Onderwerpen door wetten? De houding van de Romeinen tegenover het inheemse recht in de provincie Arabia

Romeinse overheersing heeft sporen nagelaten in de onderworpen gebieden, sporen die de historicus kan gebruiken om iets te zeggen over de mate waarin het dagelijks leven daadwerkelijk door de Romeinse overheersing is beïnvloed. Zulke sporen kunnen heel tastbaar zijn: er wordt een badhuis gevonden of een inscriptie over administratieve aangelegenheden. Maar de sporen kunnen ook min of meer verborgen zijn, bijvoorbeeld in documenten van gewone mensen die in het onderworpen gebied hebben geleefd.

Auteur: Carolien Oudshoorn

Wat blijkt er nu uit zulke documenten van de invloed die de Romeinse overheersing op hun leven had? In dit artikel gaat het over de rol die juridische documenten kunnen spelen bij het bepalen van de invloed van het Romeinse recht in een provincie die nog maar net onder Romeins gezag was gekomen.

De bronnen: het Babatha-archief

In de jaren zestig van de twintigste eeuw voerde een expeditie onder leiding van de bekende archeoloog Yigael Yadin een onderzoek uit naar een reeks grotten op de oever van de Dode Zee. In hetzelfde gebied, verder naar het noorden, waren enkele jaren daarvoor de zogenaamde Dode Zeerollen ontdekt. De condities in het gebied waren dus kennelijk gunstig voor het conserveren van geschreven bronnen. Dat was lang niet overal het geval, waardoor er eigenlijk alleen in Egypte veel schriftelijk bronnenmateriaal uit diverse tijdsperioden was gevonden. In de grotten die Yadin onderzocht werden kruiken, glaswerk en sieraden aangetroffen, hetgeen erop leek te duiden dat de grotten bewoond waren geweest of dat mensen hier hun kostbaarste bezittingen hadden verstopt. In een van de grotten ontdekte men ook enkele skeletten die mogelijk van de eigenaren van de spullen waren. De grot waar de skeletten waren gevonden kreeg de bijnaam ‘Cave of Horrors’ en die waar enkele brieven waren gevonden de bijnaam ‘Cave of Letters’.

De Amerikaanse fotograaf David Harris beschreef later hoe hij op een ochtend werd opgeroepen om naar deze ‘Cave of Letters’ te komen omdat Yadin daar een bijzondere vondst zou kunnen gaan doen.[1] Harris maakte de zware klim omhoog naar de ingang van de grot, zich al bengelend aan een touw afvragend hoe hij, een brave huisvader met drie kinderen, in dit avontuur verzeild was geraakt. Eenmaal boven was hij echter getuige van wat een van de meeste inspirerende vondsten van de komende decennia zou worden. Uit een spleet in de wand van de grot haalde Yadin een leren buidel te voorschijn die vol documenten bleek te zitten. De documenten, geschreven in het Nabatees, Joods-Aramees en Grieks, omvatten koopcontracten, huwelijkscontracten en documenten die met rechtszaken over eigendom en voogdij te maken hadden. Alle documenten bleken betrekking te hebben op één familie, een familie van joden waarin de vrouw Babatha het middelpunt was. Naar haar is de vondst dan ook genoemd. Dit archief van Babatha is tegenwoordig een van onze belangrijkste bronnen voor het leven van joden in het Dode Zeegebied in de eerste en tweede eeuw na Christus.[2]

Gevolgen van de vondst van het Babatha-archief

Na de vondst wilde Yadin de documenten zo snel mogelijk door publicatie toegankelijk maken voor onderzoek. Het uitgeven van een hele set documenten in meerdere talen bleek echter een omvangrijk werk, dat uiteindelijk tientallen jaren in beslag zou nemen. Enkele documenten die bijzonder veel belangstelling hadden gewekt, werden in afwachting van een editie in artikelen uitgebracht. In 1984 overleed Yadin en de documenten en alle notities die hij al had gemaakt, gingen over in andere handen. In 1989 kwam een editie uit van alleen de Griekse papyri uit het archief, waarbij de publicatie van de Aramese papyri tot later werd verdaagd.[3] Op deze keuze, die er in elk geval op gericht was de Griekse papyri toegankelijk te maken voor een breed publiek, valt weinig af te dingen. Deze editie, onder redactie van Naphtali Lewis, bood niet alleen teksten, maar becommentarieerde ook uitvoerig de mogelijkheden voor tekstrestauraties en de achtergrond van de papyri. In het kader van dat laatste kwam hij ook regelmatig over juridische zaken te spreken. Lewis wilde graag alle juridische details die hij wilde bespreken onderbrengen in een algemene inleidende sectie met de titel ‘Law’. Door zijn hele commentaar verwees hij telkens naar deze sectie. Echter, bij publicatie in 1989 was de sectie niet beschikbaar en dus werd deze in het boek beloofd voor het tweede deel, dat met de Aramese papyri uit het archief. Publicatie van deze Aramese papyri zou, naar Lewis hoopte, niet te lang op zich laten wachten. Uiteindelijk verscheen deze editie in 2002, en wel zonder de beloofde sectie over recht.[4]

Inmiddels waren er echter al genoeg meningen over de juridische achtergrond van het archief in omloop. Het verschijnen van de editie met de Griekse papyri van het Babatha-archief was namelijk de aanzet geweest tot een enorme belangstelling voor de documenten en een stortvloed aan publicaties over allerlei facetten, van tekstcorrecties en interpretaties van vage zinsneden, tot uitleg van de juridische procedures waarnaar in de papyri werd verwezen. Een aspect dat veel commentaar uitlokte, was het ogenschijnlijk Romeinse karakter van een aantal papyri. Zo werd er verwezen naar een procesgang voor de Romeinse gouverneur en naar de Romeinse stipulatio (een vraag-en-antwoord-procedure waarbij een partij toezegde dat hij dat wat in het contract was overeengekomen ook zou doen).[5] Het meest opzienbarend was de aanwezigheid van drie stukjes papyrus waarop een Griekse versie was neergeschreven van een Latijnse actio: een formule waarmee een proces in gang kon worden gezet.[6] Het Romeinse recht bepaalde voor allerlei gevallen precies in welk geval er een zaak kon worden begonnen en hoe die zaak zou worden afgedaan. De actiones zijn overgeleverd in de Institutiones van Gaius, een werk dat in het algemeen van groot belang is voor onze kennis van de werking van het Romeinse recht in de eerste en tweede eeuw na Christus. Dat een Griekse versie van een Romeinse actio in het archief van een joodse vrouw zou opduiken leidde al snel tot de conclusie dat de joden zich kennelijk bij hun onderlinge contacten aan het Romeinse recht hielden. Meermalen werd in dat verband de geschiedschrijver Ammianus geciteerd die over de tijd van Traianus beweerd had dat Traianus de veroverde gebieden onderwierp aan het Romeinse recht.[7] Deze uitspraak die eerder alleen als een metafoor was opgevat leek nu in de meest letterlijke zin waar te zijn geweest. Hierbij zijn echter kanttekeningen te plaatsen.

Niet alles is wat het lijkt

De sterke nadruk op wat Romeins aandeed in de papyri deed het idee ontstaan dat de papyri getuigen van ‘Romanisatie’, de snelle aanpassing van een inheemse bevolking aan Romeinse normen en waarden. Ook het feit dat de documenten geleidelijk niet meer in het Aramees geschreven werden, maar in het Grieks, werd hiermee verbonden: Grieks zou de geaccepteerde taal zijn voor documenten die in een door Romeinen beheerste rechtscultuur moesten functioneren. Er werd zelfs wel beweerd dat het gebruik van Grieks verplicht was om een document rechtsgeldigheid te verlenen. Documenten in het Aramees zouden in de rechtsgang voor de Romeinse rechter niet kunnen worden gebruikt en ook niet kunnen worden ingeschreven in de door de Romeinen gehanteerde openbare archieven.[8]

Deze visie op de juridische achtergrond van de documenten is het onderzoek ernaar geleidelijk gaan domineren. Op het eerste gezicht lijkt het ook wel aannemelijk dat het opkomend gebruik van de Griekse taal een verband heeft met de Romeinse aanwezigheid. Het zal voor een Romeinse rechter makkelijker zijn geweest om een Grieks document te begrijpen dan een Aramees. Dat is dan een kwestie van bruikbaarheid en van functionaliteit. Door echter te stellen dat Grieks gebruikt moest worden om het document rechtsgeldig te maken, wordt eigenlijk iets heel anders gezegd, namelijk dat een document in het Grieks geschreven moest zijn om de op grond van dit document verworven rechten geldig te maken in een Romeinsrechtelijke context. Er is zelfs wel beweerd dat joden die een document opstelden in het Aramees daarmee op de koop toenamen dat zij later niet naar de Romeinse rechter konden.[9] De taal van het document zou dan bepalen aan welk hof, aan welke jurisdictie de partijen zich wilden onderwerpen. Dat na een bepaald moment alleen nog Grieks wordt gebruikt in deze documenten duidt er dan volgens de onderzoekers op dat de partijen zich wilden onderwerpen aan het Romeinse recht.

Wanneer echter beter gekeken wordt naar de zaken die zich in het archief voordoen, moet dit beeld worden bijgesteld. Een concreet voorbeeld kan dit verduidelijken. Twee documenten in het archief gaan over de verkoop van een partij dadels door Babatha aan een joodse man, genaamd Simon.[10] Babatha geeft aan dat de dadels uit boomgaarden komen die van haar overleden echtgenoot Judah waren. Wanneer een verkoper iets ter verkoop aanbiedt waarvan hij geen eigenaar is, is de verkoop in principe ongeldig. Babatha geeft in de papyrus echter aan waarom de verkoop van de dadels toch rechtsgeldig is. Op grond van haar huwelijkscontract en vanwege een schuld heeft ze namelijk nog geld tegoed van haar overleden echtgenoot, hetgeen de verkoop van de dadels rechtvaardigt. In een huwelijkscontract werd namelijk bepaald dat de vrouw na het sterven van de man een bepaald geldbedrag dat zij bij het huwelijk meebracht weer terug zou krijgen. In feite moesten de erfgenamen van de overleden man het geld aan Babatha uitkeren, maar het is duidelijk dat die dat niet bepaald van plan waren. In een andere papyrus namelijk dreigden zij er zelfs mee Babatha’s rechten op grond van het huwelijkscontract ongeldig te maken door het bezit van Judah op naam van de erfgenamen te zetten.[11] Babatha kon dit alleen voorkomen door aan te tonen op welke manier zij recht had gekregen op het bezit, namelijk door zich te beroepen op haar huwelijkscontract en de schuldbrief van Judah. Deze documenten vormden de juridische onderbouwing voor haar handelen.

Beide documenten zijn te vinden in het archief. De schuldbrief is geschreven in het Grieks, het huwelijkscontract in het Aramees.[12] Wanneer we nu aannemen dat documenten die in het Aramees waren gesteld geen rechtsgeldigheid hadden in een Romeinsrechtelijke context, ontstaat er duidelijk een probleem. Babatha baseert zich immers bij de verkoop van de dadels op haar rechten ontleend aan het in het Aramees opgestelde huwelijkscontract. Wanneer de verkoop tot een rechtszaak zou leiden voor een Romeinse rechter zou deze Babatha’s claim en dus de inhoud van het huwelijkscontract moeten onderzoeken. Hieruit blijkt al dat ook Aramese documenten in een Romeinsrechtelijke context konden worden opgevoerd.

Een andere aanwijzing dat Aramees niet ongeldig was als taal voor juridische documenten is het feit dat een deel van het document in het Aramees geschreven bleef worden. Typisch bestond zo’n contract uit een hoofdtekst waarin nauwkeurig met datum en plaats erbij werd beschreven wie met wie een contract sloot en waarover. De onderlinge afspraken werden zoveel mogelijk gedetailleerd. De partijen verklaarden vervolgens in een handgeschreven verklaring onder de hoofdtekst dat zij inderdaad deze afspraken hadden gemaakt en zich eraan zouden houden. Deze partijverklaringen onder de hoofdtekst werden in het Aramees geschreven. Dit heeft grote betekenis wanneer we kijken naar de situatie in Romeins Egypte.[13]

In Egypte waren partijverklaringen in juridische documenten eerder uitzondering dan regel. Pas toen de Romeinen een registratieplicht van documenten invoerden en documenten aan bepaalde eisen moesten voldoen om geregistreerd te kunnen worden, werden er partijverklaringen opgenomen. Deze werden altijd in het Grieks geschreven, ook al was de hoofdtekst in de inheemse taal, het Demotisch.[14] Dit suggereert dat de Romeinen het bij de registratie van belang vonden dat juist de partijverklaringen in de algemeen bekende taal, het Grieks, waren geschreven. Voor de hoofdtekst stelden ze kennelijk geen eisen. Hieruit kan worden afgeleid dat de Romeinen de partijverklaringen beschouwden als het voor de rechtsgeldigheid belangrijkste deel van het document. Juist dit deel is in de papyri uit het Babatha-archief in het Aramees geschreven en niet in het Grieks. Dit bewijst dat Aramese verklaringen geldig waren en dat Aramees kon worden gebruikt in juridische documenten die in een Romeinsrechtelijke context moesten functioneren.

Direct bewijs hiervoor vinden we in de kopie van een censusverklaring in het archief, waarin Babatha aangifte doet van alles wat zij bezit.[15] De partijverklaring van Babatha alsmede de officiële goedkeuringsverklaring van een Romeinse ambtenaar zijn in het Grieks geschreven, maar bij beiden staat vermeld dat het om een vertaling gaat. Dit wil zeggen dat het originele document dat de Romeinse administratie inging, de verklaringen bevatte in de oorspronkelijke talen, Aramees en Latijn.Wanneer de Romeinse administratie voor officiële doeleinden zelf documenten hanteerde die delen in de volkstaal bevatten, kan onmogelijk worden volgehouden dat de inheemse bevolking verplicht zou zijn Grieks te gebruiken om documenten te kunnen laten registreren in een openbaar archief. De volkstalen hadden voor de Romeinen overduidelijk rechtsgeldigheid en konden worden gebruikt zowel in stukken bestemd voor registratie als in documenten die later onder Romeinse jurisdictie in een rechtszaak zouden worden aangevoerd.

Deze conclusie ten aanzien van het Aramees als taal binnen een Romeinsrechtelijke context impliceert dat er binnen het Romeinse overheidsapparaat ambtenaren waren die de volkstalen beheersten. Men gaat er inderdaad vanuit dat het horen van rechtszaken door de Romeinse gouverneur plaatsvond in de volkstaal van het betreffende gebied. De gouverneur werd dan bijgestaan door tolken die de verklaringen van de partijen ter zitting voor hem uitlegden.[16] Men gaat ervan uit dat zulke tolken gemakkelijk te vinden waren omdat de krachten die rond de gouverneur hun werk deden uit de lokale bevolking werden geworven. Het is aannemelijk dat deze tolken die ter zitting aanwezig waren om direct te vertalen, ook de Aramese documenten die van belang waren voor de zaak konden uitleggen (evenals overigens de Aramese partijverklaringen die deel uitmaakten van de anderszins Griekse akten). Het was dus ook praktisch goed mogelijk dat Aramees een rol bleef spelen binnen een kader van Romeinse jurisdictie.

Op een dieper niveau

Naast de vraag naar de rechtsgeldigheid van een bepaalde taal speelt er nog een ander probleem. Het reeds genoemde huwelijkscontract van Babatha kan dit verduidelijken. Het contract is opgesteld in het Aramees, de taal van de lokale bevolking. Toch kon het contract worden opgevoerd voor een Romeinse rechter, die van de inhoud van het contract kennis nam door middel van tolken. Hij kon daarom begrijpen wat er precies in het contract was bepaald. Maar hoe ging hij vervolgens het conflict beoordelen?

De Romeinse rechter zou in een geval tussen Romeinse burgers rechtspreken volgens het Romeinse recht. In de provincie vond hij echter de lokale bevolking als partij voor zich. Deze bevolking hield bij het opstellen van het contract inhoudelijk geen rekening met het Romeinse recht, maar met hun eigen lokale recht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het conflict van Babatha met de erfgenamen van haar overleden echtgenoot Judah. Onder het Romeinse recht erfden kinderen van hun ouders, ongeacht of het jongens of meisjes waren. We weten uit het archief dat Babatha Judahs tweede vrouw was en dat Judah een dochter had uit zijn eerste huwelijk. Bij zijn overlijden zou, volgens het Romeinse recht, deze dochter erfgenaam zijn geweest. Wat we in de documenten zien is dat er een man optreedt namens een aantal minderjarigen, die niet de kinderen van Judah zijn, maar de kinderen van Judahs broer. Deze vertegenwoordiger legt met zoveel woorden uit dat de kinderen van Judahs broer de erfgenamen zijn van Judah.[17]

Deze situatie is alleen mogelijk wanneer we aannemen dat het joodse recht hier gold. In het joodse recht kon een dochter niet erven van haar vader, wanneer ze getrouwd was met iemand buiten haar eigen familie.[18] In dat geval zou namelijk het bezit dat zij erfde overgaan in een andere familie en dat was ongewenst. Daarom was bepaald dat wanneer een dochter getrouwd was met een man die geen familie van haar vader was, de broer van de vader erfde. Als die was overleden, erfden diens kinderen. Dit gebeurde ook in Babatha’s geval. Ook de eerder besproken verkoop van de dadels is onmogelijk onder Romeins recht, waar de vrouw geen rechten kon doen gelden op het bezit van haar man. Onder joods recht was dit echter normaal. Het is dus duidelijk dat de documenten uitgaan van toepassing van het inheemse recht. Niettemin kwamen conflicten voortkomend uit de documenten voor een Romeinse rechter. De conclusie moet wel zijn dat deze rechter recht sprak volgens het inheemse recht.[19]

Rechtspreken volgens ander recht

Tegenwoordig komt het regelmatig voor dat partijen van verschillende nationaliteit zaken doen en een rechter benaderen in het land waar ze zaken doen. De rechter zal dan niet zomaar volgens zijn eigen recht rechtspreken, maar kijken of er op grond van de afspraken tussen de partijen aanleiding is aan te nemen dat een ander recht van toepassing is, bijvoorbeeld dat van een van de partijen of van het land waarin het contract is opgesteld. Ditzelfde doet zich voor bij mensen die in het buitenland trouwen of een testament opstellen. Welk huwelijksvermogensrecht, welk erfrecht is dan op de regeling van toepassing? Het omgaan met de mogelijke toepassing van meerdere rechtssystemen is het onderwerp van een speciaal rechtsgebied, het zogenaamde internationaal privaatrecht, ook wel conflictenrecht genoemd. De vraag staat dan centraal welk recht moet gelden als er meerdere rechtssystemen van toepassing zouden kunnen zijn.

Het is opmerkelijk dat over het algemeen wordt aangenomen dat het opzetten van een consistent systeem van regels om met een conflict van rechtssystemen om te gaan pas in veertiende-eeuws Italië is begonnen, in reactie op de verschillende rechtsregels in de stadstaten die met elkaar handel dreven. Voor die tijd zou er dan geen consistente manier zijn geweest om met conflicterende rechtsystemen om te gaan. Over het algemeen betogen oudheidkundigen en rechtshistorici dat er in de klassieke oudheid niet zoiets als een internationaal privaatrecht heeft bestaan.[20] In bepaalde gevallen was er misschien wel een conflict, waarvoor een oplossing werd gezocht. Maar van een visie op conflicten tussen rechtssystemen en de daaruit voortvloeiende systematische afhandeling hiervan door regels op te stellen zou echter geen sprake zijn geweest. Met name Wolff heeft in zijn beroemde boekje Das Problem von Konkurrenz der Rechtsordnungen in der Antike uitgebreid stilgestaan bij wat hij beschouwt als het gebrek aan systematisch denken over de verhouding tussen rechtssystemen in de oudheid.[21] Wolff gaf daarbij ook aan dat hij het samentreffen van het rechtssysteem van een overheersende macht en dat van de inheemse bevolking niet zag als een echt conflict van rechtssystemen. Het recht van de inheemse bevolking in een dergelijke situatie was volgens hem niet meer dan lokaal gewoonterecht dat door de overheersende macht werd getolereerd, maar niet als gelijkwaardig rechtssysteem erkend.[22]

Deze zienswijze, die de literatuur diepgaand heeft beïnvloed, kan op grond van bestudering van het Babatha-archief worden bijgesteld. Het is namelijk niet zo dat we het recht dat op een document van toepassing is, altijd moeten afleiden uit de regeling in het document, zoals in het hierboven besproken geval van het erfrecht. Wat veel interessanter is, is dat de documenten in veel gevallen verwijzen naar het recht dat op hen van toepassing is door een rechtstreekse verwijzing in de tekst, zoals ‘volgens Griekse gewoonte’ of ‘volgens de wet van Mozes en de Judeeërs’.[23] Het is opmerkelijk te noemen dat deze directe verwijzingen naar het toepasselijke recht nooit veel aandacht hebben getrokken en nooit systematisch zijn onderzocht. Juist deze verwijzingen geven een helder beeld van de ontwikkeling die zich voltrok toen het gebied onder Romeinse heerschappij terechtkwam.[24]

Vóór de verovering door de Romeinen maakte het gebied waarin Babatha en haar familie woonden deel uit van het Nabatees koninkrijk. De documenten die in die tijd zijn opgesteld laten zien dat partijen verwezen naar een algemeen geldend recht dat niet afhankelijk was van hun nationaliteit. Zo verwijst een koopakte voor details met betrekking tot hetgeen bij de koop is inbegrepen naar ‘hetgeen gepast is’ dat wil zeggen ‘hetgeen normaal bij een koop is inbegrepen’.[25] Ook de waterrechten, die aangeven op welk moment de te verkopen boomgaard water voor irrigatie zal krijgen, worden op die manier omschreven.

Deze koopakte werd gevolgd door een tweede waarin dezelfde verkoper – kennelijk nadat de eerste koop toch nog was afgeketst – dezelfde boomgaard verkocht aan een andere koper.[26] Deze koper was geen Nabateeër, maar een jood (Babatha’s vader). Dit contract is bijna letterlijk hetzelfde als het eerste, op één punt na: de waterrechten worden nu niet omschreven met ‘zoals behoorlijk is’, maar met een specifieke dag van de week en een tijdsduur ‘een half uur op de vierde dag van de week’. Deze aanduiding met een dag van de week is wel omschreven als uniek, omdat tijdsaanduidingen normaal geen gebruik maakten van een indeling in weken. Voor joden is zo’n indeling echter heel relevant omdat op de laatste dag van de week, de sabbat, geen werk mag worden verricht. Door de waterrechten te specificeren met een dag van de week konden ze voorkomen dat de irrigatie net op de sabbat zou plaatsvinden.[27] Vanuit juridisch oogpunt is deze observatie relevant omdat hier blijkt dat de identiteit van de koper het contract direct beïnvloedt. Er wordt niet langer verwezen naar een algemeen rechtskader, maar deze verwijzing is vervangen door een concrete partijafspraak. Dit laat zien dat er gekozen kon worden voor een verwijzing naar algemeen aanvaard recht of voor een specifieke afspraak die samenhing met de identiteit van een van de partijen.

Ook in een andere papyrus, waarin beide partijen joden zijn, wordt een afspraak over arbeid op het land met details ingevuld: ‘op de manier zoals gebruikelijk is volgens “gij zult de grond bewerken”’.[28] Dit ‘gij zult’ roept meteen associaties op met de wijze waarop in het Oude Testament geen verboden worden geformuleerd. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de Tien Geboden. Ervan uitgaande dat de uitdrukking ‘gij zult de grond bewerken’ verwijst naar een concrete juridische regeling voor landarbeid, kan gezocht worden of er joodse bronnen zijn die een dergelijke regeling vermelden. Inderdaad vinden we in de Mishna, een codificatie van joods recht van ongeveer zeventig jaar na onze documenten, een dergelijke regeling.[29] Hier vinden we ook een uitleg over de manieren waarop degene die het land bewerkte de oogst kon binnenhalen. Hij mocht ervoor kiezen te oogsten door de planten boven de grond af te snijden, maar hij kon ze ook met wortel en al uittrekken. Welke methode werd gehanteerd moest worden bepaald in het contract. In onze papyrustekst worden beide methoden genoemd, waarbij expliciet wordt aangegeven dat de ene methode (het afsnijden) de bedoeling is, terwijl de andere (het uittrekken met wortel en al) niet de bedoeling is. In de tekst wordt dus verwezen naar een juridische regeling, die aangeeft dat er een keuze moet worden gemaakt ten aanzien van de manier van oogsten. En vervolgens vinden we deze keuze ook in het contract terug.[30] De latere joodse bron is een exacte afspiegeling van wat we in de documenten al zien gebeuren.

Belangrijk is dat in de Mishna-tekst afzonderlijk aandacht wordt besteed aan een situatie waarin de lokale gewoonte niet in overeenstemming is met de Torah (de eerste vijf boeken van het Oude Testament  waarop de joodse wetgeving voornamelijk is gebaseerd). Voor die situatie wordt bepaald dat het lokale gewoonterecht voor gaat.[31] Een dergelijke regel zou regelrecht uit een moderne verhandeling over internationaal privaatrecht kunnen komen als voorbeeld van een conflictregel, een regel die bepaalt welk recht bij een conflict moet worden toegepast. Deze vondst van een conflictregel in de Mishna weerlegt de eerdere opvattingen dat er in de oudheid geen conflictregels waren en dat er niet op een consistente manier met het mogelijke conflict van rechtssystemen werd omgesprongen. De tekst van één individuele papyrus kan dus grote invloed hebben op ons begrip van de juridische situatie in de oudheid.

Wanneer de verwijzingen naar het toepasselijke recht in alle documenten uit het archief worden bekeken, valt op dat deze verwijzingen veranderen wanneer de Romeinse overheersing intreedt. Waar tot die tijd algemene verwijzingen werden gebruikt, ‘zoals het behoort’, worden de verwijzingen nu steeds concreter: ‘volgens de wet van het depositum’. Ook worden nu rechtsposities nadrukkelijk beschreven, zoals Babatha’s recht om dadels te verkopen uit boomgaarden van haar overleden man of de rechten van bepaalde personen als erfgenamen.

Een verklaring voor de overgang van algemene verwijzingen naar concrete moet worden gezocht in de veranderde rechtssituatie in het gebied. Een algemene verwijzing, van het type ‘zoals het behoort’, kan alleen functioneren als partijen en later eventueel ook de rechter weten wat de norm die ermee bedoeld wordt inhoudt. Alleen zij die zelf in die rechtstraditie staan, kunnen de verwijzing gebruiken. Door het intreden van een situatie met Romeinse jurisdictie verloren verwijzingen van dit type hun betekenis. De Romeinse rechter deelde immers geen rechtstraditie met de partijen. Het werd dus noodzakelijk dat contracten steeds explicieter omschreven welke rechtsnormen de partijen wilden hanteren of op welke rechten de handelingen die zij verrichten waren gebaseerd. Uiteraard nam ook het belang van het geschreven document toe. Het document ging door de daarin nauwkeurig omschreven afspraken het rechtskader vormen voor de overeenkomst die partijen sloten.

In dat verband is het aardig een uitspraak aan te halen uit het Romeinse recht: contractus enim legem ex conventione accipiunt. Deze uitspraak wordt wel vertaald met ‘het principe waarop contracten gebaseerd zijn is overeenstemming’,[32] maar eigenlijk staat er iets anders: ‘de overeenstemming tussen de partijen is de wet waarop het contract is gebaseerd’. Dit geeft precies weer wat er eigenlijk door het opstellen van een document gebeurt. Wat de partijen hierin afspreken gaat voor hen als wet, als toepasselijk recht, gelden.[33] De Romeinse rechter zal vooral op grond van de afspraken in het contract hebben beoordeeld hoe het conflict moest worden opgelost. Omdat de afspraken in het contract gebaseerd waren op het inheemse recht, moest de rechter zich dus bij zijn beoordeling door dit inheemse recht laten leiden.

De rol van het Romeinse recht

Moeten we nu concluderen dat Ammianus het helemaal mis had toen hij schreef dat de Romeinen de volken door wetten onderwierpen? Zeker niet. De documenten geven blijk van een onmiskenbare invloed van de Romeinse aanwezigheid. Eerder werd al verwezen naar het voorkomen van de stipulatio in documenten, de Romeinse vraag-en-antwoord-procedure waarmee een partij zijn aandeel in een afspraak bekrachtigde. Het opnemen van zo’n stipulatio moet een direct gevolg zijn van de Romeinse overheersing van het gebied. Zo zien we ook dat vrouwen die voor de Romeinse overheersing zelfstandig contracten afsloten, nu bij het aangaan van een contract vergezeld zijn van een voogd, iemand die voor hen de rechtshandeling bekrachtigt.[34] Deze vrouwenvoogdij was in de inheemse rechtssystemen, waaronder ook het joodse recht, onbekend. Daarom is het ook hier aannemelijk dat het optreden van een voogd voor de vrouw die partij is bij een rechtshandeling het directe gevolg is van de Romeinse overheersing van het gebied.[35] Hoe vallen nu deze onmiskenbare invloeden van het Romeinse recht te rijmen met de blijvende invloed van het inheemse recht?

Dit is eigenlijk alleen mogelijk door een onderscheid te maken tussen de verschillende niveaus van recht. De regels die bepalen hoe een proces moet worden gevoerd, bijvoorbeeld de regel voor welk gerecht een bepaalde zaak moet voorkomen of de regel hoe lang een bepaalde zaak mag worden aangehouden, zijn regels van formeel recht. Regels daarentegen die inhoudelijke zaken bepalen, zoals wie erfgenaam is, zijn regels van materieel recht. Wanneer we met die onderverdeling in gedachten naar de papyri gaan kijken, wordt duidelijk dat de Romeinse elementen formeelrechtelijk van aard zijn, terwijl de inheemse elementen materieelrechtelijk van aard zijn. De Romeinse overheersing heeft dus wel degelijk een onderwerping aan Romeins recht meegebracht, zij het alleen aan Romeins formeel recht.[36]

Eigenlijk is dit niet verbazingwekkend. In een gebied waar de heersende macht wisselt, zal de bevolking zoveel mogelijk verder leven zoals voorheen. Rechtstechnisch betekent dit dat mensen onderling dezelfde dingen blijven regelen als eerder, terwijl eventuele conflicten over deze regelingen worden beoordeeld door de nieuwe heersers. De makkelijkste manier om deze twee schijnbaar tegenstrijdige bewegingen – continuering en verandering – op elkaar af te stemmen is door te bepalen dat mensen zich bij de gang naar de rechter moeten houden aan de vormvereisten van de rechtbank, terwijl de contracten inhoudelijk zullen worden beoordeeld naar het recht waaronder ze zijn opgesteld. Met andere woorden: de documenten moeten worden aangepast aan het formele recht van de overheerser, maar kunnen materieel het inheemse recht blijven volgen. Op die manier wordt op de rechtscultuur van de onderworpen bevolking zo min mogelijk inbreuk gemaakt. Dit model van de twee niveaus waarop het toepasselijk recht moet worden bekeken, kan verklaren waarom de documenten aan het Romeinse recht worden aangepast, terwijl ze tegelijkertijd blijven verwijzen naar het eigen inheemse recht. Babatha kon een beroep doen op haar Aramese huwelijkscontract, waaraan ze rechten ontleende die onder het Romeinse recht ongeldig zouden zijn, maar ze moest in de zaak die volgde wel een voogd meebrengen om aan de Romeinse formele eisen te kunnen voldoen.

Conclusie

Voor de documenten betekent dit dat ze in twee opzichten nuttig zijn voor onze kennis van de situatie in die tijd. Enerzijds geven de documenten inzicht in het inheemse recht en in de regelingen die de onderlinge verhoudingen tussen mensen bepaalden (huwelijksrecht, erfrecht), anderzijds geven ze een beeld van het functioneren van het Romeinse procesrecht en van de manier waarop rechtszaken werden aangespannen en afgehandeld. Door het samenspel van beide rechtstradities laten de documenten zien dat er wel degelijk een bewustzijn was van het conflict tussen de verschillende toepasselijke rechtssystemen en een bewuste manier van daarmee omgaan.

Het maken van onderscheid tussen materieel en formeel recht om te bepalen welk recht van toepassing is, speelt ook tegenwoordig in het internationaal privaatrecht nog een belangrijke rol. De vaststelling dat dit in de tweede eeuw na Christus reeds gebeurde, vraagt om een radicale bijstelling van het beeld over de ontstaans-geschiedenis van het internationaal privaatrecht. De oorsprong ervan ligt niet in veertiende-eeuws Italië, maar veel en veel eerder. Nader onderzoek naar papyri uit nog eerdere perioden laat zien dat het niet tot een bijstelling naar de tweede eeuw na Christus zal blijven. Ook in de documenten uit een joodse kolonie uit de vijfde eeuw voor Christus speelt het onderscheid tussen materieel en formeel recht bij het opstellen van documenten een rol.[37] Het is van belang dat het bij documenten die dit principe laten zien steeds gaat om documenten uit het nabije oosten. Het zou kunnen zijn dat oosterse heersers de tweedeling benutten om met verschillende rechtssystemen om te gaan en dat de Romeinen deze benadering op hun beurt in de door hen veroverde gebieden overnamen. Om dit precies te bepalen is verder onderzoek noodzakelijk. Wel is het duidelijk dat de Romeinen – en andere heersers voor hen – nooit zomaar hun eigen wetten aan andere volkeren oplegden. De eisen die ten aanzien van documenten werden gesteld, waren gericht op duidelijkheid, bruikbaarheid en eenheid van rechtsspraak. Voor de eigenheid van het door de bevolking gehanteerde recht toonden de Romeinen respect.

Afkomstig uit: 

Titel:      Onderwerpen door wetten? De houding van de Romeinen tegenover het inheemse recht in de provincie Arabia
Nummer: Cultuurcontact en acculturatieprocessen in de oudheid
Jaargang:  21.3

 
 
Dit nummer is helaas uitverkocht, maar wel digitaal beschikbaar. Voor vele andere publicaties: 

Noten:

[1] David Harris, ‘I was there!’, Biblical Archaeology Review 24-2 (1998) 34-35.

[2] Bijvoorbeeld voor L.H. Schiffman en J.C. VanderKam ed., Encyclopaedia of the Dead Sea Scrolls (Oxford 2000) en in specialistische werken als Catherine Hezser, Jewish Literacy in Roman Palestine [Texts and Studies in Ancient Judaism 81] (Tübingen 2001).

[3] Naphtali Lewis, Yigael Yadin en Jonas Greenfield ed., The documents from the Bar Kokhba Period in the Cave of Letters. Greek Papyri. With Aramaic and Nabataean signatures and subscriptions(Jeruzalem 1989).

[4] Yigael Yadin, Jonas C. Greenfield, Ada Yardeni en Baruch Levine ed., The documents from the Bar Kokhba Period in the Cave of Letters. Hebrew, Aramaic and Nabataean-Aramaic Papyri (Jeruzalem 2002).

[5] Respectievelijk P. Yadin 15 en 17. (P. Yadin is de officiële benaming gebruikt voor de papyri uit het Babatha-archief; de nummers duiden op de nummering zoals die wordt gehanteerd in de editie van Lewis, zie noot 3).

[6] Ibidem, 28-30.

[7] obtemperare legibus nostris Traianus conpulit imperator (Ammianus 14.8.13); aangehaald in: Glen W. Bowersock, Roman Arabia (Cambridge 1983) 79; en Dieter Nörr, ‘Prozessuales aus dem Babatha-Archiv’ in: M. Humbert en Y. Thomas ed., Mélanges à la mémoire de André Magdelain (Parijs 1998) 341.

[8] Zie bijvoorbeeld: Hannah M. Cotton, ‘The guardianship of Jesus, son of Babatha. Roman and local law in the province of Arabia’, Journal of Roman Studies 83 (1993) 94-113, aldaar 107; Abraham Wasserstein, ‘A marriage contract from the province of Arabia. Notes on P. Yadin 18’, Jewish Quarterly Review 80 (1989-1990) 93-130, aldaar 121; en Ze’ev Safrai, ‘Halakhic Observance in the Judaean Desert Documents’ in: R. Katzoff en D. Schaps ed., Law in the documents of the Judaean desert [Supplements to the Journal for the Study of Judaism 96] (Leiden 2003) 205-236, aldaar 225.

[9] Safrai, ‘Halakhic Observance’, 225: ‘If a Jew wanted a document between him and his fellow to have legal validity, he was forced to write the document in Greek, and in a manner that would meet the requirements of the court in Petra or in Rabbah. One who wrote his document in Aramaic thereby decided that he would not need the official courts. He did so either out of naïveté and good will, or because he relied upon another, unofficial, court, probably a Jewish one.’

[10] P.Yadin 21 en 22.

[11] Ibidem 24.

[12] Ibidem, respectievelijk 17 en 10.

[13] Zoals beschreven door Mark DePauw in zijn artikel , ‘Autograph confirmation in Demotic private contracts’, Chronique d’Egypte 78 (2003) 66-111 passim.

[14] Het Demotisch was een fase van het Egyptisch, waarin niet langer hiëroglyfenschrift werd gebruikt, maar het Griekse alfabet, in combinatie met een aantal nieuw toegevoegde letters. Ondanks de verandering van het schrift werd wel de Egyptische grammatica gehanteerd, die bijvoorbeeld werkt met achtervoegsels om werkwoorden te vervoegen.

[15] P. Yadin 16.

[16] Werner Eck, ‘Lateinisch, Griechisch, Germanisch…? Wie sprach Rom mit seinen Untertanen?’ in: L. de Ligt e.a. ed., Roman rule and civic life. Local and regional perspectives. Proceedings of the Fourth Workshop of the International Network Impact of Empire (Roman Empire, c. 200 B.C. - A.D. 476), Leiden, June 25-28, 2003 (Amsterdam 2004) 3-19, aldaar 17-18.

[17] Dit is een nieuwe interpretatie van een gerestaureerde regel uit P. Yadin 24, gepresenteerd in mijn dissertatie The relationship between Roman and local law in the Babatha and Salome Komaise archives, te verschijnen als handelseditie in de serie Studies on the Texts from the Desert of Judah van Brill in Leiden.

[18] Volledige argumentatie met bespreking van de positie van de dochter-enig kind in andere oosterse rechtssystemen in hoofdstuk 4 van mijn dissertatie (zie noot 17).

[19] Deze conclusie gaat in tegen de algemeen aanvaarde mening over het archief, waarbij men zonder meer uitgaat van het rechtspreken volgens het Romeinse recht.

[20] Zie voor een korte bespreking van de verschillende standpunten bijvoorbeeld Laurens Winkel, ‘La vente entre les droits grec et romain. Quelque observations à propos de C. 4, 19, 21’ in: L. Winkel e.a. ed., Collatio Iuris Romani. Etudes dédiées à Hans Ankum à l'occasion de son 65e anniversaire (Amsterdam 1995) 633-642.

[21] Hans-Julius Wolff, Das Problem der Konkurrenz von Rechtsordnungen in der Antike (Heidelberg 1979).

[22] Wolff, Konkurrenz von Rechtsordnungen, 13.

[23] Respectievelijk P.Yadin 18 en 10.

[24] Een overzicht van zulke verwijzingen wordt gepresenteerd in hoofdstuk 2 van mijn dissertatie (zie noot 17). Conclusies ten aanzien van de betekenis van het optreden van verschillende typen verwijzingen voor de verhouding tussen rechtssystemen voor en onder Romeinse overheersing worden besproken in hoofdstuk 3.

[25] P. Yadin 2.

[26] Ibidem, 3; besproken in hoofdstuk 2 van mijn dissertatie (zie noot 17).

[27] Ranon Katzoff en Bertram Schreiber, ‘Week and Sabbath in Judaean Desert Documents’, Scripta Classica Israelica 17 (1998) 102-114.

[28] P. Yadin 6; besproken in hoofdstuk 2 van mijn dissertatie (zie noot 17).

[29] m. Baba Mesia 9:1. (De aanduiding m. geeft aan dat het hier om een traktaat uit de Mishna gaat, Baba Mesia is de naam van het traktaat, 9:1 is een aanduiding van de passage en de paragraaf binnen de passage.)

[30] Deze interpretatie, gepresenteerd in hoofdstuk 2 van mijn dissertatie (zie noot 17), biedt een verklaring voor het feit dat een bepaalde methode van oogsten wordt afgewezen en een andere aanvaard, iets wat door de bewerkers van de tekst niet kon worden verklaard.

[31] m. Baba Mesia 7:8 (Zie noot 29).

[32] Dig. 16,3,1,6 in de vertaling uit Theodor Mommsen en Paulus Krueger ed., The Digest of Justinian, vert. A. Watson (Philadelphia, Pa. 1985). (Dig. is een afkorting voor Digestae, een onderdeel van het Corpus Iuris Civilis, het grote corpus van Romeinse wetsteksten en rechtsbronnen uit de zesde eeuw na Christus).

[33] Vergelijk Watsons vertaling in een andere publicatie: ‘What Roman law did have, however, … is the rule that parties to a contract might by agreement impose standards different from those settled in law. Thus: ‘Digest of Justinian, 16,3,1,6. If it is agreed in a deposit that there will be liability even for negligence, the agreement is ratified; for the contract becomes law by agreement.’ (Alan Watson, Roman Law and Comparative Law (Athens 1991) 240).

[34] In de Aramese papyri P. Yadin 2 en 3 is de verkoper een vrouw, zij is niet vergezeld door een voogd. In de Griekse papyri, bijvoorbeeld P. Yadin 14 en 15, wordt de vrouwelijke partij wel vergezeld door een voogd. Overigens wordt dit principe nog niet volledig consequent toegepast: in bepaalde Griekse papyri heeft een vrouwelijke partij geen voogd bij zich (bijvoorbeeld Julia Crispina in P. Yadin 25 en Babatha en haar tegenpartij Miryam in P. Yadin 26).

[35] Volledige bespreking van de details in hoofdstuk 5 van mijn dissertatie (zie noot 17).

[36] Het bestuderen van de papyri op grond van deze tweedeling vormt de basis voor mijn dissertatie (zie noot 17). Het onderscheid tussen materieel en formeel recht heeft in eerder onderzoek geen rol gespeeld, sterker nog, het onderscheid wordt meestal niet eens gemaakt.

[37] Tweetalige familiearchieven uit Elephantine, een joodse kolonie in het door de Perzen bezette Egypte van de vijfde eeuw voor Christus. Ook hier heeft mijn onderzoek laten zien dat in documenten inhoudelijk het eigen recht wordt gevolgd, terwijl men zich houdt aan de vormvereisten van de overheersers (de Perzen). In mijn dissertatie over het Babatha-archief (zie noot 17) wordt ook zijdelings naar het onderzoek naar de archieven uit Elephantine verwezen, bijvoorbeeld in het kader van erfrecht en huwelijkscontracten.

Meer weten

Tijdschriften: