Aanmonsteren bij de VOC

“Zielverkopers” die in Amsterdam armoedzaaiers, vreemdelingen en dronkelappen ronselden voor de VOC waren ver buiten de landsgrenzen berucht. Als de Compagnie weer een vloot liet vertrekken naar de Oost, stonden honderden mannen in de Oude Hoogstraat bij het VOC-kantoor in de rij voor een plekje aan boord. Zo ook Georg Naporra uit Oost-Pruisen.

Tekst: Roelof van Gelder

In De Amsterdamse Courant van 10 juni 1752 kon men bij de scheepvaartberichten lezen dat “aen deeze stad” waren aangekomen “Marten Duyf en Haye Tades van Dantzik”. En zij waren niet de enige passagiers aan boord van de galjoot, die een lading rogge en vurenhouten planken in Amsterdam afleverde. In totaal zes passagiers stapten hier van de loopplank: jongemannen uit Koningsbergen en Dantzig die met één doel voor ogen naar Amsterdam waren gekomen: aanmonsteren bij de VOC. Een van hen heette Georg Naporra (1731-1793). Hij zou volslagen vergeten zijn, zoals die honderdduizenden andere VOC-matrozen en -soldaten als hij niet zijn levensherinneringen had opgeschreven. Naporra beschrijft in zijn notities uitvoerig zijn jeugd als boerenzoon in Oost-Pruisen, zijn schooltijd, zijn baantjes als koopmansknecht en ook hoe hij tot het besluit was gekomen om samen met een kameraad naar Amsterdam te reizen om dienst te nemen bij de VOC. Er bleken nog enkele andere jongens met hetzelfde plan rond te lopen en die sloten zich bij hen aan. Op 6 juni 1752, na een reis van drie weken, kwamen zij in Amsterdam aan. Naporra is dan 20 jaar oud. Zijn bezittingen bestonden uit niet veel meer dan wat kleren, een pijp, een tabaksdoos en ongeveer 46 gulden.      

Onmiddellijk na het afmeren van de Dantziger galjoot waren allerlei mannen aan boord geklommen, die de nieuw aangekomen buitenlanders vroegen waar ze vandaan kwamen en of ze al onderdak hadden. Deze “runners” spraken goed Duits en boden zelfs gratis slaapplaatsen aan, maar de schipper joeg hen met harde hand van dek. Wie als vreemdeling geen geld en geen aanbevelingsbrieven bezat, liep grote kans in de handen te vallen van dergelijke “runners” en vervolgens te worden ondergebracht bij louche herbergiers, die vaak als ronselaars voor de VOC werkten. Bij deze volkhouders kregen de nieuwelingen dan kost en inwoning – tot het tijd was om aan te monsteren. De slaapbaas voorzag hem dan van een kist en een uitrusting en schoot hem op deze wijze dus geld voor. In ruil daarvoor moest de nieuwbakken matroos of soldaat een deel van zijn handgeld afstaan, als ook de schuldbrief die hij van de Compagnie had gekregen, doorgaans ter waarde van 150 gulden. Deze lieden werden “zielverkopers” genoemd, een verbastering van het woord ‘cedeel’ of ‘ceel’ dat schuldbrief betekent.      

Gelukkig hadden Georg Naporra en zijn kameraden in Dantzig een aanbevelingsbrief gekregen en wel voor een zekere Claas van den Bergh, die op de Nieuwendijk woonde tussen de Martelaarsgracht en het Singel. Van den Bergh blijkt een behulpzame man, die de vreemdelingen met raad en daad bijstaat. Hij vindt al snel logies op de zolder van een Zweedse kleermaker in de Engelse Steeg en wel voor zeven stuivers per persoon per week, zonder kost.      

Later vindt Van den Bergh een ander logement in de buurt, de Burcht van Emden in de Hasselaerssteeg. Van den Bergh gaat zelfs mee om te kijken of de waard, Jan Dirksen, geen zielverkoper is en bij dat bezoek stelt hij vast dat deze Jan een “eerlijke burger” is. Bij hem was het logies ook goedkoper, maar de afspraak daarbij was wel, dat zijn logés, wanneer ze zouden worden aangenomen bij de VOC, hem een maand gage zouden betalen. Bij Jan Dirksen was het goed toeven. De slaapzaal en de bedden bevielen. Als ontbijt kregen de jongens wittebrood met boter en kaas, zoveel ze wilden, en verder koffie al was die zonder suiker. ’s Middags krijgen ze twee “goede gerechten” met bier en in de namiddag nog eens thee. ’s Avonds was er “zoals in heel Amsterdam gebruikelijk was”, koude of warme zoetemelk met wittebrood en salade. Daarbij werden gekookte eieren of gebakken vis geserveerd.      

Het verblijf bij Jan Dirksen werd nog aangenamer toen er enkele koopmansknechten uit dezelfde streek aankwamen; ook zij waren van plan naar Azië te varen. De kameraden brachten veel tijd door met kaartspelen en met het maken van lange wandelingen door de stad. Bij mooi weer lopen de vrienden ’s middags naar de Plantage en roken daar een pijp en drinken er een glas bier. Georg bewondert de huizen, de grachten, de bruggen, sluizen en pakhuizen. En zoals de doorsnee toerist van die dagen bezoekt hij het stadhuis, en andere openbare gebouwen. Zijn vriend Claas van den Bergh laat hem bovendien de duistere cafés, speelhuizen en bordelen zien en zegt hem dat hij ze mijden moet. Toch bezoekt Georg een paar weken later, vlak voor zijn vertrek, een van deze gelegenheden. Hij schrijft daar een aantal bladzijden over vol, maar helaas zijn die met inkt onleesbaar gemaakt. 

Het graf der Amsterdammers

Het is de vraag wat dit soort jongemannen, waarvan er jaarlijks elk jaar duizenden in de stad arriveerden, nu eigenlijk voor ideeën over Azië hadden. Tallozen moeten zonder het geringste benul van Azië bij de VOC hebben getekend. Naporra schrijft dat hij een zonnig beeld van de Oost had en dat hij van plan was er zeven jaar te blijven. Thuis, in Oost-Pruisen, had hij er over horen vertellen en hij schreef dat hij er ook boeken over gelezen had. Maar in Amsterdam moet hij in die weken toch ook nog eens de voor- en nadelen hebben afgewogen, zeker toen zijn vriend Van den Bergh hem de reis ten sterkste afraadde. Het inwinnen van informatie over het leven aan boord en in Azië moet in Amsterdam niet moeilijk zijn geweest. In de Burcht van Emden of anders in de onmiddellijke omgeving logeerden tal van teruggekeerde matrozen en soldaten. In mei en begin juni bijvoorbeeld, waren vier retourschepen van de Kamer Amsterdam op de rede van Texel aangekomen, waarop tezamen honderden soldaten en matrozen hadden gediend. Zij hebben ongetwijfeld lopen opscheppen over het vele geld dat ze hadden verdiend en over de vrouwen met wie ze avonturen hadden beleefd. Maar toch zullen er ook matrozen zijn geweest die niets dan spijt hadden. Een mogelijke schipbreuk en het toenemende aantal ziekte- en sterfgevallen op de schepen naar Azië zal besproken zijn. Daar kwam bij dat in Batavia in 1733 een malaria-epidemie uitbrak die onnoemelijk veel slachtoffers maakte. Niet voor niets had Batavia inmiddels de bijnaam gekregen ‘het kerkhof der Europeanen’, of ‘het graf der Duitsers’, en zelfs ‘het graf der Amsterdammers’. Bovendien hadden de Oost-Indiëvaarders een slechte reputatie. Regelmatig duiken in de gerechtelijke archieven van Amsterdam matrozen en soldaten van de VOC op die betrokken waren geweest bij vechtpartijen. Het recht kwam er ook aan te pas in gevallen van desertie, waarbij soldaten of matrozen na hun aanmonstering er met hun handgeld ter hoogte van twee maanden gage en hun transportbrief vandoor waren gegaan. In de maanden juli tot oktober van 1752 zijn zes van dergelijke deserteurs opgepakt, verhoord en veroordeeld. Andere strafbare feiten, met veel grotere consequenties, waren de gevallen van sodomie aan boord, die (voor zover de daders niet op zee waren berecht) aan land afgehandeld moesten worden. Op deze “gruwelijk zonde” stond de doodstraf.

Een blauwe rok en bont vestje

Georg en zijn vrienden bleven ook in Amsterdam vastbesloten naar Azië te gaan. Georg wilde als matroos, hoewel hij geen enkele zeemanservaring had. Jan Dirksen geeft hem een paar fundamentele lessen in de zeemanskunde en hij gaat al echte matrozenkleren dragen. Wanneer de dagen van aanmonstering aanbreken, drukt Dirksen de jongens op het hart zijn lessen nog eens goed te oefenen en de elfde juli, na het ontbijt, schenkt hij hen een royale portie jenever in. Naporra’s kameraden hebben hun beste kleren aangetrokken, maar zelf gaat hij in zijn gewone matrozengoed en zo lopen zij ’s ochtends om tien uur over de Nieuwendijk, via de Dam, naar het Oost-Indisch Huis in de Oude Hoogstraat. Daar bleek zich al een enorme menigte verzameld te hebben, meer dan duizend man, schrijft Naporra. Dit kan juist zijn ingeschat, want de VOC had immers zeer veel personeel in dienst: in Nederland, in Azië en op de schepen. Op de tientallen vestigingen waren duizenden mensen nodig voor bestuur, beheer, defensie, het bouwen van woonhuizen, kerken en pakhuizen, het repareren van schepen voor onderwijs enzovoorts. Het aantal personeelsleden in Azië bedroeg in 1753, het jaar dat Georg in Azië kwam 25.000, meer dan er ooit daarvoor of daarna zijn geweest.Twee- of driemaal per jaar zeilde een vloot uit Nederland naar Azië en ruwweg voeren in de 18de eeuw daarop 7000 man naar de Oost. De Kamer Amsterdam wilde voor de najaarsvloot van 1752 vijf schepen uitrusten. Daarop zijn tussen de 1400 en 1500 man uitgevaren. In totaal is bijna een miljoen personen in dienst van de Compagnie uit Nederland naar Azië vertrokken.      

Het aannemen van de bemanning was altijd een grote operatie. De Compagnie nam het niet zo nauw met de kwaliteit van soldaten. En door handig gesjoemel en door zwakke, kreupele of lamme mannen op te lappen en in oude uniformen te steken, te kappen en te poederen wist menig zielverkoper toch zijn ondermaatse cliëntèle aan boord te krijgen. Officieren en matrozen werden beter aan de tand gevoeld.      

De menigte was op die elfde juni 1752 zo omvangrijk dat op de binnenplaats van het Oost-Indisch Huis twee dienaren van de Compagnie de mannen met ijzeren staven weg moesten houden van de trap en de deur die toegang gaven tot het trappenhuis en de daarachter gelegen vergaderzaal. In kleine groepjes worden de mannen toegelaten. Wanneer Naporra de zaal inkomt, ziet hij achter een balustrade vier schippers staan, die de matrozen moesten examineren. Achter hen stond een lange tafel met lessenaars en een enorme papierboel daarop, waaraan enkele klerken zitten. Twee bewindhebbers houden toezicht op de rekrutering. Na enige minuten roept een oude kapitein hem naar voren en vraagt of hij wel eens gevaren heeft. De man spreekt zo hard dat Naporra er door van zijn stuk raakt. Hij antwoordt zo goed en zo kwaad als hij kan dat hij wel gevaren heeft, maar alleen maar op de Oostzee. Daarna vraagt de schipper verscheidene zaken over het scheepswerk, maar Naporra moest hierop het antwoord schuldig blijven en de kapitein sprak dan ook: “mijn vriend ga uws weegs, dergelijke lui heeft de Compagnie niet nodig”.      

Deze mislukking toont aan dat de Compagnie voorzover het om matrozen ging, ook weer niet iedereen aannam. Naporra is zwaar teleurgesteld, maar beproeft de volgende dag nogmaals zijn geluk. Hij kleedt zich nu als ‘Oost-Indiëvaarder’, dat wil zeggen dat hij een blauwe rok aantrekt en een bont vestje. Het gedrang was even hevig als de vorige dag. Eenmaal in de zaal ziet hij tot zijn opluchting dat de oude schipper niet aanwezig is. Hij wordt ondervraagd door een jongere man. Ook deze informeert of hij wel eens gevaren heeft. Hij geeft hetzelfde antwoord als de dag daarvoor en wordt opnieuw gevraagd naar de werking van het kompas en andere zeemanszaken. Dit keer heeft hij succes. Hij wordt aangenomen als matroos voor negen gulden in de maand. Opgewekt loopt naar de Hasselaerssteeg terug. Maar, zo schrijft hij later in zijn herinneringen, wanneer ik de toekomst had gekend, dan had ik veeleer reden gehad om bedroefd te zijn. 

Dit artikel is afkomstig uit:

 

Titel Ons Amsterdam

 

 

 

 

 

Meer weten

Tijdschriften: