Bataafs Nijmegen?

Een postkoloniale benadering van een ‘koloniale’ stad

Rond het jaar 10 na Chr. stichtten de Romeinen Oppidum Batavorum, de nederzetting die later zou uitgroeien tot het huidige Nijmegen. Dit “Romeins Nijmegen” is in het verleden veelal gezien als een stad vóór de Bataven, en minder als een stad ván de Bataven. Nijmegen zou vooral een belangrijke koloniale functie in de Romanisering van de Bataafse regio vervullen, terwijl de Bataven zelf buiten de stad zouden wonen. Nieuwe inzichten vanuit de postkoloniale theorie tonen aan dat deze interpretatie bijgesteld moet worden.

Bas van Wiggen

De Romeinse oorsprong van Nijmegen spreekt al eeuwen tot de verbeelding, met name door de talrijke voorwerpen en resten van gebouwen die in en bij de stad zijn gevonden. Aan de hand van een grafsteen concludeerde kanunnik Willem van Berchen in de vijftiende eeuw (foutief) dat Nijmegen gesticht zou zijn door Julius Caesar, en in de zeventiende eeuw stelden vader en zoon Smetius een catalogus samen van Romeinse voorwerpen die in het huidige Waterkwartier in Nijmegen-West waren gevonden.[1] Na het verwoestende bombardement van 1944 werd het voor archeologen ook mogelijk om op zoek te gaan naar Romeins Nijmegen onder de middeleeuwse stadskern en werd het onderzoek naar Romeins Nijmegen steeds professioneler.

Deze eeuwenlange interesse heeft geleid tot een uitgebreide bibliografie, waarin voornamelijk archeologie een zeer belangrijke rol speelt. In het verleden is de aandacht vooral uitgegaan naar de militaire nederzettingen, maar recenter heeft de bestudering van de burgerlijke nederzettingen van Romeins Nijmegen een inhaalslag gemaakt. Hieruit is de visie voortgekomen dat Romeins Nijmegen  beschouwd moet worden als een stad vóór de Bataven, in plaats van een stad ván de Bataven.[2] Verschillende argumenten worden aangevoerd ter ondersteuning van deze visie. In de eerste plaats verschillen de archeologische vondsten in Romeins Nijmegen sterk van de vondsten van het Bataafse platteland. Omdat de Bataven in Romeins Nijmegen archeologisch onzichtbaar zijn, zouden zij daar niet gewoond hebben.[3] Ten tweede is beweerd dat de Bataafse elite niet in de stad woonde, maar op het platteland, om daar hun machtspositie te behouden na de komst van de Romeinen.[4] Als laatste wordt Romeins Nijmegen vaak gezien als een dwangmiddel ter integratie van de Bataven in het Romeinse Rijk.[5] De door Tacitus beschreven verwoesting van Romeins Nijmegen door de Bataven wordt daarom geïnterpreteerd als een daad van bevrijding.[6]

 

De Bataafse elite was bereid veel geld te investeren in de hoofdstad van hun regio

 

In dit artikel wordt deze negatieve interpretatie van Romeins Nijmegen bestreden door de beschikbare archeologische, epigrafische en historiografische bronnen opnieuw te analyseren. Hiervoor worden recente inzichten uit het internationale debat over het begrip Romanisering gebruikt, waarin postkoloniale theorie een belangrijke plaats inneemt.[7] De herinterpretatie van de bronnen zal aantonen dat de Bataven op verschillende terreinen juist nauw betrokken waren bij Romeins Nijmegen. Na een korte inleiding over de Bataven, Romeins Nijmegen en het theoretisch kader, volgen drie voorbeelden van een nieuwe analyse van een archeologisch voorwerp, van een aantal inscripties en van de bovengenoemde passage van Tacitus. Daarop sluit het artikel af met een nieuwe blik op Romeins Nijmegen.

Geschiedenis van de Bataven en Romeins Nijmegen

Halverwege de eerste eeuw v. Chr. ontstonden er conflicten binnen de Chatti, een stam die in het huidige Hessen in Duitsland leefde. Als gevolg splitste een groep zich af, die tussen 50 en 12 v. Chr. naar de benedenloop van de Rijn migreerde, waarze zich in de huidige Betuwe vestigde.[8] Zij kwamen bekend te staan als de Bataven en waren nauw verbonden met de Romeinen. Vóór hun migratie hadden de Bataven al een verbond gesloten met de Romeinen. Ook had de Bataafse elite het Romeinse burgerrecht al van Julius Caesar gekregen. Deze Bataafse Iulii waren van militaire adel en bleven de machtigste personen van de Bataafse stam tot 70 n. Chr.

Het bekendste wapenfeit van de Bataafse Iulii is de Bataafse Opstand die werd geleid door Julius Civilis. Na de zelfmoord van Nero (54-68) in 68 n. Chr. organiseerde de Bataaf Civilis een grote opstand tegen de Romeinen die pas in 70 n. Chr. kon worden neergeslagen. Romeins Nijmegen ging hierbij in vlammen op. Na deze opstand sloten de Romeinen een nieuw verbond met de Bataven en werden de militaire Iulii vervangen door een nieuwe elite van kooplieden. Voor de Romeinen betekende dit dat de kans op nieuwe opstanden werd verkleind, en ook de Bataven zelf hadden geen problemen met de vervanging van hun oude elite.[9] In de loop van de derde eeuw verdwenen de Bataven uit de bronnen. Het is onbekend wat er daarna met hen is gebeurd.[10]

 

Na de zelfmoord van Nero organiseerde de Bataaf Civilis een grote opstand tegen de Romeinen

 

Niet lang na de aankomst van de Bataven in de huidige Betuwe werd Romeins Nijmegen door de Romeinen gesticht. De aanduiding “Romeins Nijmegen” heeft in dit artikel betrekking op twee burgerlijke nederzettingen, namelijk Oppidum Batavorum en Ulpia Noviomagus, die na elkaar bestonden.[11] Omstreeks 10 v. Chr. werd er door de Romeinen een nederzetting op de plaats van het huidige Valkhof gesticht, die Oppidum Batavorum of Batavodurum werd genoemd. Dit werd de hoofdstad van de Bataafse regio.[12] De centrale as van de stad lag langs de huidige Lange en Stikke Hezelstraat, Burchtstraat, Kelfkensbos en St. Jorisstraat en wellicht de Ubbergseveldweg. De huizen langs deze weg waren voornamelijk van leem en hout, soms met een fundering van natuurlijke steen en baksteen. Oppidum Batavorum had geen stadsmuren, maar kreeg in het jaar 70 n. Chr. wel een gracht, die een gebied van 20 tot 25 hectare omsloot. Tot op heden zijn er geen sporen gevonden van publieke gebouwen, zoals een badgebouw of een forum. Gezien de gevonden materiële cultuur wordt aangenomen dat de bewoners (Gallo-)Romeinse ambachtslieden, herbergiers en handelaren waren.

Na de brand van 70 n. Chr. werd Oppidum Batavorum verlaten en werd een nieuwe nederzetting gesticht in het huidige Waterkwartier in Nijmegen-West, die de naam Ulpia Noviomagus kreeg. Later stond de nederzetting ook bekend als municipium Batavorum, wat aangeeft dat Romeins Nijmegen stadsrechten had ontvangen.[13] De stad had een vierkante vorm, met een regelmatig stratenpatroon als een dambord. Tijdens de regering van Marcus Aurelius (161-180) werd er een stenen verdedigingsmuur gebouwd en een gracht gegraven. Publieke gebouwen waren ook aanwezig, zoals een tempelcomplex onder het huidige Maasplein en een badgebouw aan de Waalbanddijk. Rond 270 n. Chr. werd de stad grotendeels verlaten door stadsbranden, economische neergang en invallen uit het noorden.          

Romanisering en postkoloniale theorie

Het debat over het begrip Romanisering is van groot belang voor de bestudering van Romeins Nijmegen. Dit concept heeft kortgezegd te maken met de uitkomsten van de contacten die tussen de inheemse bevolking en de Romeinen op allerlei maatschappelijke gebieden bestonden. Zo werd bijvoorbeeld het politieke systeem van civitates (regio's) ingevoerd door de Romeinen en nam de inheemse bevolking het Latijn over als taal. Sinds de academische rede van de Britse archeoloog Francis Haverfield in 1905 over Romanisering is het een belangrijk onderwerp van studie gebleven onder oudhistorici en archeologen.[14] Haverfields invulling van het begrip Romanisering is grotendeels gebaseerd op hoofdstuk 21 uit Tacitus’ Agricola en kan worden omschreven als “koloniaal”. Het proces van Romanisering werd door Haverfield gezien als een lineaire en uniformerende beweging naar beschaving en “Romeinsheid” (Romanitas). Hoewel de Romeinse regering hiertoe het initiatief had genomen, oefende ze geen druk uit op de inheemse bevolking om te veranderen en was er geen inheemse weerstand. De Romeinse aanwezigheid was dus positief voor de inheemse bevolking, die eensgezind en zonder morren Romeins werd. Deze koloniale visie raakte wijd verspreid en bleef ondanks felle kritieken tijdens de dekolonisatiegolven na de Tweede Wereldoorlog nog lang bestaan.

 

Tacitus schreef niet waarheidsgetrouw over de Bataven

 

Pas in de jaren negentig kwam er een tegenreactie vanuit de postkoloniale theorie.[15] Dit is een zeer diverse en breed georiënteerde beweging. Desondanks kunnen er drie kernthema’s worden gedestilleerd die relevant zijn voor Romeins Nijmegen.[16] Het eerste thema is het decentraliseren van westerse categorieën van kennis. Dit houdt in dat de teksten van Romeinse schrijvers niet centraal moeten worden gesteld in de bestudering van de Bataven en van Romeins Nijmegen. Tacitus schreef bijvoorbeeld niet zozeer waarheidsgetrouw over de Bataven, maar gebruikte vooral stereotypen. Zij waren Germaans, barbaars, mannelijk, lang en oorlogszuchtig.[17] Ten tweede moet de inheemse bevolking als een actieve speler in de inheems-Romeinse contacten worden gezien. De inheemse bevolking werkte niet alleen mee, maar verzette zich ook. Daarnaast reageerde niet iedereen binnen één stam hetzelfde op de Romeinse aanwezigheid. Het feit dat Civilis in opstand kwam tegen de Romeinen, terwijl zijn neef Julius Briganticus tegen hem in het Romeinse leger streed, is hier een goed voorbeeld van.[18] Ten derde is het maken van een sterke dichotomie tussen Bataven en Romeinen nauwelijks mogelijk. Door langdurige contacten vervaagden de grenzen tussen beide groepen. Dit uitte zich bijvoorbeeld in de materiële cultuur. Betekent de aanwezigheid van een Romeinse pot in een inheemse boerderij ook dat de bewoners Romeins waren of Romeinse eetgewoonten hadden? Identiteit speelt hier een belangrijke rol: kon een Bataaf zich ook Romeins voelen, of sloten beide identiteiten elkaar uit? Hoewel deze drie postkoloniale punten haaks staan op Haverfields koloniale ideeën, betekent postkoloniaal niet antikoloniaal. Rome als “koloniale macht” kan niet altijd worden gedecentraliseerd, omdat ze alom aanwezig was in het leven van de Bataven.[19]

Romeins Nijmegen is dus overwegend op koloniale wijze bestudeerd, met name omdat er aan de Bataven nauwelijks eigen initiatief is toegekend. Zij woonden er niet en namen niet deel aan het bestuur. Romeins Nijmegen was vooral een Romeins middel ter integratie van de Bataafse stam. De postkoloniale benadering van de volgende voorbeelden zal laten zien dat deze negatieve interpretatie van Romeins Nijmegen voor de Bataven onjuist is.

Archeologie: een portretkop van Julius Caesar

Een groot probleem van het gebruik van archeologische vondsten als bron is dat de Bataven archeologisch nauwelijks zichtbaar zijn. Er bestonden bijvoorbeeld geen typisch Bataafse huizen, potten of sieraden op het platteland of in de stad. Het is dus niet vreemd dat er wordt gedacht dat de aanwezigheid van Romeinse materiële cultuur en het ontbreken van Bataafse voorwerpen in Oppidum Batavorum en Ulpia Noviomagus duidt op (Gallo-)Romeinse bewoners. Een mooi voorbeeld hiervan is een marmeren hoofd dat een plaats had in Oppidum Batavorum en aan het einde van de negentiende eeuw werd gevonden op de Hunerberg in Nijmegen.[20]

[caption id="attachment_60278" align="alignleft" width="187"] Rijksmuseum van Oudheden, Leiden. Afbeelding 1. Portretkop van Gaius Julius Caesar.Bron: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden.[/caption]

Het hoofd stelt Julius Caesar voor (afbeelding 1) en maakte mogelijk onderdeel uit van een groter beeld. De kop is waarschijnlijk omstreeks 30 v. Chr. gemaakt op het Italisch schiereiland.[21] Het is reeds in de oudheid zwaar beschadigd. De nek is diagonaal gebroken, het voorhoofd en de kin bevatten diepe krassen, de neus is afgebroken en de bruine vlekken duiden op aantasting door vuur. De oorspronkelijke interpretaties betreffende de locatie, de functie en de oorspong van het hoofd waren erg Romanocentrisch. Het zou door het Tiende Legioen zijn meegenomen en zijn neergezet in het fort of de Hunerberg, ergens tussen 70 en 105 n. Chr. De schade zou zijn toegebracht door de Flavische keizers, die de herinnering aan het Julisch-Claudische Huis wilden uitwissen na de zelfmoord van de gehate keizer Nero.[22] Deze zienswijze levert echter veel vragen op. Waarom heeft het Tiende Legioen het beeld niet weer meegenomen toen het in 105 Romeins Nijmegen verliet? Waarom zou een legioen überhaupt een zwaar marmeren beeld meenemen, in plaats van een lichter houten exemplaar? Waarom is het beeld op deze manier beschadigd? Deze vragen doen vermoeden dat een Romanocentrische benadering onjuist is.

Archeoloog Nico Roymans heeft voorgesteld om het hoofd te bekijken vanuit een burgerlijk in plaats van een militair oogpunt.[23] De locatie waar het hoofd in de negentiende eeuw werd gevonden maakte deel uit van de burgerlijke nederzetting Oppidum Batavorum, en had dus niet zozeer te maken met het nabijgelegen fort of de legereenheid die daar gestationeerd was. Het is volgens Roymans goed mogelijk dat de Bataafse Iulii een beeld van Caesar hebben opgericht om de speciale banden tussen hen en de veldheer te onderstrepen. Zij hadden immers van hem het Romeins burgerrecht ontvangen. Het beeld van Caesar was waarschijnlijk opgesteld op het forum van Oppidum Batavorum, omdat het daar door bezoekers kon worden gezien. Wat betreft de schade kunnen de bruine vlekken zijn veroorzaakt door de brand van de stad in 70 n. Chr. De andere beschadigingen zijn wellicht later aangericht door de Bataven zelf, om het aandenken aan de voormalige gehate Bataafse Iulii te verwijderen.

Roymans’ burgerlijke interpretatie van de kop biedt nieuwe verklaringen voor het opduiken van de kop in Nijmegen en voor de beschadigingen. Bataafs handelen staat in deze verklaring centraal. Ten eerste was de Bataafse elite bereid om veel geld te investeren in de hoofdstad van hun regio. Marmer komt van nature niet voor in de benedenloop van de Rijn en ook dergelijke vaardigheden van beeldhouwkunst waren er niet. Ten tweede toont de kop aan dat de Bataafse elite een Romeins beeld heeft gebruikt om zichzelf te kunnen profileren als Romeinen, wat in lijn staat met hun Romeinse burgerrecht.[24] De herkomst van de kop toont aan dat deze zeker niet Bataafs is, maar zijn aanwezigheid in Romeins Nijmegen betekent niet direct dat de Romeinen verantwoordelijk waren voor het opstellen ervan. De aanwezigheid van Romeinse materiële cultuur hoeft dus niet direct geassocieerd te worden met de aanwezigheid van Romeinen, wat volgens de koloniale interpretatie wel het geval is. Ten derde zijn er goede redenen om aan te nemen dat de kop niet door de Flavische keizers, maar door de Bataven zélf is vernield. De kop is dus een goede aanwijzing voor een nauwe band tussen de Bataven en Romeins Nijmegen.

Epigrafie: decuriones municipii Batavorum

In 1955 werd in Kapel-Avezaath een inscriptie gevonden met de naam Valerius Silvester en de aanduiding DEC M BAT (afbeelding 2). Ongeveer twintig jaar later werden twee inscripties opgevist uit de Oosterschelde bij Colijnsplaat met de naam Quintus Phoebius Hilarus en de letters D M B.[25] Deze afkortingen kunnen worden aangevuld tot decurio municipii Batavorum, wat vrij vertaald “gemeenteraadslid van het Bataafse municipium” betekent.  Dit verwijst naar de nederzetting Ulpia Noviomagus.[26] Hoewel de teksten van de inscripties vrij kort zijn, geven ze naast de afkortingen nog veel meer informatie over de twee mannen en hun relatie tot Ulpia Noviomagus.[27] In de eerste plaats is het aannemelijk dat beide mannen Bataven waren. De functie van decurio kon namelijk alleen vervuld worden door een individu van lokale origine. Een decurio van Ulpia Noviomagus zou dus Bataafs moeten zijn. Daarnaast hadden decuriones niet alleen macht in de stad, maar ook over het omringende platteland. Daarom bezaten zij zowel een huis in de stad als op het platteland. Hilarus was hierop vermoedelijk een uitzondering, want door zijn beroep als handelaar had hij niet voldoende middelen om zich ook een huis op het platteland te veroorloven. Hij bezat alleen een huis in de stad. De functie van decurio was dus een verbindende schakel tussen stad en platteland, die werd ingevuld door een individu van lokale afkomst. Met dit gegeven kunnen de koloniale argumenten over Romeins Nijmegen stuk voor stuk worden ontkracht. In de eerste plaats betekent de archeologische afwezigheid van de Bataven in Romeins Nijmegen niet dat zij er niet woonden, want het bestaan van de functie van decurio laat zien dat er waarschijnlijk wél Bataven in Romeins Nijmegen woonden. Ten tweede woonden de Bataven niet alleen op het platteland om hun machtspositie daar te behouden, want macht in de stad en op het platteland kunnen niet los van elkaar worden gezien. Ten derde lijkt er van gedwongen integratie geen sprake te zijn, omdat de Bataven als decuriones zelf een actieve rol speelden binnen de Romeinse stedelijke machtsstructuren en binnen de Bataafse regio.

[caption id="attachment_60279" align="alignleft" width="197"] Epigrafische Databank Clauss/Slaby. Afbeelding 2. Altaar met inscriptie, gewijd aan Hurstrge door Valerius Silvester.Bron: Epigrafische Databank Clauss/Slaby.[/caption]

Helaas is er voor Oppidum Batavorum geen (epigrafisch) bewijs dat er decuriones waren. Toch moet verondersteld worden dat ze ook daar bestonden. “Romeinse” steden in de westelijke helft van het rijk hadden namelijk altijd decuriones of een vergelijkbaar instituut zoals een senatus of een curia. Daarnaast waren er volgens Tacitus in de jaren veertig van de eerste eeuw al een senaat, magistraten en wetten bij de Frisii, die tweehonderd kilometer ten noorden van Oppidum Batavorum leefden.[28] Aangezien Romeins Nijmegen enkele decennia daarvóór al was gesticht door de Romeinen is het aannemelijk dat een dergelijk instituut ook in Oppidum Batavorum aanwezig was. De argumenten van Ulpia Noviomagus gelden dus ook voor Oppidum Batavorum.

Historiografie: Tacitus en de eerste Nijmeegse stadsbrand

De belangrijkste historiografische bron over de Bataven is de Romeinse historicus Tacitus (ca. 55 – 120 n. Chr.). Helaas wordt Romeins Nijmegen bij hem slechts genoemd in de marge en ontbreekt bij andere auteurs enige vermelding van de nederzetting.[29] Volgens boek vijf van Tacitus’ Historiën durfden de Bataven en hun leider Julius Civilis, die op dat moment op de vlucht waren voor de Romeinen, Oppidum Batavorum niet te verdedigen. Zij namen mee wat ze konden dragen en staken de rest in brand. Deze verwoesting is in het verleden uitgelegd als een bevrijdingsdaad, gericht tegen de Romeinse overheersing, onderdrukking en gedwongen integratie in het Romeinse Rijk. Een nauwkeurigere lezing van de passage waarbij de nadruk ligt op het handelen van de Bataven (en niet enkel op het gevolg van hun handelen) laat echter een ander beeld zien.[30]

Tacitus schrijft over de gebeurtenis: “Toch durfde hij [Julius Civilis] Oppidum Batavorum niet te verdedigen met wapens, greep alles wat meegenomen kon worden, stak al het overige in brand en trok zich terug in de Betuwe.”[31] Hieruit kan worden opgemaakt dat Civilis de stad niet verwoestte omdat hij er een hekel aan had, maar omdat hij deze niet durfde te verdedigen tegen de oprukkende Romeinen. Het ontbreken van een verdedigingsmuur of wal zou hiervan de oorzaak kunnen zijn. Om zichzelf nog een kans te geven trok hij zich daarom vanuit strategisch oogpunt terug naar de insula Batavorum. Deze strook land komt overeen met de huidige Betuwe en was het kernland van de Bataven. Uit deze passage blijkt ook dat Civilis wel degelijk heeft nagedacht over de verdediging van Oppidum Batavorum. Het feit dat de Bataven ervoor kozen om via Oppidum Batavorum naar de insula Batavorum te vluchten en overwogen om de stad te verdedigen, geeft aan dat de Bataven er een zekere waarde aan hechtten. Ze hadden immers ook de mogelijkheid om de stad links te laten liggen en niet over de verdediging te hoeven twijfelen.

Conclusie

In dit artikel is duidelijk geworden dat het idee van Romeins Nijmegen als een koloniale stad vóór de Bataven onjuist is. Dat de Romeinen een begin hebben gemaakt met Romeins Nijmegen staat vast. Maar middels een postkoloniale analyse van het beschikbare bronnenmateriaal kunnen de argumenten voor de negatieve Bataafse interpretatie van Oppidum Batavorum en Ulpia Noviomagus worden ontkracht. Ten eerste heeft de portretkop van Julius Caesar laten zien dat een materiële cultuur die afwijkt van het Bataafse platteland niet direct betekent dat de Bataven buiten Romeins Nijmegen woonden of er niet bij betrokken waren. Tegelijkertijd laat de kop zien dat Tacitus’ beschrijving van de Bataven als barbaren niet juist is: de Bataven probeerden zich door het opstellen van de kop juist te profileren als Romeinen. Ten tweede heeft de inscriptie laten zien dat er in politiek opzicht sterke banden bestonden tussen de stad en het platteland en dat daarmee alle aangedragen koloniale argumenten komen te vervallen. De Bataafse elite moest in Romeins Nijmegen wonen: zij hadden ook macht in de stad en speelden dus een eigen rol in de Romeinse stedelijke machtsstructuren. Ten derde moet de verwoesting van Oppidum Batavorum zeker niet gezien worden als een daad van bevrijding, want de overweging om de stad te verdedigen laat zien dat de brand niet uit wraak werd gesticht.

Van alle bovengenoemde postkoloniale kernthema’s lijkt het actieve handelen van de Bataven steeds centraal te staan. Hoewel de Romeinen Romeins Nijmegen hebben gesticht, wisten de Bataven door hun eigen actieve handelen ervoor te zorgen dat de stad daadwerkelijk een Nijmegen van de Bataven werd, die in 70 n. Chr. met pijn in de Bataafse harten werd verwoest. Deze conclusie is niet nieuw, want ironisch genoeg is op een balustrade in het Valkhofpark een vers van Constantijn Huygens (1596-1687) aangebracht dat zegt: “Hier stond hij, hier, tandenknarsend en met een furieuze uitdrukking, hier zag Claudius [de Bataafse leider Julius Civilis] dat de adelaars en de wrekende bendes in aantocht waren.”[32] Wie had kunnen denken, dat een Romeins Nijmegen van de Bataven zo dichtbij te vinden zou zijn geweest?

Afkomstig uit:

Titel:  Historisch Tijdschrift Aanzet
Nummer:  1
Jaargang:  29

Kijk voor meer informatie op onze website::

Voetnoten

[1] Voor een Nederlandse vertaling van de Latijnse catalogus, zie: L.G.J.M. Nelissen, Nijmeegse Oudheden (Tilburg 2004).

[2] W.J.H. Willems, Romeins Nijmegen: vier eeuwen stad en centrum aan de Waal (Utrecht 1990) 32; 35-37 en 40, gevolgd door velen, waaronder: H. van Enckevort en E.N.A. Heirbaut, Opkomst en ondergang van Oppidum Batavorum, hoofdplaats van de Bataven: opgravingen op de St. Josephhof in Nijmegen I Archeologische Berichten Nijmegen 16 (Nijmegen 2010) 48.

[3] J.H.F. Bloemers, ‘Lower Germany: plura consilio quam vi. Proto-urban settlement developments and the integration of native society’ in: Th.F.C. Blagg and M. Millett (eds.), The early Roman Empire in the West (Oxford 1990) 76, gevolgd door velen, waaronder: P. Wells, The barbarians speak (Princeton 1999) 173.

[4] H. van Enckevort, ‘Op zoek naar Oppidum Batavorum, de oudste stedelijke nederzetting van Nederland’, Westerheem 54 (2005), 234-241.

[5] Willems, Romeins Nijmegen, 40, gevolgd door Van Enckevort en Heirbaut Opkomst en ondergang van Oppidum Batavorum, 52. Vgl. echter G. Woolf, Becoming Roman: the origins of provincial civilization in Gaul (Cambridge 1998) 21-22.

[6] Tacitus, Historiën V, 19. Voor de gebruikte teksteditie van de Historiën, zie: Loeb Classical Library 111 en 249, Tacitus, Historiae, C.H. Moore (ed.) (Londen 1968-1970).

[7] Het begrip Romanisering wordt hier geschreven met een hoofdletter vanwege de lange traditie van het gebruik van het begrip. Critici schrijven het begrip met een kleine letter of vermijden het gebruik van het begrip zelfs, zie J. Pelgrom, ‘Het romaniseringsdebat: een inleiding’, Lampas 42 (2009) 159-171.

[8] Over de herkomst van de Bataven, de redenen voor hun migratie en de vorming en functionering van hun stam is weinig bekend. Voor enkele hypothesen, zie: N. Roymans, Ethnic identity and imperial power: the Batavians in the early Roman Empire (Amsterdam 2004) en J.Slofstra, ‘Batavians and Romans on the Lower Rhine: The Romanisation of a frontier area’, Archaeological Dialogues: Dutch perspectives on current issues in archaeology 9 (2002), 16-38.

[9] Dit gevoel bestond bij alle lagen van de bevolking, zie: Tacitus, Historiën V, 25.

[10] Dit heeft onder andere te maken met het karakter van de gebruikte bronnen. In archeologische bronnen zijn de Bataven nauwelijks herkenbaar, in de historiografie worden ze na de Opstand slechts sporadisch genoemd en in de derde eeuw werden er steeds minder inscripties vervaardigd, zie onder andere: T. Derks, ‘Beelden en zelfbeelden van Bataven: de epigrafische bronnen’ in: L. Swinkels (ed.), De Bataven: verhalen van een verdwenen volk (Amsterdam 2004) 39-69 en H. Teitler, ‘Romeinen en Bataven: de literaire bronnen’ in: L. Swinkels (ed.), De Bataven: verhalen van een verdwenen volk (Amsterdam 2004) 19-38.

[11] Deze aanduiding heeft ook betrekking op de forten die tussen 12 v. Chr. en 320 n. Chr. werden gebouwd in de nabijheid van deze nederzettingen. Deze worden hier echter buiten beschouwing gelaten.

[12]Er is beargumenteerd dat Oppidum Batavorum en Batavodurum twee verschillende locaties zijn. Hier wordt echter niet verder ingegaan op dit debat. Zie hiervoor onder andere: H. van Enckevort, en J. Thijssen, ‘Nijmegen-A Roman Town in the Frontier Zone of Germania Inferior’ in: P.R. Wilson (ed.), The archaeology of Roman towns: studies in honour of John S. Wacher (Oxford 2003), 59-72. Vgl. echter Roymans, Ethnic identity and imperial power, 148.

[13]Het is niet duidelijk wanneer de nederzetting stadsrechten ontving, maar mogelijk was dit tijdens de regering van Trajanus (98-117), zie J.-K. Haalebos, ‘Mosterd na de maaltijd’, Numaga 47 (2000), 35-39. Vgl. echter J.E. Bogaers, Civitas en stad van de Bataven en Canninefaten (inaugurele rede Radboud Universiteit Nijmegen. Nijmegen/Utrecht 1960), 20.

[14] Het begrip is al wat ouder, zie: P.W.M. Freeman, ‘Mommsen through to Haverfield: the origins of Romanization studies in late 19th-c. Britain’ in: D.J. Mattingly (ed.), Dialogues in Roman imperialism: power, discourse and discrepant experience in the Roman Empire. Journal of Roman Archaeology Supplementary Series 23 (1997), 27-50. Voor een overzicht van de bestudering van het begrip Romanisering, zie J. Pelgrom, ‘Het romaniseringsdebat’, 159-171.

[15] De postkoloniale beweging werd in oudheidstudies pas laat opgepakt, want reeds in 1978 legde Edward Said de basis voor deze nieuwe benadering, zie E. Said, Orientalism (Londen 1978).

[16]Het postkoloniale discours is zeer uitgebreid. Voor het volgende is gebruik gemaakt van de bundel J. Webster en N.J. Cooper (eds.), Roman Imperialism: post-colonial perspectives: proceedings of a symposium held at Leicester University in November 1994 (Leicester 1996).

[17] C. Driel-Murray, ‘Ethnic soldiers: the experience of the Lower Rhine tribes’ in: Th. Grünewald and S. Seibel (eds.), Kontinuität und Diskontinuität: Germania Inferior am Beginn und am Ende der römischen Herrschaft: Beiträge des deutsch-niederländischen Kolloquiums in der Katholieke Universiteit Nijmegen (27. bis 30. 06. 2001) (Berlijn 2003) 200-217; J. Rives, ‘Germania’ in: E. Págan (ed.), A Companion to Tacitus (Blackwell 2012) 45; Roymans, Ethnic identity and imperial power, 227; R.F. Thomas, ‘The Germania as literary text’ in: A.J. Woodman (ed.) Cambridge Companion to Tacitus (Cambridge 2009) 72.

[18] Als commandant van een ruiterijafdeling, zie: Tacitus, Historiën IV, 70 en V, 21.

[19] Op verschillende terreinen, zie: Roymans, Ethnic identity and imperial power, 227.

[20] De kop is nu in bezit van het Rijksmuseum der Oudheden in Leiden. Het inventarisnummer is: e1931/2.46.

[21]W.C. Braat, ‘Een portret van Julius Caesar in het Rijksmuseum van Oudheden’, Oudheidkundige mededeelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden (nuntii ex museo antiquario Leidensi) (1939) 20, 25 en 28; J. Bracker, ‘Bildnis des Gaius Julius Caesar’ in: O. Doppelfeld et al., Römer am Rhein. Ausstellung des Römisch-Germanischen Museums Köln (Keulen 1967) 135; Roymans, Ethnic identity and imperial power, 212 en Bracker, Bildnis des Gaius Julius Caesar, 135. Het is onbekend wanneer het hoofd in Oppidum Batavorum werd opgericht.

[22]Braat, Een portret van Julius Caesar in het Rijksmuseum van Oudheden, 28.

[23] Voor het volgende, zie: Roymans, Ethnic identity and imperial power, 212-213.

[24]Roymans, Ethnic identity and imperial power, 229.

[25]Inscripties van Hilarus: l’Année Épigraphique (2001) 1488, 1499; P. Stuart en J.E.  Bogaers, Nehalennia: römische Steindenkmäler aus der Oosterschelde bei Colijnsplaat (Leiden 2001), B37 en B63. Inscriptie van Valerius Silvester: l’Année Épigraphique (1959) 10 en J.E. Bogaers et al., Noviomagus. Op het spoor der Romeinen (Nijmegen 1979) 58.

[26] Bogaers et al., Noviomagus, 58.

[27]Zie voor het volgende: T. Derks, ‘Town-country dynamics in Roman Gaul. The epigraphy of the ruling elite’ in: N. Roymans and T. Derks (eds.), Villa Landscapes in the Roman North (Amsterdam 2012) 107 - 137.

[28]Derks, Town-country dynamics in Roman Gaul, 109;Tacitus, Annalen XI, 19. Voor de gebruikte teksteditie van de Annalen, zie: Loeb Classical Library 249, 312 en 322, Tacitus, Annales, J. Jackson (ed.) (Londen 1979-1986).

[29] Indien Oppidum Batavorum en Batavodurum dezelfde plaats waren, zie dan ook: Ptolemaeus, Geographica II, 8, 9, die Βαταυόδουρον noemt.

[30] Het gebruik van bepaalde begrippen door Tacitus in deze passage toont ook aan dat een andere lezing nodig is, zie hiervoor: B. van Wiggen, Romanisation, power and identity. Interpreting Roman Nijmegen (MA-scriptie Utrecht, 2013) paragraaf 3.1.

[31] Tacitus, Historiën V, 19.

[32] De Bataafse leider Julius Civilis werd in de zeventiende eeuw foutief “Claudius” genoemd. De adelaars en de wrekende bendes zijn de Romeinse troepen. 

Meer weten