De reizen van Zhang Qian

Over de oorsprong van de Zijderoute

 

“After the Han had sent its envoy to open up communications with the state of Daxia (Bactria), all the barbarians of the distant west craned their necks to the east and longed to catch a glimpse of China.”

 

Met deze woorden begint Sima Qian (145-86 voor Christus), de Chinese Herodotus, zijn verslag van Zhang Qian’s reizen naar het verre westen. Zhang Qian (200-114 voor Christus) was een diplomaat die in dienst stond van de Han-dynastie en in opdracht van de Han-keizer contact legde met volken ten westen van China. Tijdens zijn reizen bereikte Zhang Qian het huidige Afghanistan, verkreeg hij betrouwbare informatie over gebieden als India en Mesopotamië en legde hij de basis voor wat later de Zijderoute zou gaan heten. De reizen van Zhang Qian staan opgetekend in de Records of the Grand Historian van de eerder genoemde Sima Qian.

De Han-dynastie, waaronder Zhang Qian diende, was de tweede dynastie die over geheel China heerste en de eerste dynastie die dat langer dan twee generaties volhield. China was aan het einde van de tweede eeuw voor Christus nog een jong keizerrijk. In 221 voor Christus had Qin Shi Huang (259-210 voor Christus), koning van de staat Qin (sreekt uit: tsjin), een aantal cultureel aan elkaar verwante staten in Midden- en Noord-China aan zich onderworpen. Zijn rijk kwam bekend te staan als China. De Qin-dynastie werd echter al snel na Qin Shi Huang’s dood omvergeworpen door de koning van Hanzhong, die de Han-dynastie stichtte. De Han-dynastie was aan het einde van de tweede eeuw voor Christus amper een eeuw oud en China was een welvarend en dynamisch keizerrijk. Het rijk had echter, net als elk ander rijk met lange grenzen, veel externe vijanden. In het zuidwesten leefden de Qiang, in het zuidoosten leefden de Minyue en in het noorden leefden de Xiongnu. Van deze vijanden vormden de Xiongnu de grootste bedreiging.

De Xiongnu waren een stammenfederatie bestaande uit verschillende nomadische herderstammen die leefden in de omgeving van het huidige Mongolië. De stammenfederatie stond onder leiding van de shanyu en bestond waarschijnlijk uit stammen van verschillende oorsprong. Onder de Xiongnu waren mogelijk de voorouders van de Mongolen en de Turken en zelfs enkele Oost-Iraanse stammen. De Xiongnu worden wel eens in verband gebracht met de Hunnen, die vanaf de vierde eeuw na Christus vanuit het verre oosten de Romeinse en Perzische rijken binnenvielen, de oud-Chinese uitspraak van Xiongnu is namelijk ‘Hongnu’. De Han-Chinezen hadden hun handen vol aan de verdediging van hun rijk tegen de Xiongnu. Al onder Qin Shi Huang was er een begin gemaakt aan wat later de Chinese muur zou worden en ook de Han-dynastie droeg bij aan de bouw en reparatie van deze muur. In zijn strijd tegen de Xiongnu zocht de Han-keizer ook bondgenoten. Dit is waar Zhang Qian zijn intrede doet. Zhang Qian kreeg van de Han-keizer Wu de opdracht om een bondgenootschap te sluiten met de Yuezhi. De Yuezhi waren een sedentair Indo-Europees volk dat lange tijd in het huidige Noordwest-China had gewoond, met name aan de oases in de Tarim-woestijn en in de Gansu regio. Ergens in de tweede eeuw voor Christus waren de Yuezhi echter door de Xiongnu verdreven uit hun vaderland. De shanyu van de Xiongnu had de koning van de Yuezhi gedood en een drinkkom van zijn schedel gemaakt. Daarop waren de Yuezhi naar het westen gevlucht, waar zij zich in het huidige Oezbekistan hadden gevestigd. Aangezien de Yuezhi een goede reden hadden om de Xiongnu te haten, hoopte keizer Wu de leiders van dat volk te kunnen overreden een bondgenootschap met hem te sluiten om samen tegen de Xiongnu op te trekken.

In 138 voor Christus trok Zhang Qian, samen met Ganfu, een Xiongnu gids, en negenennegentig metgezellen naar het westen. Om de Yuezhi te bereiken moesten zij gebieden doorkruisen die onder het gezag van de Xiongnu vielen. Deze riskante onderneming viel al spoedig in het water. De shanyu onderschepte de Chinese delegatie en Zhang Qian werd tien jaar door de Xiongnu vastgehouden. Tijdens zijn gevangenschap trouwde Zhang Qian met een Xiongnu vrouw en verwekte hij een zoon bij haar. Hij bleef echter trouw aan de keizer en na tien jaar wist hij samen met zijn vrouw, zijn zoon en zijn gids Ganfu te ontsnappen. Zhang Qian vluchtte westwaarts totdat hij het koninkrijk Dayuan, in de vruchtbare Ferghana-vallei, bereikte. Daar werd hij gastvrij ontvangen door de koning, die hem met gidsen en tolken naar het nieuwe vaderland van de Yuezhi stuurde. De Yuezhi hadden zich inmiddels gevestigd in het vruchtbare gebied tussen de Oxus en de Jaxartes, waar ze een welvarend en vreedzaam bestaan leidden. De zoon van de door de Xiongnu gedode koning van de Yuezhi had bovendien het koninkrijk Daxia onderworpen. Met Daxia werd waarschijnlijk het Hellenistische koninkrijk Bactrië bedoeld, dat in de tweede eeuw voor Christus het territorium van de huidige landen Afghanistan en Tajikistan omvatte. De nieuwe koning van de Yuezhi had geen interesse in een bondgenootschap met de Han-Chinezen, die volgens hem te ver weg leefden. Daarom trok Zhang Qian naar Daxia, waar hij een jaar lang verbleef.

Tijdens zijn verblijf in Daxia verzamelde Zhang Qian informatie over de westelijke staten. Hij beschreef het volk van Dayuan, in de Ferghana vallei, als een sedentair volk dat rijst, graan en druiven verbouwde en in ommuurde steden leefden. Het feit dat er ook buiten China mensen waren die zo’n hoog niveau van beschaving kenden was voor veel Chinezen een openbaring. Gewassen als druiven en alfalfa, die in de Ferghana-vallei groeiden, waren voorheen onbekend in China. De interesse van de Chinezen ging echter vooral uit naar de ‘hemelse paarden’ van Dayuan, die bloed zouden zweten. De paarden kwamen de Chinezen goed van pas in hun strijd tegen de Xiongnu ruiters. Het volk van Daxia zelf (de Greco-Bactriërs) kwam in de ogen van Zhang Qian overeen met het volk van Dayuan. Net als in Dayuan woonden de mensen hier in steden en verbouwden ze gewassen. In tegenstelling tot de Dayuan hadden de Daxia geen centrale leider, maar waren ze verdeeld onder verscheidene stadsheren die onderworpen waren aan de Yuezhi. Bovendien waren de Daxia op militair gebied niet zo sterk, maar waren ze zeer bedreven in de handel. Zhang Qian beschreef ook verscheidene nomadische volken als de Kangju (in Noordwest-Oezbekistan), de Yuezhi (in Zuidoost-Oezbekistan en Tajikistan), de Wusun (in Zuidoost-Kazachstan, mogelijk hetzelfde volk als de Issedonen die door Herodotus genoemd worden) en de Yancai (in West-Kazachstan, mogelijk hetzelfde volk als de Alanen), die qua levenswijze vergelijkbaar waren met de Xiongnu en die goed overweg konden met het paard en de boog.

De grootste staat die door Zhang Qian beschreven werd, was Anxi. Dit was vrijwel zeker het Parthische rijk, dat ongeveer even jong was als het Chinese rijk. Het Parthische rijk wordt beschreven als een zeer groot land met honderden steden, waar rijst, graan en druiven worden verbouwd en waar veel lange afstandshandel plaatsvindt. Zhang Qian maakt melding van de merkwaardige gewoonten van de Anxi om te betalen met zilveren munten waarop het gezicht van de koning afgebeeld staat en om horizontaal te schrijven op repen van leer. Ten westen van Anxi lag Tiaozhi, een dichtbevolkt land met een warm en vochtig klimaat waar rijst verbouwd werd en waar reuzenvogels leefden die eieren legden zo groot als kruiken. De Tiaozhi werden geregeerd door stadsheren die aan de koning van Anxi onderworpen waren. Hoogstwaarschijnlijk wordt met Tiaozhi Mesopotamië bedoeld, dat in die tijd net door de Parthen onderworpen was. Een ander dichtbevolkt land met een warm en vochtig klimaat, dat ten zuidoosten van Daxia lag, was Shendu. De naam Shendu is een opmerkelijk accurate transliteratie van Sindhu, de naam van de Indus-vallei. Het volk van Shendu leefde aan de oevers van een grote rivier en maakte gebruik van krijgsolifanten. Het volk van Daxia importeerde vele luxegoederen uit Shendu, waaronder goederen die afkomstig waren uit China, die zeer geliefd waren. Zhang Qian concludeerde uit de aanwezigheid van Chinese producten in Shendu en uit de ligging van het land dat Shendu niet ver lag van Shu, een regio in Zuidwest-China. Als de Han Chinezen de route tussen Shu en Shendu zouden ontdekken zouden ze een lucratieve handel op kunnen zetten, zo dacht Zhang Qian.

Na een jaar keerde Zhang Qian terug naar China. Op de terugweg werd zijn delegatie wederom onderschept door de Xiongnu, maar dit keer wist hij al snel te ontsnappen samen met zijn gids Ganfu. Na dertien jaar keerde hij terug aan het hof van keizer Wu. Daar bracht hij verslag uit van zijn reis en benadrukte hij dat er in de westelijke staten een grote vraag was naar Chinese producten. Hoewel het hem niet gelukt was om bondgenoten te vinden tegen de Xiongnu, had zijn reis een ander, onverwacht voordeel opgeleverd: hij had een gat in de markt ontdekt dat uiteindelijk zou leiden tot het ontstaan van de Zijderoute. Keizer Wu gaf Zhang Qian de leiding over een delegatie die via Shu Shendu moest zien te bereiken. Deze missie liep echter op niets uit, aangezien de volken die ten zuidwesten van China leefden de Chinese gezanten herhaaldelijk beroofden. De keizer concludeerde dat de weg tussen Shu en Shendu geen geschikte handelsroute was en dat de weg via Dayuan de veiligste weg naar het westen was.

Enkele jaren later stuurde de keizer Zhang Qian nogmaals naar de westelijke staten, ditmaal met een grotere delegatie en een grote karavaan met vee en luxegoederen, om officiële contacten met deze staten aan te gaan. In eerste instantie was dit een succes. In alle staten werd de Chinese delegatie gastvrij ontvangen en de koningen stuurden ook hun eigen gezanten naar China. De Wusun en de Dayuan leverden hun sterke, ‘hemelse’ paarden aan de keizer en de koning van de Wusun trouwde een dochter van de keizer om zijn bondgenootschap met hem te bezegelen. Intussen werd de Chinese muur in westelijke richting uitgebreid, waardoor een groter deel van de Zijderoute beschermd was tegen de plundertochten van de Xiongnu en er een grootschalige lange afstandshandel op gang kon komen. Aangezien de meeste rijke en respectabele Chinezen niet bereid waren een reis naar het verre westen te ondernemen, ronselde de keizer gezanten onder arme Chinezen en misdadigers. Deze gezanten verkochten de goederen die ze van de keizer in bewaring hadden gekregen voor persoonlijk gewin en vertelden de meest fantastische verhalen over het westen in de hoop om voor hun verslagen rijkelijk beloond te worden door de keizer. Hierdoor nam het aanzien van Chinese gezanten zowel in het oosten als in het westen snel af. Steeds meer westelijke staten weigerden de Chinese gezanten gratis voedsel en onderdak te bieden, waardoor het lange reizen hun erg moeilijk werd gemaakt.

De relaties tussen China en het westen bereikten een dieptepunt in 104 voor Christus, toen Chinese gezanten in Dayuan een gouden beeld van een paard vernielden nadat de Dayuan hadden geweigerd nog langer hun hemelse paarden te leveren. De vernieling van het gouden beeld werd gezien als heiligschennis en de gezanten werden ter dood gebracht. De Dayuan dachten dat zij van de verre Han-Chinezen niets te vrezen hadden, maar zij vergisten zich. Keizer Wu stuurde een groot leger naar de Ferghana-vallei, zo’n 2000 kilometer ten westen van het Chinese kernland. Vele soldaten stierven onderweg door gebrek aan voedsel en water en veel hooggeplaatste Chinezen raadden de keizer aan zijn aanval op te geven. De keizer was echter vastberaden de Dayuan te onderwerpen. Hij stuurde versterkingen naar zijn troepen in Dayuan en gaf opdracht Ershi, de hoofdstad van Dayuan, te belegeren. Na een belegering van veertig dagen doodden de Dayuan hun koning en stuurden zijn hoofd naar de keizer van China. Ze boden de keizer een zwaar tribuut, waarop de Chinezen zich terugtrokken. Dayuan onderwierp zich wederom aan China en de contacten met het westen werden weer aangehaald. De weg naar het westen lag nu open en de handelsnetwerken van oost en west waren nu verenigd in een handelsnetwerk dat bekend zou komen te staan als de Zijderoute.

Bibliografie

 

Sima Qian (1993): Records of the grand historian: Han dynasty (vertaald door Burton Watson). Hong Kong: Research Centre for Translation, Chinese University of Hong Kong; New York: Columbia University Press.

Meer weten

Tijdschriften: