Geen afbeelding beschikbaar

De ondergang van het Ottomaanse Rijk en de deling van het Midden-Oosten

Het huidige Midden-Oosten is een ingewikkelde constellatie van volken en staten  die elkaars grenzen of bestaansrecht betwisten. De verschillende groepen grijpen  hierbij regelmatig naar de wapens, wat al geleid heeft tot een aantal bloedige  oorlogen en burgeroorlogen. Het ziet er niet naar uit dat aan deze situatie snel een  eind zal komen. Omdat duurzame oplossingen uitblijven, dringt zich soms het  gevoel op dat 'het altijd zo geweest is en altijd wel zo zal blijven'. Maar het is niet  altijd zo geweest.  

Auteur: Ruud Hoff  

Rond 1850 was er in het gebied geen sprake van afzonderlijke staten, maar  maakte het in zijn geheel deel uit van het rijk van de Turkse sultan. De sultan  regeerde over een enorm territorium, dat vrijwel het gehele Midden-Oosten en de  Balkan omvatte. Zijn rijk was door de eeuwen heen een machtsfactor van  betekenis. Maar in de negentiende eeuw waren de hoogtijdagen van het Ottomaanse  Rijk allang voorbij. Het verval zou doorzetten, wat uiteindelijk resulteerde in de  verdeling van het rijk na de Eerste Wereldoorlog. De situatie na de verdeling  vertoonde, voor wat de loop van de grenzen betreft, al veel overeenkomsten met  de huidige: een rompstaat Turkije, een aantal onafhankelijke staten op de Balkan  en, in het gebied dat bekend staat als de 'vruchtbare maansikkel', de Britse  mandaten Irak, Palestina en Trans-Jordanië en de Franse mandaten Syrië en  Libanon. Deze mandaten vormden de basis voor de huidige staten Syrië, Libanon,  Irak en Jordanië. Van een onafhankelijk Palestina is het echter niet gekomen.  

De problemen die het Midden-Oosten tijdens de mandaatsperiode en daarna  bezig hielden en houden, zijn deels verbonden met de ontstaansgeschiedenis van  de genoemde mandaten in de periode vóór, tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog. De vorming van de mandaten was het resultaat van de wensen en activiteiten  van vier groeperingen met tegengestelde belangen: de Turkse heersers, de  imperialistische mogendheden Engeland en Frankrijk, de zionisten en de Arabische  nationalisten. Van de vier groepen namen de Arabische nationalisten, als feitelijke  bewoners van het betwiste gebied, een sleutelpositie in. Het Arabisch nationalisme  was in de negentiende eeuw ontstaan onder invloed van Europese denkbeelden  over staat en natie. Door de afnemende kracht van de Turkse overheersing leek de  vorming van een Arabische staat tot de mogelijkheden te behoren. Het Arabisch  nationalisme werd verder versterkt door de maatregelen die de Turkse overheid  nam om het verval van het rijk tegen te gaan en die de Arabische identiteit onderdrukten. De Arabische nationalisten wilden zich van het Turkse juk verlos- sen en een eigen, onafhankelijke Arabische staat vormen. 

Aan het eind van de negentiende eeuw maakte de vruchtbare maansikkel nog  steeds deel uit van het Ottomaanse Rijk, maar onderwijl streefden de Arabieren  naar eenheid en onafhankelijkheid, zochten de Engelsen en Fransen naar manieren  om hun invloed in het Midden-Oosten te vergroten en deden de Turkse heersers in  het gebied verwoede pogingen om hun macht te behouden.  

De zieke man aan de Bosporus  

Zoals gezegd was het eens zo machtige Ottomaanse Rijk in verval. Het rijk brokkelde af als gevolg van interne spanningen en buitenlandse bemoeienissen, in  economisch opzicht was er sprake van stagnatie. De Turken hadden de macht over  de Middellandse Zee verloren en daarmee hun positie in de internationale handel.  Terwijl industrialisatie in de Europese staten een voortdurende economische groei  tot gevolg had, bleven de in het Ottomaanse Rijk opererende ambachtslieden  belemmerd door een streng georganiseerd gildenstelsel. Daarnaast bleef een zeer  groot deel van de bevolking werkzaam in de landbouw.  

De stagnatie van de Turkse handel, industrie en technologie resulteerde in  teruglopende belastingopbrengsten. Tezamen met de stijgende kosten van het  leger en het overheidsapparaat plaatste dit het rijk voor groeiende financiële  zorgen. Leningen bij Europese banken schiepen een steeds knellender afhankelijkheid: een steeds groter deel van de begroting moest gereserveerd worden voor  rente en aflossing van de buitenlandse schuld. Het Ottomaanse Rijk geraakte in een  schuldencrisis. Noodzakelijk uitstel van betaling werd slechts verleend onder  strikte voorwaarden, die een steeds groter inbreuk op de Ottomaanse soevereiniteit  inhielden. Zeer vernederend voor het rijk waren de zogenaamde Capitulatieën,  door Europese mogendheden afgedwongen (handels-(voorrechten. Ze verzeker- den de afzet van bepaalde Europese produkten of de leverantie van grondstoffen  tegen vastgestelde prijzen. Ook was bepaald dat het Ottomaanse strafrecht niet van  toepassing was op de binnen het rijk aanwezige Franse en Britse onderdanen.  

Vernederender dan de economische positie was de militaire achterstand die het  Ottomaanse Rijk had opgelopen. Als gevolg hiervan kon de afbrokkeling van het  rijk niet gestopt worden. Diverse aan de sultan ondergeschikte regionale heersers  gingen steeds meer hun eigen gang en erkenden het gezag van de sultan alleen nog  maar in naam. Zo maakte de Egyptische stadhouder van de sultan, Mohammed Al i  (1805-1849), Egypte in feite los van het rijk. Islamitische hervormingsbewegingen  (zoals de fundamentalistische wahhabieten) hadden religieuze motieven om de  macht van de wereldlijke sultan te ondermijnen.  

De ondergang van het Ottomaanse Rijk  De inperking van de macht van het Ottomaanse Rijk om zijn eigen zaken te regelen,  ging samen met een toenemende inmenging van de imperialistische Europese  mogendheden ten gunste van de niet-islamitische gemeenschappen die probeerden  zich van het Ottomaanse Rijk af te scheiden. Frankrijk claimde het bescherm- heerschap over de christenen in Libanon; Rusland dat over de Grieks-orthodoxen  en Armeniërs; Engeland behartigde de belangen van de protestanten en de drozen.  Daarbij lieten ze een begerig oog op (delen van) het ondergaande rijk van de sultan  vallen. In 1856, na de Krimoorlog, moest de sultan afstand doen van Servië en van  grote delen van de Balkan. In 1878 volgden Bulgarije en Roemenië. Cyprus, Kreta  en Egypte kwamen in Engelse handen. Tunesië kwam onder Frans bestuur. Dat 'de  zieke man aan de Bosporus' zich toch nog wist te handhaven, was in belangrijke  mate te danken aan de onderlinge rivaliteit van de Europese mogendheden, die  elkaar geen al te groot deel van de buit gunden.  

Hervormingen  

Natuurlijk beseften de Turkse machthebbers in Istanboel dat hervormingen brood- nodig waren. Het doorvoeren van hervormingen werd echter bemoeilijkt door de  totaal verouderde bestuursindeling, gebaseerd op stammen, religieuze gemeen- schappen, vazallen met eigen strijdkrachten en een uitgebreide bureaucratie.  Daarbij was op alle niveaus sprake van onbekwame en corrupte bestuurders. Het  herstel van de 'zieke man' werd verder belemmerd door de slechte economische  en financiële toestand van het rijk en door het verzet van conservatieve wereldlijke  en religieuze leiders.  

De eerste hervormingsplannen waren al opgesteld door sultan Selim III, die  regeerde van 1788 tot 1807. De uitvoering van deze plannen werd echter verhinderd  door het verzet van het machtige janitsaren-corps. Pas na de liquidatie van dit corps  in 1826 konden bestuurshervormingen worden doorgevoerd. Tijdens de zogenaamde  Tanzimat periode (1860-1878) voerde groot-vizier Midhat Pasha een politiek van  modernisering volgens westers model: de ontwikkeling van een moderne infra- structuur, de vestiging van industrieën, de verbetering van het onderwijs en een  reorganisatie van het leger, moesten het rijk van de ondergang redden. Het  samenbindende element van het rijk moest niet langer de islam zijn, maar de  identificatie van de burgers met de staat. Vandaar het propageren van de Osmanlilik- gedachte, het idee van de gelijkheid van alle burgers van het Ottomaanse Rijk. In  1876 werd bovendien een nieuwe grondwet van kracht, die het rijk veranderde in  een parlementaire monarchie naar Europees model. Met de instelling van het  Ottomaanse parlement deed het beginsel van de volkssoevereiniteit zijn intrede in  de Turkse politiek.

In datzelfde jaar 1876 kwam echter een nieuwe sultan aan de macht, Abdoel Hamid  IJ, die in de hervormingen een bedreiging van zijn eigen positie zag. Ook de  conservatieve oelama (godgeleerden) keerden zich tegen de hervormingen, omdat  ze vreesden dat die zowel de zuiverheid van de islam als hun eigen machtspositie  zouden aantasten. De hervormingsgezinden onder leiding van de groot-vizier  legden het in 1878 af tegen deze conservatieve krachten. De sultan stelde de  grondwet buiten werking, liet alle hervormingsgezinde politici oppakken en  herstelde het despotisme. Hij trachtte de macht en eenheid van zijn rijk te herstellen  door met krachtige hand een persoonlijke dictatuur uit te oefenen. In zijn functie  van kalief deed hij een beroep op de absolute gehoorzaamheid van zijn onderdanen,  terwijl hij alle tegenstand uitschakelde met behulp van een meedogenloze terreur.  Daarnaast probeerde hij om de uitrusting van het leger te verbeteren en om een moderne industrie op poten te zetten.Hoewel hij afkerig was van alle uit Europa afkomstige ideologieën, maakte hij graag gebruik van westerse techniek. Zijn bondgenootschap met de Duitse keizer Wilhelm II bood hem hiertoe de gelegenheid:  Duitsland leverde wapens, en Duitse officieren trainden het Ottomaanse leger,  voorts hielpen Duitse ingenieurs bij de aanleg van een tweetal strategische  spoorlijnen.  

Hoewel het despotisch bewind dus enige successen boekte bij de modernise- ring van legeren industrie, kon het de interne spanningen niet blijvend onderdrukken.  Zo richtten Turkse politieke ballingen in Europa geheime organisaties op, die de  val van het sultanaat beoogden. Europa was ook de plaats waar de jonge Turkse  officieren, die de kern van de macht van het sultanaat moesten gaan vormen, hun  opleiding kregen. Velen werden daar juist beïnvloed door de Europese politieke  ideeën (liberalisme, socialisme en nationalisme) die de sultan zo verafschuwde.  

Een groep hervormingsgezinde officieren, de Jong Turken, pleegde in 1908  een staatsgreep. De groep dwong de sultan ertoe om in te stemmen met een nieuwe  grondwet, die hem alle feitelijke macht ontnam. Toen sultan Abdoel Hamid een  jaar later een poging deed om door middel van een tegencoup zijn macht te  heroveren, werd hij definitief afgezet en verbannen. Tot nieuwe sultan werd daarop  zijn halfbroer Mehmet V benoemd, die een marionet zou blijken in de handen van  de Jong Turkse machthebbers. Dezen vormden het ‘Comité voor Eenheid en  Vooruitgang', waarbinnen de werkelijke macht berustte bij een driemanschap van  Enver Bey (minister van Oorlog), Talaat Bey (minister van Binnenlandse Zaken)  en Djamal Pasha (minister van Marine). Het bestuur van het Comité nam al snel  de vorm aan van een militaire dictatuur, waarbij de liberalen het veld moesten  mimen voor een radicale nationalistische stroming. Deze (pan)turkisten of turianisten  dachten dat de ineenstorting van het Ottomaanse Rijk kon worden voorkomen door  een politiek van 'turkificering'. In plaats van eenheid op basis van de islam of op  basis van het Ottomaanse staatsburgerschap, propageerden zij de eenheid op basis  van het Turkse ras, de Turkse taal en cultuur. Het spreekt vanzelf dat het Turkse  volk daarbij gezien werd als superieur aan de andere volken. Om deze redenen  dienden de binnen het rijk levende niet-Turkse volken (zoals Arabieren, Grieken,  Balkan volken en Armeniërs) de Turkse taal en cultuur over te nemen. Ook moesten  de oproep tot gebed, het reciteren van de Koran en het onderwijs voortaan in het  Turks plaatsvinden in plaats van in het Arabisch, de taal waarin Mohammed de  goddelijke openbaring ontving. Daarnaast moesten de, onder vreemde heerschappij  zuchtende, Turkssprekende 'broedervolken' (Kirgiezen, Turkmenen, Azerbeid- jani's) bevrijd worden.  

Onder de niet-Turkse bevolking van het rijk leidde de turkif icerings-politiek tot  een fel verzet tegen de regering. Verzet kwam ook uit de hoek van de oelama, die  zich stoorden aan het on-islamitische karakter van de maatregelen.  

Met zo weinig steun van de eigen bevolking slaagden de nieuwe machthebbers  er dan ook niet in de afbrokkeling van het rijk een halt toe te roepen: in 1908 werd  het voorheen Turkse Bosnië en Herzegowina door Oostenrijk-Hongarije gean- nexeerd, in 1911 kwam Libië in Italiaanse handen en bij de Eerste Balkanoorlog  (1912-1913) verloor het Turkse Rijk opnieuw grote delen van de Balkan. In 1914  begon, weer op de Balkan, de Eerste Wereldoorlog, die tot de uiteindelijke  ondergang van het Ottomaanse Rijk zou leiden.  

De Eerste Wereldoorlog  

Na enige tijd een zekere neutraliteit in acht te hebben genomen, koos het  Ottomaanse Rijk in oktober 1914 de zijde van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije.  Deze keuze was te verwachten gezien de al genoemde vriendschapsbanden met  Duitsland sinds de dagen van Abdoel Hamid. Nog in 1913 was er een Duits-Turks  militair verdrag getekend, in 1914 gevolgd door een geheim bondgenootschap.  Maar de Turkse machthebbers hadden ook hun eigen redenen voor een deelname  aan de oorlog: een succesvol verlopende oorlog zou hun zwaar aangetaste prestige  weer op kunnen vijzelen. Een overwinning leek in 1914 niet onmogelijk, want toen  boekten de legers van hun Duitse bondgenoot nog successen. Daarnaast zou een  eventuele Duitse overwinning kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van één  van de Jong-Turkse idealen: de bevrijding van de Turkssprekende broedervolken  in tsaristisch Rusland. Bovendien zag men in Istanboel mogelijkheden om de  Engelsen uit Egypte te verdrijven en zo het Suezkanaal in handen te krijgen.  

Op 29 oktober 1914 begon de Ottomaanse aanval op Rusland. Engeland en  Frankrijk. Ruslands bondgenoten, verklaarden daarop het Turkse Rijk de oorlog.  Soltan Mehmet riep hierop de Djihad, de Heilige Oorlog, uit. Hij hoopte hiermee ook de moslims die buiten het rijk leefden in de strijd te betrekken, maar de oproep  vond in Brits-Indië (waar grote groepen moslims woonden) en elders weinig  weerklank. Ook in militair opzicht kreeg de sultan met tegenslagen te maken: het  Turkse offensief in de Kaukasus werd tot staan gebracht en de aanval op het  Suezkanaal werd afgeslagen. Daar kwam als probleem bij, dat tot het rijk  behorende ontevreden bevolkingsgroepen gebruik maakten van de oorlogssituatie  om hun positie te versterken. De Turkse heersers besloten wederom hard op te  treden tegen elk verzet van de eigen bevolking. Het meest tragisch was in dit  verband de met massamoorden gepaard gaande deportatie, in 1915 en 1916, van  de onbetrouwbaar (want pro-Russisch) geachte Armeniërs. Een harde aanpak gold  ook het Arabisch nationalisme: in Beiroet werden op 21 augustus 1915 elf  Arabische nationalisten in het openbaar terechtgesteld.  

De Engelsen poogden van deze interne moeilijkheden van het Ottomaanse Rijk  gebruik te maken in hun strijd tegen de sultan. Hiertoe zochten ze contact met  Arabisch-nationalistische leiders. Via de als geheim agent opererende T. E. Lawrence ('Lawrence of Arabia') legde de Britse Hoge Commissaris in Cairo, sir  Henry MacMahon, contact met de sharif van Mekka, Hoessein ibn Ali . Deze laatste  genoot als nakomeling van de profeet en beschermheer van de heilige plaatsen  groot gezag in de islamitische wereld. Van 14 juli 1915 tot 30 januari 1916  onderhielden Hoessein en MacMahon een briefwisseling, waarin sharif Hoessein  beloofde om met zijn aanhangers in opstand te komen tegen de sultan. In ruil  daarvoor zou de Britse regering na de Turkse nederlaag steun verlenen aan de  vorming van een onafhankelijk Arabisch koninkrijk in alle overwegend door  Arabieren bewoonde delen van het Ottomaanse Rijk.  

Op 5 juni 1916 begon de Arabische opstand met de uitschakeling van de Turkse  garnizoenen in Mekka en Medina, gevolgd door een Arabische opmars in noor- delijke richting. Diverse Arabische stammen waren hiertoe door emir Faisal, zoon  van sharif Hoessein, verenigd in een primitief uitgerust bedoeïenenleger. Tege- lijkertijd stak een Frans-Britse troepenmacht onder bevel van generaal Edmund  Allenby het Suezkanaal over. De troepen van Faisal veroverden op 6 jul i 1917 de  havenstad Akaba. Allenby veroverde op 9 december 1917 Jeruzalem; de bevolking  verwelkomde de geallieerden als bevrijders. Op 1 oktober 1918 trokken de  Arabische troepen en een deel van de Brits-Franse expeditiemacht vrijwel gelijktijdig  Damascus binnen. Nog diezelfde maand stortte de Turkse regering in. De leden van  het heersende driemanschap ontvluchtten het land en sultan Mehmet V was bereid  om de wapenstilstand (in feite een onvoorwaardelijke capitulatie) te tekenen.  

Geheime diplomatie  

Aan de schijnbaar eendrachtige samenwerking tussen Engelsen, Fransen en  Arabieren kwam na afloop van de oorlog een einde. Maar al tijdens de oorlog was  er in kringen van Arabische nationalisten de nodige achterdocht gerezen omtrent  de Britse en Franse oorlogsdoelen voor wat betreft het Midden-Oosten. Want  hoewel de Britten het Arabische streven naar een onafhankelijk koninkrijk wel  moesten ondersteunen om tot een bondgenootschap met de Arabieren te kunnen  komen, maakten zowel de Engelsen als de Fransen ook zelf aanspraken op delen  van het Midden-Oosten. Om deze reden was in de afspraken tussen sharif Hoessein  en MacMahon al een voorbehoud gemaakt voor het gebied ten westen van de lijn  Aleppo-Homs-Damascus (ongeveer het tegenwoordige Libanon), waar de Fran- sen wellicht belangstelling voor zouden hebben.  

In maart 1916, na de totstandkoming van deze afspraken, maar nog vóór het  uitbreken van de Arabische opstand, was in het diepste geheim overleg gevoerd  tussen diplomaten van Groot-Brittannië (sir Mark Sykes), Frankrijk (Georges  Picot) en Rusland. Zij besloten tot een verdeling van het na-oorlogse Midden- Oosten in 'invloedssferen'. Hierbij maakten de Russen aanspraak op gebieden aan  de Bosporus en de Kaukasus, claimden de Fransen Syrië en Libanon, terwijl de  Britten een landverbinding wensten tussen Egypte en India. Deze zogenaamde  Sykes-Picot overeenkomst, die op 16 mei 1916 in een geheim document werd  vastgelegd, was in flagrante tegenspraak met de eerdere Britse afspraken aangaande Arabische onafhankelijkheid. Toen Sykes en Picot in mei 1917 een persoonlijk  onderhoud met sharif Hoessein hadden, stelden ze hem dan ook niet van de overeenkomst op de hoogte. Het geheime document kwam in de openbaarheid toen  de bolsjewieken na de oktoberrevolutie de archieven van de kanselarij in Sint- Petersburg openden. Onmiddellijk lieten de Ottomaanse autoriteiten de tekst van  de Sykes-Picot overeenkomst publiceren als bewijs van de onbetrouwbaarheid van  de Britse regering. De Turkse minister Djamal Pasha bood sharif Hoessein daarbij  een afzonderlijke Turks-Arabische vrede aan. De sharif wees dit aanbod af, maar  vroeg zijn Britse bondgenoten wel om opheldering. Deze werd verschaft in een  nota van het Foreign Office die achteraf als misleidend beschouwd kan worden.  Volgens de nota was de publikatie van de overeenkomst niets anders dan een  Turks-bolsjewistische intrige, een voorstelling van zaken die door de sharif werd  geaccepteerd.  

Omstreeks diezelfde tijd plaatste de Britse regering de sharif opnieuw voor een  voldongen feit met de Balfour-declaratie. Op 2 november 1917 verklaarde de  Britse minister van Buitenlandse Zaken, sir James Balfour, namelijk dat de Britse  regering welwillend stond tegenover de vestiging van een 'joods nationaal tehuis'  in Palestina. De Britse regering stuurde hierop commandant David George  Hogarth naar sharif Hoessein om diens verontrusting over deze verklaring weg te  nemen. Hogarth gaf de verzekering dat de joodse vestiging in Palestina alleen  toegestaan zou zijn in zoverre zij de politieke en economische vrijheid van de  Arabische bevolking niet zou belemmeren. De sharif toonde zich uit humanitaire  overwegingen niet onwelwillend tegenover de komst van beperkte aantallen  Europese joden naar Palestina, mits dit op geen enkele wijze aan de Arabische  onafhankelijkheid afbreuk zou doen.  

Vrede

Toen op 30 oktober 1918 de oorlog beëindigd was, bevonden zich in de Arabische  delen van het Ottomaanse Rijk zowel Britse, Franse, als Arabische strijdkrachten.  Omdat Arabische nationalisten het heft al in eigen hand wilden nemen, gaven de  Britse en Franse commandanten ter plaatse een haastige verklaring uit, die bekend  is geworden als de Anglo-Franse verklaring. Hierin werd als Brits-Frans oorlogs- doel aangegeven 'de volledige en definitieve bevrijding van de volken die zuchten  onder het Turkse juk en het vestigen van nationale regeringen in overeenstemming  met de wil van de bevolking'. Daarmee was, op enkele incidenten na, de rust  hersteld. Het wachten was op een definitieve vredesregeling. Deze kwam tot stand  op internationale conferenties in Versailles en San Remo.  

Dus vertrok emir Faisal naar Europa, om daar de zaak van de Arabische eenheid  en onafhankelijkheid te bepleiten. In Parijs vond hij nauwelijks gehoor. De  onverzettelijke Franse premier Georges Clemenceau achtte zich niet gebonden aan  Brits-Arabische afspraken en streefde naar de uitvoering van de Sykes-Picot  overeenkomst. In Engeland werd Faisal geconfronteerd met onverschilligheid.  Om maximale invloed in het Midden-Oosten te kunnen uitoefenen, wierp Groot- Brittannië zich niet alleen op als beschermheer van de Arabische nationalisten,  maar ondersteunde het ook de zionisten, hoewel dat door de Arabieren als  tegenstrijdig werd ervaren. De Britse president David Lloyd George zette Faisal  onder druk om de Britse protectie toch te accepteren.  

Op de vredesconferentie van Versailles, in januari 1919, legde Faisal een  verklaring af, waarin hij het principe van de instemming van de bevolking  verdedigde. Daarop stelde de Amerikaanse delegatie voor om een geallieerde  onderzoekscommissie te vormen, die de wensen van de bevolking moest onder- zoeken. Frankrijk en Engeland weigerden hieraan mee te werken, zodat een  volledig Amerikaanse delegatie naar het Midden-Oosten vertrok. Eind augustus  brachten de commissieleden Henry King en Charles Crane een geheim eindverslag  uit. Daarin deden zij de aanbevelingen dat de eenheid van Syrië (inclusief Libanon  12 De ondergang van het Ottomaanse Rijk  en Palestina) moest worden gehandhaafd, dat de joodse immigratie naar Palestina  beperkt diende te worden, en dat er bij voorkeur geen Europese voogdij in het  gebied moest komen. Frankrijk en Engeland waren het bij voorbaat al niet eens met  de aanbevelingen van de commissie, terwijl de Amerikaanse onderhandelingspositie  sterk was verzwakt door de ziekte van president Wilson en afnemende steun in  eigen land voor buitenlandse interventie. De geallieerde krijgsraad, bijeen in San  Remo, legde de conclusies van de King-Crane Commissie dan ook naast zich neer. 6  In feite hadden Londen en Parijs de buit al onderling verdeeld. Frankrijk zou  instemmen met een Britse invloedssfeer in Palestina in ruil voor een invloedssfeer  in Syrië en Libanon. Het vertrek van de Britse bezettingstroepen uit laatstgenoemde  gebieden in november 1919 wees al op het binnenskamers bereikte compromis.  

Op 25 april 1920 werd het verdrag van San Remo ondertekend, waarmee  Engeland en Frankrijk een nieuwe politieke verdeling van het Midden-Oosten  vastlegden. Net zoals in Versailles ten aanzien van het verslagen Duitsland was  gebeurd, werd met het verdrag van San Remo het Ottomaanse Rijk een vernederend  dictaat opgelegd. Het Ottomaanse Rijk verloor alle gebieden die niet overwegend  door Turken bewoond werden. Het Turkse leger moest worden ontmanteld, er  moest een flinke schadeloosstelling worden betaald en er kwamen geallieerde  bezettingstroepen in diverse Turkse steden. Turkije moest accepteren dat er in het  oosten een onafhankelijke Armeense republiek zou komen en dat de Koerdische  bevolking de mogelijkheid zou krijgen om zich over haar staatkundige toekomst  uit te spreken. De Arabische gedeelten van het voormalige Ottomaanse Rijk  werden verdeeld in mandaatgebieden: omdat de volken nog niet rijp geacht werden  voor de onafhankelijkheid, werden ze onder toezicht van de 'gemeenschap der  volken' (de Volkenbond) geplaatst. Namens deze organisatie werden Groot- Brittannië en Frankrijk als mandataris aangesteld om deze gebieden te besturen. Jaarlijks moesten zij verslag uitbrengen aan de Volkenbond over de geboekte  voortgang bij de voorbereiding op onafhankelijkheid. Syrië kwam onder Frans  mandaat, Palestina en het olierijke Irak werden Brits.  

Rampjaar  

In de toekomstige mandaatgebieden hadden Arabische nationalistische groeperingen  echter al in juli 1919 het initiatief genomen tot het bijeenroepen van een Algemeen  Syrisch Congres. Na de verkiezingen kwam het Congres bijeen in Damascus. Daar  werd op 8 maart 1920 de Syrische onafhankelijkheid uitgeroepen, in een gebied dat  ook het huidige Palestina en Libanon omvatte. Ook werd emir Faisal tot koning  geproclameerd. Met deze feitelijke situatie werd in San Remo echter geen rekening  gehouden.  

De Fransen besloten hun inmiddels door de Volkenbond gelegitimeerde aanspraken  op Syrië af te dwingen. Hiertoe zonden ze Faisal op 14 juni een ultimatum. Hoewel  Faisal het ultimatum formeel aanvaardde, trokken de Franse troepen op naar  Damascus en maakten een eind aan Faisals kortstondig Syrisch koningschap. De  hierop volgende Franse pacificatie van Syrië ging met veel geweld gepaard. Ook  de vestiging van het Britse mandaat in Palestina en Irak leidde tot veel onrust. Zo  kwam het op Paasavond 1920 tot bloedige anti-joodse rellen in Jeruzalem. In Irak  brak een grote, door de sjiïetische geestelijkheid geïnspireerde, opstand uit, die tot  oktober duurde. Onder de nieuw benoemde Britse Hoge Commissaris in Bagdad,  sir Percy Cox, werd een Arabische regering geformeerd, die als façade moest  dienen voor de Britse heerschappij.  

Teneinde de Britse problemen in het Midden-Oosten te bespreken riep Winston  Churchill, de minister van Koloniën, in maart 1921 in Cairo een conferentie bijeen.  Daar werd besloten om de uit Syrië verjaagde emir Faisal formeel het koningschap  over Irak aan te bieden. Diens broer emir Abdoellah had zich inmiddels met een  kleine troepenmacht in Ma'an gelegerd met de bedoeling om de aanspraken van  zijn familie op het koningschap van Syrië alsnog kracht bij te zetten. Churchill wist  hem echter af te kopen met het emiraat over Trans-Jordanië, dat hiervoor werd  losgemaakt van het mandaatgebied Palestina.  

Met Faisal op de troon in Irak en zijn broer Abdoellah als emir van Trans- Jordanië, beiden onder Brits toezicht, hoopte Groot-Brittannië toch nog iets van de  ereschuld te hebben ingelost, die het jegens de sharif van Mekka en diens familie  voelde. Maar de Arabische nationalisten voelden zich verraden door hun Britse  bondgenoot en waren verontwaardigd over de geschonden beloften. Voor hen was  het jaar 1920, het jaar van San Remo, dan ook Am al Nakba, het rampjaar. Daarbij  vreesden ze de toekomst vanwege het vooruitzicht onder imperialistische (niet- moslimse) Europese overheersing te komen en vanwege de aanstaande joodse  kolonisatie in Palestina.

De Arabische nationalisten hadden gedacht, dat ze zich met Europese steun zouden kunnen bevrijden van de Ottomaanse overheersing,  om vervolgens een onafhankelijke staat te stichten. In plaats daarvan werden ze nu  door hun Europese bevrijders overheerst. Dat het hierbij formeel om een tijdelijke  situatie ging was geen troost: Frankrijk en Engeland leken niet van plan om de  zojuist verworven invloed snel uit handen te geven. De mandaatsperiode, de  periode waarin de Arabische bevolking in eendrachtige samenwerking met de  Fransen of Britten naar onafhankelijkheid toe moest groeien, begon dus vanuit een  situatie met veel achterdocht en tegengestelde eisen. De droom van Arabische  eenheid en vrijheid was vervlogen en veel Arabische nationalisten voelden zich  niet alleen verraden door de Engelsen, maar ook door diegenen die met het Engelse  of Franse mandaatsbestuur samenwerkten.  

Artikel afkomstig uit:

Titel: De ondergang van het Ottomaanse Rijk en de verdeling van het Midden-Oosten
Nummer: Het ontstaan van het moderne Midden-Oosten 1916-1946
Jaargang: 8.1

 Bestel het bijbehorende nummer op onze website: 

 

 

 

 

 

Noten

1. Zie voor de opkomst van het Arabische nationalisme: Albert Hourani, Arabic thought  in the libéralage 1789-1939 (Cambridge 1962); Hamid Enayat, Modernlslamicpolitical  thought (Londen 1982); George Antonius, The Arab awakening (New York 1946).  

2. Lord Kinross, The Ottoman centuries. The rise andfall of the Turkish Empire (New York  1977) legt vooral ook nadruk op de onbekwaamheid van de sultans ten gevolge van hun  afgezonderde opvoeding. Zie voorts: Peter Mansfield, The Ottoman Empire and its  successors (Londen 1973); S. J. en E. K. Shaw, History of the Ottoman Empire and  modern Turkey (Cambridge 1977); M. E. Yapp, The making of the modern Near East  1872-1923 (Londen 1987).  

3. Bernard Lewis, The émergence of modern Turkey (Londen 1961); R. H. Davidson,  Reform in the Ottoman Empire 1856-1876 (Princeton 1963).  

4. F. Ahmed, The Young Turks (Oxford 1969); Zia Gökalp, Turkish nationalism and Western  civilization (New York 1959).  

5. Zie over de Hoessein-MacMahon correspondentie: Elie Kedourie, In the Anglo Arab  labyrinth (Cambridge 1976).  

6. L.Evans, United States policy and the partition of'Turkey 1914-1924 (Baltimore 1965);  M. Kent éd., The great powers and the end of the Ottoman empire (Londen 1984).  15 

Meer weten

Tijdschriften: