De Belgische koningskwestie

Sedert de oprichting van de Belgische Staat In 1830, heeft nooit in zijn geschiedenis een kwestie het Belgische volk zo scherp verdeeld als de Koningskwestie. Er is ook geen crisis geweest na de wereldoorlogen I en II, die zulk een groot gevaar heeft opgeleverd voor het voortbestaan van de Belgische eenheid en de monarchie.

OP 12 Maart 1950 wordt het Belgische volk opgeroepen om zijn mening te kennen te geven: of Koning Leopold III zijn grondwettelijke prerogatieven al of niet mag hervatten. Voor de eerste maal in de geschiedenis wordt in België een volksraadpleging gehouden. Alhoewel deze volksraadpleging als zodanig niet in de grondwet voorzien wordt, is er toch ook niets dat, juridisch gezien, het Parlement het recht zou ontzeggen tot die - bij uitstek democratische - vorm van peiling der publieke opinie zijn toevlucht te nemen. De uitslag van de volksraadpleging heeft geen wettelijke bindende kracht. Zij wordt slechts gehouden om het parlement voor te lichten over deze even delicate als pijnlijke aangelegenheid.

Keesings Historisch Archief heeft het verloop van de crisis sedert haar ontstaan immer objectief gevolgd en weergegeven. De bedoeling van onderhevig artikel is dan ook, objectief de feiten weer te geven, die aanleiding hebben gegeven tot de "Koningskwestie" zoals die thans is gesteld.

Overzicht van de gebeurtenissen

Na de capitulatie van het Belgisch leger op 28 Mei 1940 verbleef Koning Leopold als krijgsgevangene op het slot te Laken*). Op 7 Juni 1944, onmiddellijk na de geallieerde invasie in Normandië, werd hij, ondanks zijn protest, door de Duitsers weggevoerd naar Hirschstein (aan de Elbe in Saksen), waar hij onder bewaking van 60 SS-mannen verbleef tot 7 Maart 19.45. Door de snelle opmars van de Russen werd hij dan via München en Salzburg naar Strobl overgebracht, waar hij op 7 Mei 1945 door gemotoriseerde afdelingen van het Amerikaanse leger (generaal Patch.) bevrijd werd.

Het Belgische grondgebied echter was reeds rond 10 September 1944 nagenoeg geheel bevrijd. Op 19 September 1944 keerde Eerste-Minister Pierlot uit Londen terug en kondigde in het Parlement aan, dat de Koning onmiddellijk na zijn bevrijding de uitoefening van zijn grondwettelijke prerogatieven zou hervatten. Op 21 September 1944 werd Prins Karel, bij decreet van het Parlement, tot Regent van het Koninkrijk aangesteld. Bij de eerste stemming over dit besluit onthielden de communisten en de socialisten zich, om hierdoor een bevestiging te geven van hun republikeinse gevoelens. Daar bij de eerste stemming de wettelijke meerderheid niet bereikt werd, keurde het merendeel van de socialisten het decreet bij de tweede stemming goed. De overige (o.a. Buset, Rolin) bleven bij hun standpunt en wilden hun stem niet verlenen aan een lid van het Vorstenhuis.

Toen begonnen communisten en sommige groepen van het O.F. (Onafhankelijkheidsfront) zich zodanig te roeren, dat de regering Pierlot op 7 Februari 1945 verplicht was af te treden. Zij werd vervangen door een vierledige regering Van Acker. De communisten eisten toen reeds onomwonden de troonafstand van Leopold III. Op 4 Mei 1945 - drie dagen voor de bevrijding van de Koning zou de Algemene Raad van de Socialistische Partij hetzelfde doen, terwijl op 9 Mei 1945 de parlementaire groepen van de Katholieke Partij een motie goedkeurden strekkend tot onmiddellijke hervatting van de Koninklijke prerogatieven.

Van dat ogenblik al is de koningskwestie een partij-politieke kwestie geworden.

Op 9 en 10 Mei 1945 heeft de Prins Regent, zomede Eerste-Minister Van Acker en een ministeriële afvaardiging te Sankt Wolfgang een onderhoud gehad met de Koning. Eenparig goedgekeurd door de hem vergezellende Ministers van de vier partijen, zette de heer Van Acker uiteen dat de toestand in het land ernstig was en een zeer scherpe oppositie tegen de Koning tot uiting kwam bij de linkse partijen; hij besloot daaruit dat de terugkeer van de Koning, de verscheurdheid van het land kon veroorzaken en raadde dienvolgens de Koning aan, zijn terugkeer uit te stellen en geen beslissing te nemen, alvorens verschillende personaliteiten te hebben geraadpleegd.

De Koning deed zulks, doch inmiddels ging de agitatie in het land verder. Op 14 Juni gaf de Koning aan Eerste-Minister Van Acker kennis van zijn beslissing onverwijld naar het land terug te keren, doch op 16 Juni nam de regering ontslag en verklaarde geen verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor de woorden, die de Koning zou uitspreken, noch te kunnen instaan voor de ordehandhaving. Aangezien de Koning geen regering kon vormen, die op een parlementaire meerderheid steunde, verklaarde hij dat de wil van het volk alleen hem tot abdiceren zou kunnen dwingen (14 Juli 1945). Naderhand opperde de Koning (in zijn boodschappen van 30 September 1945 en 16 Januari 1946) de gedachte van een volksraadpleging.

Op 19 Juli 1945 werd door het Parlement een wet goedgekeurd, waarbij het zich zelf het recht toekende, het einde van de in artikel 82 van de grondwet voorziene onmogelijkheid om te regeren vast te stellen.

De wetgevende verkiezingen van Juni 1949 brachten echter voor de Katholieke volkspartij een zodanige vooruitgang (zie 8193 A), dat zij in beide Kamers een meerderheid heeft en feitelijk een einde aan het regentschap zou kunnen stellen. Zij heeft nochtans de voorkeur gegeven aan de volksraadpleging, om te voorkomen dat men zou kunnen beweren, dat Leopold III de Koning van één partij zou zijn.

De toestand is thans zo dat de socialisten en communisten tegen, katholieken voor de terugkeer zijn, terwijl de liberalen verdeeld zijn: de Vlaamse vleugel voor, de Waalse tegen. De volksraadpleging zal uitwijzen wat de "vox populi" verlangt. Men neemt aan, dat de Koning zal terugkeren, indien 55% van de stenmen "Ja" zouden zijn.

Wat men de Koning ten laste legt

Een bijna volledig overzicht van de fouten die de Koning worden ten laste gelegd, heeft de voormalige Eerste-Minister A. van Acker gegeven in het requisitorium dat hij op 20 Juli 1945 In de Kamer heeft uitgesproken en dat hij nog bevestigd heeft in een. radiotoespraak van 25 Februari 1950.

De Koning, aldus de heer Van Acker. heeft zijn land niet verraden, maar hij geloofde in een Duitse overwinning en heeft fouten begaan. De Koning heeft op de bezetting niet gereageerd, als de rest van de Belgen gedaan heeft. Hij heeft het land niet verlaten en is de regering niet naar Londen gevolgd. Het feit dat hij gecapituleerd heeft wordt evenwel niet als zodanig gelaakt.

De overwinning van België is niet te danken aan de Koning, maar zij is behaald in weerwil van de Koning. De Koning heeft de gevoelens der Belgen geschokt door naar Duitsland te gaan. Zijn huwelijk heeft het koninklijk prestige onder het volk geschaad. De schoonvader van de Koning, de heer Baels, is een gouverneur, die voor de oorlog van zijn post is ontheven.

Onder de Duitse bezetting had de Koning een symbool dienen te zijn van de lijdende natie en van het verzet tegen de indringers. Maar hij was niets van dit alles. Hij heeft zich zelfs niet verzet tegen de meest flagrante schending van het internationale recht: de deportatie van burgers. Zijn protest hiertegen kwam pas achteraf, was zwak en weinig overtuigend.

De Koning heeft een voorstel afgewezen, om te ontvluchten en leider van de verzetsbeweging te worden. Hij heeft geantwoord, dat hij liever naar Duitsland wilde gaan, omdat hij niet betrokken wilde worden "bij de bloedige reactie, die de bevrijding zou meebrengen" en dat hij er de voorkeur aan gaf terug te keren, wanneer alles voorbij was. Dat hij bij de intocht van de geallieerden te Brussel niet aanwezig was, kwam niet doordat hij naar Duitsland was gedeporteerd, maar omdat hij vrijwillig zijn verwijdering had aanvaard - zo niet uitgelokt - en zulks ondanks het advies en de vermaningen, die men hem had gegeven.

Het jongste feit, dat hem tenslotte ten laste wordt gelegd, is het weder vermelden in zijn huwelijksakte van de namen van het vorstenhuis "Saksen Koburg-Gotha", die door Koning Albert na de oorlog 1914-1918, terzijde waren gelaten. (zie 8598 C).

De socialisten eisen dus abdicatie: zij verklaren dat de Koning een persoonlijke, autocratische politiek had gevoerd tijdens de capitulatie door in het land te blijven, in strijd met de grondwet en tegen de wens van de regering. Nu houdt deze kwestie verband met de grondwettelijke dubbele functie van de Koning als Staatshoofd en Opperbevelhebber van het leger: als bevelhebber besloot de Koning bij zijn leger te blijven en het land niet te verlaten; de regering wilde echter op dat ogenblik, dat de Koning als Staatshoofd haar naar het buitenland had verzegeld. Hier is dus sprake van een conflict, waarvoor de Grondwet zelf de klem bevatte.

*) Op 31 Mei 1940 kwamen te Limoges (Frankrijk) 89 leden van de Belgische Kamer en 54 senatoren bijeen (voorzitter Van Cauwelaert). Zij spraken unaniem de mening uit, dat het voor de Koning Juridisch en moreel onmogelijk was zijn land te regeren.

De liberale partij heeft niet geëist dat de Koning zou aftreden, maar hem die abdicatie wel aangeraden. De Koning is een omstreden figuur en mag niet de Koning van één partij zijn.

De communisten noemen Leopold de .,Koning der Reactie".

De rechtvaardiging van de houding van de Koning

Alhoewel niet uitdrukkelijk, toch schijnen de socialisten de Koning ten laste te leggen, dat hij reeds voor het uitbreken van de oorlog een al te persoonlijke politiek zou hebben gevoerd. Daartegen kan worden ingebracht dat al de beslissingen van de Koning die getroffen werden tussen 1935 en 1940 immer gedekt waren door zijn regering en dat dus de toenmalige ministers evenzeer verantwoordelijk zijn voor de gevoerde buitenlandse politiek, na het opzeggen door Duitsland van het pact van Locarno. (7 Maart 1936).

De neutraliteitspolitiek werd door de achtereenvolgende Ministers van Buitenlandse Zaken met klem verdedigd (zie ook nader bij biografie van P. H. Spaak op pag. 7848). Dit principe werd trouwens in September 1936 ook door het Congres van de Belgische Werkliedenpartij aanvaard: "wat de buitenlandse politiek betreft: de partij verklaart, dat de politiek van België, in het kader van de volkenbond, vrij moet zijn van alle militaire bondgenootschappen en een politiek moet zijn van volledige en onvoorwaardelijke militaire, economische en politieke onafhankelijkheid".

De onafhankelijkheidspolitiek was dus geenszins uitsluitend de politiek van de Koning, doch de politiek van de Belgische regering. Al de daden door de Koning gesteld tot bij de inval van het Duitse leger, zijn ingegeven door diezelfde gedragslijn.

Op 10 Mei 1940 heeft Koning Leopold krachtens zijn grondwettelijke eed het bevel over het leger op zich genomen en tot op 28 Mei, toen hij verplicht was te capituleren, is hij steeds als zodanig opgetreden.

Tijdens de krijgsverrichtingen heeft hij er zelfs in toegestemd onder het bevel te staan van het oppercommando der geallieerde legers. De regering was nochtans de mening toegedaan, dat het de plicht was van de Koning, zich als Staatshoofd te gedragen en dat hij derhalve verplicht geweest zou zijn. de regering naar het buitenland te volgen. Vandaar het noodlottige misverstand tussen Koning en Regering, dat nog immer niet bijgelegd schijnt te zijn.

Over de capitulatie zelf van de Koning (28 Mei 1940) is er niemand die er aan denkt de Koning daarvoor ook maar een verwijt toe te sturen, aangezien het thans bewezen is, dat de eer van het Belgische leger en dienvolgens die van zijn opperbevelhebber, de Koning, door niemand meer in het gedrang wordt gebracht of gelaakt.

'Dat de Koning zou geloofd hebben in een Duitse overwinning is niet zo licht te bewijzen. Daarvan getuigen zijn verklaringen afgelegd o.m. op 29 Mei 1940 tegenover de heer Devèze en de daarop volgende gesprekken en verklaringen van de Koning tegenover ambassadeurs en andere personaliteiten. 1

De Koning heeft zich op 19 November 1940 naar Berchtesgaden begeven om er Hitler te ontmoeten, doch het -is gebleken, dat de Koning reeds een eerste verzoek van Hitler om een bijeenkomst, van de hand had gewezen en dat deze weigering Hitler ten zeerste ontstemd zou hebben.

Op 1 Juni 1940 heeft de Koning trouwens voor zichzelf een beknopt memorandum opgesteld, waarin hij om. het volgende schreef over. de verhouding van België tot Duitsland: "slechts onder de dwang van overmacht mogen wij aannemen, dat ons grondgebied aangewend blijft ten voordele der militaire verrichtingen. Dus zijn geen onderhandelingen mogelijk, zolang het Belgisch grondgebied niet ophoudt te dienen voor de vijandelijkheden. Daaruit volgt dat het Staatshoofd geen enkele politieke daad mag verrichten. zolang het Belgische grondgebied voor krijgsverrichtingen dient".

Uit de notulen van de gesprekken tussen de Koning en Hitler blijkt bovendien duidelijk, dat de Koning Immer een vast besloten houding heeft aangenomen en dat het hem vooral te doen was om de vrijstelling van de krijgsgevangenen, zomede de verbetering van de voedselvoorziening van het land. (Het zou ons te ver leiden, hier uitvoerig deze gesprekken weer te geven).

Dat de Koning zich niet zou ingelaten hebben met de verzetsbeweging wordt tegengesproken door de houding van leden van het militaire huis van de Koning, die blijkbaar reeds van Juni 1940 af voeling hadden genomen met de kaders van het Belgische leger, om een geheim leger in België op te richten, dat tenslotte in 1942 gevormd werd.

Reeds in de herfst 1940 heeft de Koning ook het initiatief genomen 'tot de oprichting van een "Hulp- en informatiebureau voor Gezinnen van militairen", dat morele en materiële steun verleende aan de gezinnen der militairen.

Karakteristiek in dit opzicht is eveneens de brief, die Leopold III op 25 Januari 1942 rechtstreeks aan Hitler heeft gezonden, een brief, die een scherpe aanklacht is tegen de politiek van uitbuiting, door Duitsland in België toegepast.

Op 3 November 1942 richtte de Koning zich opnieuw tot Hitler, om te protesteren tegen de deportatie van de Belgische arbeiders en hun verplichte tewerkstelling in Duitsland.

De heer Van Acker zegt, dat dit protest pas achteraf kwam, zwak en weinig overtuigend was. De verplichte arbeid werd door de Duitse overheid ingevoerd op 6 October 1942 en kreeg vorm van toepassing einde October. De brief van de Koning aan Hitler dateert van 3 November 1942.

Door bemiddeling van de heer Nolf. voorzitter van het Rode Kruis, heeft de Koning bovendien verschillende protesten overgemaakt (o.m. 17-12-1942) aan het Internationale Rode Kruis, in verband met de behandeling van de krijgsgevangenen en van de politieke gevangenen en arbeiders in de kampen.

Het gevolg daarvan was, dat Hitler op 15 Februari 1943 aan de Koning een brief zond waarin hij onomwonden de Koning uitschold en met deportatie naar Duitsland bedreigde.

op 11 September 1941 is de Koning in het huwelijk getreden met Mej. Liliane Baels. Dit huwelijk werd in besloten kring ingezegend in de kapel van het kasteel te Laken en werd naderhand in December 1941 door een burgerlijk huwelijk bekrachtigd. De Koning zelf heeft dit feit immer als een private aangelegenheid beschouwd, die volgens hem geen gevolgen mocht hebben op het terrein der erfopvolging enz. Zijn echtgenote, Mej. L. Baels, zou trouwens nooit die titel van koningin voeren, maar die van Prinses van Rethy. Tegen het feit, dat hij voor de eventueel uit dit huwelijk te spruiten kinderen bepaald heeft, dat zij de naam zouden kunnen voeren van Saxen-Koburg-Gotha. (Koning Albert had na de oorlog 1914-18 besloten deze namen uit zijn stamboom-vermelding te schrappen) wordt. aangevoerd, dat de wettelijke naam van het Koningshuis Saxen-Koburg-Gotha. Is en dat het de Koning vrij staat daar al dan niet melding van te maken (zie ook 8598 C). De berichten, als zou de Koning geweigerd hebben, in het maquis te gaan ._ dus zich te laten ontvoeren door leden uit het verzet, om te ontkomen aan zijn deportatie naar Duitsland - zijn tamelijk verward en het Is niet gemakkelijk uit te maken, of de Koning al dan niet de krijgsgevangenschap naar Duitsland heeft aanvaard. Er zijn nochtans brieven, die zulks tegenspreken. Als verklaring van het feit, dat de Koning niet, zoals zijn broeder Karel, in het maquis is gegaan, wordt aangevoerd. dat hij dit deed, om bloedige represaillemaatregelen te voorkomen.

Besluit

Ziedaar dus een in het bestek van deze uitgave zo volledig mogelijk overzicht van de feiten in verband met de koningskwestie. Wie nauwkeurig en gedocumenteerd de houding van de Koning wil nagaan, verwijzen wij naar het "Verslag van de Commissie van Voorlichting op 14-6-1946 door zijne Majesteit Koning Leopold III ingesteld". (Zie ook 7205 D).

In dit document worden al de bewijsstukken medegedeeld, die de houding van de Koning van 1935 tot heden moeten rechtvaardigen. Van de andere kant verwijzen wij o.m. naar de door het dagblad "Le Peuple" uitgegeven brochure "Faits et témoignages" waarin ,gebracht wordt eveneens aan de hand van documenten, de feiten, die men de Koning ten laste legt, te staven.

Men kan zich nu de vraag stellen wie het recht aan zijn kant heeft, de Koning of de Regeringen Pierlot en Van Acker.

Op 12 Maart zal het Belgische volk zijn mening hierover uitdrukken zonder dat daardoor nochtans enig bewijs is geleverd van de juistheid der argumenten pro en contra.

Wij staan wellicht nog te dicht bij de feiten, om reeds met de nodige nuchterheid en met het nodige inzicht volkomen objectief over deze aangelegenheid te oordelen.

(Vor. ber. Koningskwestie: 8598 C.; overzicht: 6365 A; tekst wet volksraadpleging: 8600 C)

Dit artikel is afkomstig uit:

 

Meer weten