Ontstaan van het celibaat

Waarom zou een geestelijke geen normaal en sociaal leven in de relatieve sfeer mogen hebben?

De Katholieke priester Jan Peijnenburg heeft al 46 jaar een relatie. Daarnaast  is hij al vijftig jaar priester. Voor 1 december moet Jan Peijnenburg kiezen: of hij verbreekt zijn relatie, of hij wordt uit zijn ambt gezet. In het Eindhovens Dagblad reageren lezers aan de hand van ingezonden brieven. Er is zowel begrip als onbegrip voor de beslissing van de Katholieke kerk. Zo vragen mensen zich af: ‘Waarom zou een geestelijke geen normaal en sociaal leven in de relatieve sfeer mogen hebben?’ en ‘Elke arbeidsovereenkomst kent bindende afspraken.’ Maar waar komt dit celibaat eigenlijk vandaan?

Petrus kreeg van Jezus de opdracht om leiding te geven aan zijn volgelingen en was daarmee de eerste paus van de Katholieke kerk. Petrus was echter een getrouwd man. In deze tijd was het nog niet verplicht om celibatair te zijn, wanneer men een functie binnen de Katholieke kerk bekleedde. In de eeuwen die volgden trouwden geestelijken en kregen zij kinderen. In de vierde eeuw kwam hier weerstand tegen. Seks werd gezien als een materieel concept en geestelijken hoorden geen materiële zaken na te streven. In 325 stelde de Katholieke kerk in dat priesters niet meer mochten trouwen, nadat zij ingewijd waren als priester. Vanaf dat moment begon de Katholieke kerk seks als een zonde te beschrijven, die zou afleiden van het leiden van een goed leven. Zo schreef de heilige Augustinus in 401 dat niets de kracht van een man zo kon verzwakken, als de streling van een vrouw. Dit betekende echter niet dat alle geestelijken zich aan deze kerkelijke richtlijnen hielden. Zo was bijvoorbeeld paus Hadrianus II in de negende eeuw nog een getrouwd man.

De rijkdom van de Katholieke kerk was ondertussen flink gestegen. Het was de kerk een doorn in het oog dat veel van die rijkdom verloren ging, omdat priesters na hun overlijden hun erfenissen aan hun nageslacht nalieten. In 1018 verbood de Katholieke kerk dat priesters hun erfenis aan hun nageslacht nalieten. Hierdoor moesten zij hun erfenis wel aan de kerk nalaten. In 1139 werd de kerkelijke wet aangenomen dat een geestelijke niet meer getrouwd mocht zijn, ook niet als hij voor zijn inwijding al gehuwd was. Sindsdien is het standpunt van de Katholieke kerk niet gewijzigd. Nog steeds zijn er echter geestelijken, zoals Jan Peijnenburg, die vinden dat het huwelijk een geestelijk leven niet in de weg staat.

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!