doriërs) die Griekenland omstreeks 1200 v.Chr. innamen. De Iyonlar waren erfgenamen van Kreta en Mycene, en hadden hun bloeitijd (8ste-5de eeuw) toen het vasteland van Griekenland arm en achtergesteld was. Hun taal was niet Grieks of Semitisch, maar Centraal-Aziatisch Turks. De Geschiedenis moest evenwel de oorsprong van het klassieke Griekenland opgeven door te stellen dat niemand wist wanneer en hoe zij gekomen waren. De Macedoniërs daarentegen waren een Turkse stam, afkomstig van het Donaugebied.

Ondanks al deze verwijzingen gaf de Geschiedenis een heel oprecht verslag van het klassieke Griekenland en de Romeinse geschiedenis. Maar de Turken verdwenen daarbij niet van het toneel: de Keltler (Kelten), ook Gollüer (Galliërs) genaamd, kwamen van Centraal-Azië via een route ten noorden van de Kaspische zee en vormden een aristocratische militaire klasse totdat de Romeinen hen versloegen en hen hun eigen taal en cultuur oplegden. De Germenler (Germanen) waren aan hen verwant. Maar andere volken, de Iskitler (Skythen) en Kimriler (Cimmerianen), waren hen voorafgegaan en hadden beschaving gebracht in plaatsen als de Krim en Denemarken. Hierbij redden zij de Europeanen van een leven in grotten en leidden hen op een weg naar wetenschappelijke ontdekkingen.

De Turkse Geschiedenis These was deel van een veelomvattend en ook wel succesvolle poging om de bevolking een gevoel van trots bij te brengen door haar een oude en verheven geschiedenis te geven en de wereld te laten zien dat de Turken geen minderwaardige nomaden waren, maar de scheppers en erfgenamen van de meeste oude beschavingen. De methode was simpel, zij het niet erg wetenschappelijk: ieder volk dat over een lange afstand was gemigreerd, werd beschouwd als Turks, evenals de meeste volken van wie de taal niet ontcijferd was (de Minoiërs, de Etrusken). Het Soemerisch kon worden gelezen, maar het had karakteristieken die het mogelijk maakten het aan het Turks te verbinden. Het Hittietisch, dat in 1915 ontcijferd was, was echter onweerlegbaar Indo-Europees. Maar de Hittieten waren te belangrijk als onderdeel van de Turkse claim op hun woongebied om zich door feiten te laten weerhouden.

De Historische These werd ingewijd als een officiële doctrine op het eerste congres van de Turkse Historische Vereniging dat in 1932 gehouden werd, onder het beschermheerschap van Atatürk en dat bezocht werd door historici, leraren en buitenlandse waarnemers. Afet hield het sleutelbetoog en verklaarde wat de These inhield, waarbij zij, vreemd genoeg, voortdurend Europese schrijvers citeerde. In de gepubliceerde versie werd haar speech regelmatig onderbroken door ‘applaus’, waardoor het ook wel omschreven is als een echt stalinistisch congres, aangezien afwijkende ideeën eigenlijk niet werden toegestaan. Een tweede congres, in 1937, codificeerde de These nog sterker, en bracht zelfs het idee naar voren dat de profeet zelf Turks zou kunnen zijn geweest.

Datzelfde jaar werd het grote Turkse Antropometrische Onderzoek voltooid, geleid door Afet. Het onderzoek behelsde het opmeten van de schedels van 64 000 Turken om te bewijzen dat zij hoorden bij het witte Alpenras en dat er sprake was van een homogene bevolking. Het jaar 1937 was de culminatie van de These. Hoewel zij minder enthousiast omarmd werd nadat Atatürk in 1938 overleden was, bleef de These nog zeker tien jaar de basis voor het geschiedenisonderwijs in Turkije. Een hele generatie van toekomstige leiders is met deze bijzondere doctrine grootgebracht.

De Noordse variant

De Turkse Geschiedenis These is lang verdwenen. Toch zijn er nog sporen waarneembaar. Afgezwakte versies verschijnen nog altijd in het werk van lokale geschiedenissen, vaak geschreven door schoolmeesters die hun kennis inzetten voor onderbouwing van de bewering dat de Turken de oorspronkelijke bewoners van Anatolië zijn, waarmee elke claim van Armeniërs of Koerden ontkracht wordt.

De gefabriceerde geschiedenis van de Turkse These was niet helemaal uniek. Zij was zelfs een van de vele die in die tijd werden ontwikkeld, waarvan sommigen veel extremer waren dan Atatürks versie. De meest idiote was de vrijwel gelijktijdig ontwikkelde De Mythe van de Twintigste Eeuw door Alfred Rosenberg, hoofd ideologie van de Duitse nationaal-socialisten. Het boek schetst het scenario dat er ooit een groot continent lag tussen Amerika en Europa, dat zijn sporen naliet in Groenland en IJsland. Het zou Atlantis kunnen zijn geweest; het was in ieder geval het vaderland van de prehistorische Noordse cultuur, de plek vanwaar de blonde, blauwogige strijders zich verspreidden in hun drakenboten naar de Middellandse Zee, Afrika, Centraal-Azië, China en Noord-Amerika. Deze Noordse mensen brachten zonaanbidding en een gevoel voor geschiedenis over aan volken zo verschillend als de Soemeriërs en de Ieren. Ze stichtten Jeruzalem en drongen, als de Ariërs, door tot in Iran en India. Later namen de Noordse Doriërs Griekenland over, uiteindelijk gevolgd door de Macedoniërs en de Romeinen, allebei goede Arische types. Helaas stortten al deze beschavingen in als gevolg van rassenvermenging; totdat de Duitsers het toneel opkwamen om de Klassieke Wereld te redden.

De vreemde voorstellingen van Atatürk en Rosenberg hebben genoeg overeenstemming om je af te vragen wat hun gemeenschappelijke oorsprong is. De algemene inspiratie voor de Turkse These komt van de ontdekking in de 19de eeuw van wijdverspreide taalfamilies. Talen gerelateerd aan het Turks werden gesproken van de Middellandse Zee tot Siberië, terwijl de talen met een Indo-Europese origine verspreid waren van de Atlantische Oceaan tot India. Zulke talen hadden mogelijk een gezamenlijke oorsprong, waarbij de oertaal zich verspreidde vanaf een oorspronkelijk moederland. Het fenomeen kon verbonden worden met de golven van emigratie en invasie vertegenwoordigd in historische tijden door de Hunnen, Mongolen en vele anderen die uit Centraal-Azië waren gekomen.

De Gazi was dol op H.G. Wells The outline of History (1920), een monumentaal werk, al beroemd bij zijn verschijnen omdat het de volledige geschiedenis behandelt. Wells beweerde dat er een grote binnenzee in Centraal-Azië was geweest waarvandaan een migratie van volken had plaatsgevonden toen het klimaat veranderde aan het eind van de IJstijd, zo’n 10- 12 000 jaar geleden. Hij zag Europa als van oorsprong bevolkt door ‘donkere blanken’ die Klein-Azië, Kreta en Noord-Afrika bezetten, voordat ze zich onderwierpen aan Noordse volken, die voor hem onder meer bestonden uit de Grieken.

Wells ideeën vonden duidelijk weerklank in de These en ook bij Rosenberg. De meer sinistere ideeën waren uiteindelijk afkomstig van een zeer hoogdravend werk, Essai sur l’inégalité des races humaines, een soort bijbel van het racisme, geschreven door Arthur Gobineau, gepubliceerd in 1854; een tweede editie volgde dertig jaar later. Gobineau legt uit waarom beschavingen verdwijnen. Zijn antwoord is dat ze bezwijken onder raciale vermenging. Hij beweert dat alle beschaving afkomstig is van het blanke ras dat zich vanuit Centraal-Azië verspreidde en gebieden overheersten die bewoond werden door inferieure zwarte en gele mensen. De blanken hadden het voordeel van een hoge beschaving, vechtend vanaf strijdwagens en gebruik makend van gedomesticeerde dieren. Gobineau beïnvloedde Houston Stuart Chamberlain wiens Foudations of the Nineteenth Century (1899) weer van invloed was op Rosenberg (en zijn Führer die de onleesbare werken zeer bewonderde).

Voorlopers

Atatürks prestaties lijken even radicaal als origineel, maar ze zijn veel krediet schuldig aan de grote nationalistische ideoloog, Ziya Gökalp (1854- 1925), die een immens populair gedicht schreef over hoe vijf zonen van de voorouderlijke Türk Han wegreden van Centraal-Azië om Soemerische, Hittietische, Chinese en Skythische beschavingen te vestigen. Op een wat ambitieuzer niveau schreef Riza Nur, een legerofficier, dokter en politicus, een twaalfdelige Turkse Geschiedenis, gepubliceerd door het ministerie van Onderwijs in 1914-1926. Vier van zijn vijf delen besteedt hij uitsluitend aan Egypte, beginnend met de farao´s, en sluit af met het claimen van de Amerikaanse Indianen.

De Turkse Geschiedenis These was een brutale poging een nieuwe geschiedenis te creëren, geschikt voor een nieuwe natie. Zo mythisch als zijn ideeën waren, zo mythisch was de These zelf, als schijnbaar spontaan product van Atatürk en zijn volgelingen. Al was zij minder origineel dat zij leek, zij diende wel zijn doel. Hoewel geen Turkse historicus haar nu nog serieus neemt (ze wordt zelfs als iets beschamends beschouwd) oefende de These een invloed uit die nog altijd niet volledig verdwenen is.  

De werkelijke geschiedenis van de Turken

Het oorspronkelijke thuisland van de Turken lag rond de Orhon rivier in Zuid-Siberie. In de 6de eeuw, wanneer ze voor het eerst in de geschiedenis verschijnen, domineren ze de enorme steppe die zich uitstrekt van China tot Iran. Hun machtige, nomadische staten en confederaties van stammen hielden zelden lang stand, maar zij vestigden een vaste staat met een basis in Turfan dat het volhield tot de Mongoolse verovering in 1206. Omstreeks het jaar 1000 begonnen Turkse stammen Iran binnen te dringen (waar ze al eerder als soldaten waren gerecruteerd) en in 1038 creeerden zij de Grote Seljukstaat, hun eerste machtsbasis in het Midden-Oosten. Een overweldigende overwinning in 1071 op Byzantium leidde tot de oprichting van een Seljuk-staat in Anatolie, vanwaaruit vele Turkse stammen meededen aan de oorlogen tegen de Ongelovigen. Toen de Seljuk-staat eind 13de eeuw uiteenviel, zette Osman, een van de stammenleiders, in 1299 een onafhankelijk vorstendom op in noordwest Anatolie. Zijn afstammelingen, de Osmanen, veroverden Constantinopel in 1453 en beheersten uiteindelijk het gehele Nabije-Oosten, Zuid-Oosteuropa en Noord-Afrika. Hoewel het zich vanaf midden 17de eeuw in een constante neergang bevond, bleef het Osmaanse Rijk bestaan tot de Eerste Wereldoorlog. De overwinning van Ataturks nationalisten leidde tot het afzetten van de laatste sultan in 1922, waarna Turkije de republiek werd die zij nog steeds is.

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel Spiegel Historiael
Jaargang 2005
Nummer 10

Meer weten