De 'andere vrouwen' in de Republiek

De rol van vivandières in het Franse leger

In het Franse revolutionaire leger zaten niet alleen mannen, maar ook vrouwen. Deze zogenaamde vivandières speelden zelfs een zeer belangrijke rol, aangezien zij zorg droegen voor de voedselvoorziening van de soldaten. De geschiedenis van deze vrouwen schijnt een heel ander licht op de gegeneraliseerde positie van ‘de’ vrouw in de geschiedschrijving. Dit artikel biedt je een kijkje in de keuken van de Franse revolutionaire vrouwen.

Sjoerd Idzerda

De Franse sociaalhistoricus Georges Duby heeft samen met vele andere auteurs een reeks boeken gepubliceerd, getiteld De geschiedenis van de vrouw.[1] In deze bundels wordt de geschiedenis van ‘de vrouw’ van de klassieke oudheid tot aan de twintigste eeuw beschreven. Zoals de titel aangeeft wordt hierin sterk gegeneraliseerd: volgens de auteurs bestaat er een typische, ‘normatieve’ vrouw over wie geschiedenis kan worden geschreven. De Franse historica Dominique Godineau stelt in een van deze werken dat vrouwen zich in de periode van de Franse Revolutie behoorden te gedragen als zogenaamde ‘republikeinse moeders’. Hiermee bedoelt zij dat vrouwen thuis voor het gezin en voor de republiek dienden te zorgen. Vrouwen hadden in deze periode geen politieke rechten, maar moesten wel van algemeen nut zijn voor de samenleving.[2]

In theorie waren vrouwen gelijk aan mannen en vrij – dus niet aan huis gekluisterd – onder het motto van vrijheid, gelijkheid en broederschap. In de praktijk lag dat echter anders. Alle vrouwen verworven hun burgerrechten door het huwelijk met een man. Omdat er ook ongetrouwde vrouwen waren en vrouwen wiens rol anders was dan die van de republikeinse moeder, kan er niet gesproken worden van ‘de vrouw’.

Tot de laatstgenoemde categorie vrouwen behoorden bijvoorbeeld de vivandières. Dit was de naam voor vrouwen die met het leger meereisden, onder andere naar Rusland in 1812. Het zal blijken dat vivandières eenzelfde soort zorgdragende taak kregen als andere vrouwen in de maatschappij. Maar hoe werd die in het leger ingevuld? En waarom konden deze groep vrouwen wel een officiële positie daarin krijgen en de andere niet?

De vrouw als republikeinse moeder

Tegenwoordig wordt het normaal gevonden dat vrouwen dienstdoen in het leger. Rond 1800 was dit absoluut niet het geval. Vrouwen waren over het algemeen niet welkom in de Franse legers – behalve de vivandières. Wat maakte hen anders dan de andere vrouwen?

Hun taak was het zorg dragen voor de soldaten in een eenheid, door het verzamelen en verkopen van voedsel en het doen van de was. In het ancien régime waren vivandières vrouwen die getrouwd waren met de vivandier. Een vivandier was een normale soldaat die verantwoordelijk was voor de organisatie en distributie van voedsel. In het leger was hij de enige die het recht kreeg te trouwen. Zijn vrouw werd automatisch een vivandière.[3] Vivandières waren echter slechts ‘de vrouw van’ de vivandier, zij verkregen hun recht van bestaan in het leger via hun mannen. Ondanks dat de vivandier weinig tijd had om zijn verantwoordelijke functie te vervullen (aangezien hij naast deze functie ook nog zijn werkzaamheden moest verrichten als soldaat), droeg hij officieel nog steeds de verantwoordelijkheid voor de voedselvoorziening. In de praktijk betekende dit dat de vivandière vrijwel al het fysieke werk op zich nam, terwijl de vivandier er met de opbrengst en de eer vandoor ging. Het leger leek misbruik te hebben gemaakt van de vrouwen die vivandières werden.[4] 

De positie van de vivandière komt in deze periode redelijk overeen met de karakterisering van de vrouw als republikeinse moeder door Godineau. Zij moest zorg dragen voor de soldaten in haar eenheid (‘de vrouw’ voor haar gezin en ‘de maatschappij’) en was afhankelijk van het huwelijk met haar man. De Franse Revolutie zou hier echter verandering in brengen. Door verschillende hervormingen en wetten die hieruit voortkwamen, was de vivandière niet meer slechts ‘de vrouw van’, maar werd ze een op zichzelf staande en ondernemende vrouw.

Zij was de enige vrouw die officieel toe mocht treden in een samenleving die gedomineerd werd door mannen

 

Dit had vooral te maken met militaire hervormingen. De opbouw van het revolutionaire leger verschilde wezenlijk van de Koninklijke legers van het ancien régime. De nieuwe legers bestonden vooral uit vrijwillige soldaten en de officieren waren niet meer van adel. Het leger was verlost van de ongedisciplineerde soldaten uit het ancien régime en van de egoïstische officieren, maar ook van de vivandiers.[5]  De functie van vivandière daarentegen bleef wel bestaan. De voorwaarde dat ze getrouwd diende te zijn met een soldaat bleef hetzelfde, maar ze kon zelf de opbrengsten van haar verkoop houden en zij ontving nu ook de eer.

Soldatenhuwelijken kwamen in deze periode echter veel vaker voor omdat vanaf 1792 elke soldaat een vrouw mocht huwen. De functie van vivandière werd dus minder bijzonder. Tenminste, tot 30 april 1793. Op deze dag kwam er een wet tot stand waarin bepaald werd dat er een maximaal aantal vrouwen (lees: vivandières) per bataljon werd toegestaan. In de praktijk betekende dit dat de officieren van een bataljon nu bepaalden hoeveel vivandières er welkom waren. Alle vrouwen die zij overbodig bevonden, stuurden ze naar huis. Vanaf dit moment waren de vrouwen in de legerrbataljons geen ‘normale’ vrouwen meer, maar kregen ze een officiële status als vivandière. Ondanks dat misschien alle vrouwen gebonden waren aan een ideaal van republikeinse moeder, zoals Godineau stelt, kregen maar een paar vrouwen het privilege om vivandière te worden. Zij was nu officieel de ‘andere’ vrouw in de samenleving.

Een breuk in de samenleving

Op 23 augustus 1793 werd de levée en masse (massale dienstplicht) ingevoerd. Hiermee werden alle ongetrouwde mannen tussen de achttien en vijfentwintig jaar opgeroepen dienst te nemen in het leger. Getrouwde mannen en mannen die buiten de leeftijdscategorie vielen, kregen de taak om in wapenfabrieken te werken; vrouwen moesten uniformen naaien en zorgen voor de zieken en gewonden.[6] Vanaf dit moment waren vivandières dus de enige vrouwen in het leger van een gemilitariseerde samenleving.

Men kan een duidelijk onderscheid maken tussen de vrouwen aan het thuisfront, die als ‘republikeinse moeders’ zorg droegen voor het leger (met het maken van uniformen etc.) en de vivandières, die zich binnen de organisatie van het leger bevonden. Volgens de militair theoreticus Carl von Clausewitz ontstond er tijdens de revolutie een breuk in de Franse maatschappij tussen de burgerlijke samenleving (die in dienst stond van het leger), de staat en het leger zelf.[7] Men kan dus met recht zeggen dat vivandières ‘anders’ waren, zij leefden immers in een ‘andere’ samenleving.

De gehele Franse samenleving diende zich in te zetten voor oorlog, terwijl slechts een klein deel van de vrouwen zich ook daadwerkelijk in deze oorlog mocht storten. Het Franse leger telde in 1793 ruim 450.000 soldaten. Daarvan hebben er waarschijnlijk ongeveer vijfduizend een vrouw gehad die gerechtigd was vivandière te zijn en dus meeging met het leger.[8]

[caption id="attachment_50030" align="alignleft" width="270"] www.cantinieres.com Vivandière meevechtend in het Franse leger bij de slag om Chiclana in 1811. Bron: www.cantinieres.com[/caption]

Op het moment van de levée en masse, toen vrijwel de gehele samenleving zich ten dienst moest stellen van het leger, ontstond er een breuk tussen de vrouwen aan het thuisfront (‘de normatieve vrouw’) en de vijfduizend vivandières. Waar vivandières in het ancien régime nog een ‘hulpje’ van de vivandier waren, konden zij nu zelf kiezen met wie zij trouwden en kregen zij een eigen functie in het leger. Haar juridische positie werd per wet en dus officieel bepaald. Het contrast tussen de Republikeinse moeder en de gemilitariseerde vivandière had niet groter kunnen zijn.

Hervormingen onder Napoleon

De wet uit 1793 is zowel in 1800 als in 1807 veranderd, beide keren door Napoleon. Deze pleegde in 1799 een staatsgreep en werd leider van Frankrijk, waarbij hij zichzelf ‘eerste consul’ noemde. Na de hervorming van 1800 werd er geen onderscheid meer gemaakt tussen blanchiseusses (wasvrouwen) en vivandières. Zij zouden in het vervolg doorgaan onder de naam cantinière. Om verwarring te voorkomen zal ik echter de term vivandières blijven hanteren.

 In dezelfde hervorming werd besloten dat er nog maar vier vivandières per bataljon mochten zijn. In 1807 werd dit aantal verlaagd naar twee. Er waren dus aanzienlijk minder vivandières aanwezig in het Franse leger dat naar Rusland trok in 1812 dan in het revolutionaire leger van 1793: slechts twee mannen per bataljon (een bataljon telde 840 soldaten) hadden een vivandièrevrouw.[9]

Het contrast tussen de Republikeinse moeder en de gemilitari-seerde vivandière had niet groter kunnen zijn

 

Hoewel het aantal vivandières onder Napoleon sterk werd verminderd, werd de functie op zich nooit afgeschaft. Vivandières kwamen namelijk goed van pas om de voedselvoorziening te regelen. Al vanaf 1793 speelden ze een belangrijke rol in de bevoorrading van de bataljons, wat verband houdt met de logistieke tactiek van de Franse revolutionairen. Deze tactiek was erop gericht om zo min mogelijk middelen mee te nemen en te leven van het land, in plaats van een hele karavaan aan logge karren mee te slepen die de opmars op kon houden. Het leger kon zich zo sneller voortbewegen en de vivandières speelden hierin een belangrijke rol. Soldaten konden zich namelijk richten op het oorlogvoeren terwijl de vivandières de voorraden verzamelden om deze door te verkopen aan de soldaten.

Gezien deze verdeling van de taken lijkt het onlogisch dat Napoleon het aantal vivandières verminderde. Dit heeft te maken met de enorme ambitie van Napoleon om Europa te veroveren met snel marcherende legers. Napoleons soldaten kregen de bijnaam grognards (grommers), omdat ze zoveel klaagden over de lange marsen. “De keizer heeft een nieuwe manier gevonden om oorlog te voeren, hij gebruikt onze benen in plaats van onze bajonetten”.[10] Om zo snel mogelijk te zijn, mochten Franse soldaten alleen maar meenemen wat van uiterst belang was. Het voorttrekken van een kar was in de ogen van Napoleon een vertraging voor het leger. Napoleon nam daarom ook nooit tenten mee voor zijn manschappen: de karren om de tenten mee te vervoeren zouden achter komen te liggen op het leger. Daarnaast duurde het te lang om telkens een kamp op te bouwen. Ook de vivandières pasten niet in dit plaatje. Zij hadden vaak een kar bij zich waarin ze de voorraden vervoerden. Om sneller te kunnen zijn eiste Napoleon in de hervorming van 1807 dan ook dat één van de twee vivandières een paard had en de andere een kar.

Toch kon hij niet ontkennen dat hij de vivandières nodig had. De pure noodzaak om de soldaten van voedsel te blijven voorzien heeft ertoe geleid dat de functie van vivandière bleef bestaan. Waar de vivandière in het ancien régime slechts een hulpje was van de vivandier, kreeg zij een officiële functie in de Franse Revolutie. Napoleon vond dat ze een last was voor het leger, maar kon niet ontkennen dat hij de vivandières nodig had om zijn legers goed te kunnen laten functioneren. Dit laat het belang van vivandières duidelijk zien. Ondanks de onwil overwon haar functionaliteit. Hiermee wordt haar bijzondere positie nogmaals benadrukt. Het lag niet voor de hand dat vivandières dienst deden, maar de militaire noodzaak liet dit toe.

‘De vrouw’ bestaat niet

De twee vivandières die na 1807 per bataljon overbleven, waren niet zomaar vrouwen. Zij hadden de keuring van Napoleon zelf overleefd. Ze leefden samen met de soldaten en trotseerden daarmee het oorlogsgevaar en de barre omstandigheden tijdens het marcheren, anders dan de vrouwen aan het thuisfront. Tegelijkertijd kreeg zij als vrouw de taak om voedsel te verzamelen en te verkopen, waarmee ze overigens goed geld verdiende. Kortom: haar leven is niet te vergelijken met dat van een vrouw in Parijs die ver weg van de oorlog als ‘republikeinse’ moeder voor het gezin zorgde.

‘De typische vrouw’ in de geschiedenis bestaat niet en de vivandières laten dat zien in de periode van de Franse Revolutie. De bundel van Duby had beter ‘De geschiedenis van vrouwen’ kunnen heten, in het meervoud dus. Dit artikel handelt niet over de individuele uitzonderingen zoals Mata Hari, maar over een hele afzonderlijke groep vrouwen in een westerse, militaristische samenleving. Uitzonderlijk in dit geval is dat de vivandière zich volgens de wet in het leger mocht bevinden. Zij was de enige vrouw die officieel toe mocht treden in een samenleving die gedomineerd werd door mannen. Terwijl de ‘republikeinse moeder’ in Frankrijk daarnaast haar titel tegen haar wil kreeg opgedrukt, kon de vivandière haar titel uit vrije wil dragen, mits haar huwelijk dat toeliet. Het grootste deel van de normatieve Franse vrouwen was hiermee gebonden aan een burgerlijkheidsideaal, maar de vivandières konden hier middels de wet aan ontsnappen. De werkzaamheden van beide groepen vrouwen kwamen grotendeels overeen, maar de juridische positie verschilde. Zelfs per wet blijkt dat we niet kunnen spreken over dé vrouw in de geschiedenis.


Sjoerd Idzerda (21) is masterstudent militaire geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn interesses liggen vooral bij de militaire geschiedenis van de vroegmoderne tijd (tot aan 1815). Dit artikel is voortgekomen uit zijn bachelorscriptie, die hij schreef voor Onderzoeksseminar III Angel in the House aan de Universiteit Utrecht.

Afkomstig uit:

Titel: Historisch Tijdschrift Aanzet
Nummer: 1
Jaargang: 28

 

Kijk voor meer informatie op onze website::

 

Voetnoten

[1]    Een onderdeel van deze reeks was: Georges Duby en Michelle Perrot, De geschiedenis van de vrouw: de negentiende eeuw (Amsterdam 1993) 23.

[2]    Dominique Godineau, ‘Aan beide zijden van de Atlantische oceaan: vrouwen tijdens de revolutie’, in: Georges Duby en Michelle Perrot, De geschiedenis van de vrouw: de negentiende eeuw (Amsterdam 1993) 23.

[3]    Alain Pigeard, L’armee Napoléonienne (Curandéra 1993) 627.

[4]    Thomas Cardoza, Intrepid Women, cantinières and vivandières of the French army (Bloomington 2010) 16-17.

[5]    Cardoza, Intrepid Women, 71.

[6]    Pigeard, L’armee Napoléonienne,  494.

[7]    Patrick Dassen en Petra Groen, Van de barricaden naar de loopgraven oorlog en samenleving in Europa, 1789-1918 (Amsterdam 2008) 16.

[8]    Auguste Richard, Ernest Flammarion, Cantinieres et vivandières francaises (Parijs 1897) 53; Alain Pigeard, L’armee Napoléonienne (Curandéra 1993) 494.

[9]    Pigeard, L’armee Napoléonienne,  500.

[10]    Geoffrey Wawro, Warfare and society in Europe, 1792-1914 (London 2003) 10.

Meer weten