Een onvoltooid verleden

Waarom verzoening tussen Japan en Zuid-Korea over de Japanse oorlogsmisdaden uitblijft.

Oorlogsmisdaden laten diepe sporen na in een samenleving. De Japanse misdaden die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gepleegd liggen nog zeer gevoelig in Zuid-Korea. Zogenaamde ‘troostmeisjes’ (gedwongen prostituees) en dwangarbeiders eisen genoegdoening, oftewel erkenning voor het leed dat hen is aangedaan. De Japanse staat is echter nauwelijks bereid om slachtoffers tegemoet te komen. Zal er ooit verzoening over deze oorlogsmisdaden plaatsvinden?

Matthijs van der Beek

Op 14 december 2011 was het weer een drukte van belang voor de ambassade van Japan in de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoel. Onder aanvoering van enkele zogenaamde troostmeisjes, meisjes en vrouwen die als seksslavinnen de moraal van de Japanse soldaten moesten opkrikken, protesteerden honderden Zuid-Koreanen tegen de Japanse regering. De demonstratie is inmiddels een wekelijks ritueel en op veertien december kwamen zij voor de duizendste maal bijeen.[1] Na twintig jaar actie voeren zijn de eisen van de troostmeisjes voor genoegdoening van misdaden ten tijde van de Tweede Wereldoorlog nog altijd niet ingewilligd. De voormalige seksslavinnen vormen overigens geen uitzondering in dit opzicht. Ook verschillende groepen Koreaanse dwangarbeiders hebben grote problemen ondervonden om genoegdoening te krijgen voor het leed dat hun is aangedaan.

Tot op de dag van vandaag blijven er spanningen bestaan tussen de Zuid-Koreaanse en Japanse staat over voornamelijk de laatste fase van het koloniale verleden. Korea was tussen 1910 en 1945 namelijk een kolonie van Japan. Na de Tweede Wereldoorlog besloten de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie het schiereiland te verdelen in een noordelijk en zuidelijk deel. Het Noorden werd bezet door troepen van de Sovjet-Unie, terwijl het Zuiden onder Amerikaans zeggenschap kwam te staan. De misdaden van de Japanners die tijdens de Tweede Wereldoorlog plaatsvonden, staan niet op zichzelf, maar zijn onderdeel van een langer proces van koloniale onderdrukking en expansiedrift. Deze bredere context is dan ook van groot belang wanneer men zich afvraagt hoe het komt dat tot op heden nog geen verzoening tussen Japan en Zuid-Korea heeft plaatsgevonden over de misdaden die gepleegd zijn ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

Voor het bereiken van verzoening moeten deze staten aan twee criteria voldoen. Enerzijds moeten de betrokken partijen, daders en slachtoffers, overeenstemming bereiken over de historische feiten.[2] Anderzijds moeten de slachtoffers en nabestaanden genoegdoening, oftewel eerherstel voor geleden onrecht ontvangen. De relatie is dan eigenlijk genormaliseerd. Maar waarom heeft deze normalisatie nog niet plaatsgevonden? Wat voor rol speelden de pogingen van de slachtoffers hierin? En hoe zit het met de representatie van het verleden in de Japanse schoolboeken?

Slachtoffers van de Japanse expansiedrift

Op basis van getuigenissen wordt aangenomen dat de rekrutering van troostmeisjes in ieder geval teruggaat tot 1932, vlak na de inval van Japan in Mantsjoerije.[3] Destijds bestond er zowel in Japan als in het gekoloniseerde Korea een uitgebreid prostitutiesysteem. De patriarchale samenleving schiep volgens de Amerikaanse antropoloog Chunghee Sarah Soh het milieu waarin de opmaat naar een troostmeisjessysteem mogelijk was. Een cruciale gebeurtenis vormde de Slachting van Nanking in 1937, waar Japanse soldaten zich schuldig maakten aan de verkrachting van naar schatting 20.000 tot 80.000 vrouwen en de moord op meer dan 300.000 Chinese burgers. Omdat dergelijke verkrachtingen het gevaar van represailles met zich meebrachten, besloot de Japanse staat om trooststations op te richten. Met de verspreiding van de oorlog over Zuidoost-Azië na de aanval op Pearl Harbor in 1941 nam het ‘gebruik’ van troostmeisjes in de bezette gebieden sterk toe. Ongeveer 80% van de circa 200.000 tot 400.000 troostmeisjes waren van Koreaanse afkomst.[4] De keuze voor Koreaanse meisjes was niet vreemd. Zij waren immers wel de Japanse, maar niet de Chinese taal machtig en konden daarom niet als spion worden ingezet door het Chinese leger. Bij de rekrutering en het onderhoud van de trooststations waren niet alleen Japanse soldaten en bordeelhouders betrokken, maar ook Koreanen.[5] 

Japanse leerlingen mochten niet geconfronteerd worden met de wandaden van de Japanse natie

 

Naast dit ‘gebruik’ van troostmeisjes maakte de Japanse staat op grote schaal gebruik van dwangarbeiders, wat in een historische context gezien moet worden. Al sinds de Eerste Wereldoorlog droegen Koreaanse arbeiders bij aan de oorlogsindustrie. Gedurende de koloniale periode nam de migratie van Koreaanse arbeiders naar de Japanse industriesteden Osaka, Hiroshima, Nagasaki en Fukuoka sterk toe.[6] Er ontstond namelijk een grote vraag naar arbeiders toen de oorlog tegen China uit 1937 uitmondde in een wereldoorlog. Daarnaast kende het Koreaanse schiereiland een hoge werkloosheid en was er sprake van een zogeheten ‘assimilatiepolitiek’ onder de koloniale overheid, die zich kenmerkte door culturele onderdrukking en golven van geweld. Migratie naar Japan bood de mogelijkheid om deze slechte omstandigheden te ontlopen en een redelijk bestaan op te bouwen[7] Van de ongeveer zeven miljoen Koreaanse arbeiders werden er zo’n 720.000 tot één miljoen overzees tewerkgesteld.[8] Binnen deze ‘overzeese’ arbeiders kunnen mijns inziens drie specifieke slachtoffergroepen worden onderscheiden. De eerste groep bestaat uit arbeiders die hun lonen niet kregen uitbetaald, mishandeld werden of het leven verloren als gevolg van de slechte leef- en werkomstandigheden. De tweede groep betreft dwangarbeiders op het eiland Sakhalin, die na afloop van de oorlog niet mochten repatriëren naar Zuid-Korea. Tot slot kan men Koreaanse dwangarbeiders woonachtig in Hiroshima en Nagasaki onderscheiden, die het slachtoffer werden van de atoombommen waarmee de Verenigde Staten Japan tot capitulatie dwongen.

Troostmeisjes vechtend voor erkenning

Voor een goede analyse van het verzoeningsproces van het seksueel misbruik van de Zuid-Koreaanse troostmeisjes is het belangrijk om onderscheid te maken tussen twee perioden. De eerste periode betreft de Koude Oorlog, toen Zuid-Korea door een autoritair regime werd bestuurd. Zowel op internationaal als op interstatelijk niveau bestonden er destijds mogelijkheden om af te rekenen met de verantwoordelijken voor de dwangprostitutie. De betrokken staten handelden echter in eigen belang en hadden daarbij geen oog voor de troostmeisjes. De tweede periode loopt van de jaren negentig van de afgelopen eeuw tot het heden, waarin Zuid-Korea democratiseerde en de troostmeisjes zelf actie ondernamen. Vanaf deze periode kreeg de strijd voor erkenning van het leed van de troostmeisjes, die ook uit andere Aziatische landen en zelfs uit Nederland afkomstig waren, een internationaal karakter.[9]

De eerste mogelijkheid om Japanse oorlogsmisdadigers te straffen voor het seksueel misbruik van de troostmeisjes bood het Internationaal Militair Tribunaal van het Verre Oosten (IMVTO). Dit proces vond van 3 mei 1946 tot 12 november 1948 plaats in Tokio, onder leiding van de Verenigde Staten. Op basis van het internationaal recht was het al mogelijk om dwangprostitutie te bestraffen. Zo gold sinds 1922 een internationaal verbod op slavernij[10], maar konden seksueel misbruik en deportatie ook gezien worden als schendingen van het familierecht in de Conventies van Den Haag van 1899 en 1907.[11] De Verenigde Staten besloten desondanks om de Japanse kopstukken die terecht stonden hoofdzakelijk te vervolgen voor misdaden tegen de vrede. Deze vorm van ‘overwinnaarsgerechtigheid’ voorkwam dat het Amerikaanse leger beschuldigd kon worden van soortgelijke misdaden als het Japanse leger. Zo hadden Amerikaanse soldaten in het bezette Japan, hetzij op veel kleinere schaal, gebruik gemaakt van Japanse troostmeisjes. Zodoende valt te begrijpen waarom het seksueel misbruik van de Koreaanse troostmeisjes tijdens het proces niet ter sprake kwam. Dit kon namelijk een precedent scheppen voor latere vervolging.[12]

Nadat de Amerikaanse bezetting van Japan (1945-1952) was beëindigd, kwamen er onderhandelingen tussen Japan en Zuid-Korea op gang met als doel de diplomatieke relatie te verbeteren. Uiteindelijk sloten beide staten in 1965 een normaliseringsverdrag. President Park Chung-hee van Zuid-Korea ging akkoord met een compensatie van 300 miljoen dollar en deed afstand van verdere claims in de toekomst. De autoritaire leider negeerde daarbij de oppositie in de Nationale Vertegenwoordiging die allesbehalve toenadering wilde.[13]  Het geld gebruikte Park allerminst om de troostmeisjes tegemoet te komen, maar investeerde hij hoofdzakelijk in economische projecten en infrastructuur.[14] Hoewel wederopbouw na de Koreaanse Oorlog (1950-1953) noodzakelijk was, is de rechtmatigheid van dit verdrag vanwege de ondemocratische totstandkoming in de jaren negentig ter discussie komen te staan.

In een Japans geschiedenis-boek uit 2005 werd gesproken over ‘pro-fessionele prostituees’ in plaats van troost-meisjes

 

Een omwenteling vond plaats toen Kim Hak-sun in 1991 na decennialange stilte haar memoires als troostmeisje naar buiten bracht. Zij doorbrak daarmee de schaamtecultuur waarin troostmeisjes min of meer werden gezien als collaborateurs met de Japanse bezetter. De publicatie gaf impuls aan een publiek debat en zorgde indirect voor de opkomst van een nationale en internationale beweging van troostmeisjes.[15]  Zowel in Japan als in de Verenigde Staten spanden voormalige troostmeisjes rechtszaken aan om financiële compensatie te krijgen. Deze rechtszaken liepen echter uit op een fiasco. De meeste Japanse rechtbanken hadden namelijk niet de jurisdictie om een staat te vervolgen op basis van het soevereine immuniteitsprincipe.[16] In de Verenigde Staten was dit wel mogelijk, maar waren rechters mede door politieke druk van het kabinet-Bush niet bereid om de betrekkingen met Japan te beschadigen.[17] 

Nu ging het de troostmeisjes allerminst om economisch gewin, maar bovenal om erkenning van hun leed door de Japanse staat. Zij hebben de Japanse staat dan ook meerdere malen verzocht om zich te verontschuldigen. Een complete verontschuldiging bestaat uit de erkenning van de feiten, oprechtheid en instemming van beide partijen. Ook is het belangrijk wie de verontschuldiging maakt.[18] Tot op heden heeft Japan verschillende verontschuldigingen gemaakt sinds 1992, maar deze waren stuk voor stuk gebrekkig.[19] Het meest tekenende voorbeeld was de verontschuldiging van de Japanse premier Abe Shinzo op 27 maart 2007. Abe had grote ophef veroorzaakt toen hij de dwangprostitutie in het parlement ontkende, waarna hij drie weken later weliswaar zijn excuses aanbood maar de Japanse staat niet als expliciete dader noemde.[20] Geregeld laaien de protesten dan ook weer op. Ook de Zuid-Koreaanse staat oefent volgens de troostmeisjes te weinig druk uit op Japan. Voor Japan bestaat het gevaar dat een complete verontschuldiging kan leiden tot hoge schadeclaims, omdat de staat zich dan in feite wettelijk aansprakelijk stelt voor de oorlogsmisdaden. Niet voor niets wijst Japan steeds op het normaliseringsverdrag van 1965, dat een serieus obstakel is gaan vormen voor de troostmeisjes.

Gering succes van dwangarbeiders

Ook de dwangarbeiders strijden al jaren voor erkenning van hen aangedane oorlogsmisdaden. De eerste groep slachtoffers, arbeiders die hun lonen niet kregen uitbetaald, mishandeld werden of het leven verloren als gevolg van de slechte leef- en werkomstandigheden, zochten genoegdoening voor ‘werkgerelateerde’ oorlogsmisdaden, zoals onbetaalde lonen, mishandeling en verloren familieleden. Tijdens het IMVTO (1946-1948) hadden de Japanse kopstukken vervolgd kunnen worden voor slavernij, maar dit gebeurde niet. Pas begin jaren negentig vormde deze groep slachtoffers in het kielzog van de troostmeisjes een sociale beweging om de dwangarbeid onder de aandacht te brengen. Net als in het geval van de troostmeisjes strandden rechtszaken tegen de Japanse staat in Japan en de Verenigde Staten. Succesvoller bleken rechtszaken tegen Japanse bedrijven die gebruik hadden gemaakt van dwangarbeiders, zoals Nippon Steel en Kajima Kumi. Deze zaken leidden tot akkoorden buiten de rechtbank om.  [21] Op die manier konden deze bedrijven negatieve publiciteit voorkomen en de onzekerheid over een mogelijk hogere schadevergoeding wegnemen.[22]  Daarnaast heeft de Zuid-Koreaanse regering in 2004 een waarheidscommissie opgericht om de dwangarbeiders en nabestaanden te identificeren, zodat zij aanspraak kunnen maken op gelden uit de compensatieregeling.[23] Hiermee was een nieuwe stap in het verzoeningsproces gezet, waarin de eigen regering werkelijk actie ondernam.

[caption id="" align="alignleft" width="180"]//farm7.staticflickr.com/6203/6036963183_ccf0767cdf.jpg Monument voor Koreaanse atoombomslachtoffers in het Vredespark van Hiroshima.[/caption]

Voor de dwangarbeiders die tijdens de oorlog werkzaam waren geweest in de mijnen op het eiland Sakhalin, de tweede slachtoffergroep, lag de situatie complexer. Sakhalin kwam na de oorlog namelijk in handen van de Sovjet-Unie. Circa 43.000 Koreaanse dwangarbeiders bleven achter toen de Sovjet-Unie de Straat van Soya enkele maanden na de oorlog afsloot. Niet langer konden dwangarbeiders via het Japanse eiland Hokkaido naar Noord- of Zuid-Korea terugkeren. De Japanse staat ontnam hen bovendien het Japanse staatsburgerschap, waarmee zij feitelijk afstand deed van verantwoordelijkheid voor de terugkeer van deze dwangarbeiders naar Japan.[24] Het uitbreken van de Koreaoorlog en de spanningen van de Koude Oorlog maakten de mogelijkheid op terugkeer vrijwel nihil. Noord-Korea voorkwam dat de Sovjet-Unie in 1973 akkoord ging met een voorstel van de Japanse premier Tanaka Kakuei om de terugkeer van Zuid-Koreaanse families te bewerkstelligen. De spanningen tussen het communistische Noord-Korea en het Amerikaansgezinde en kapitalistische Zuid-Korea waren hier bepalend.[25] Zuid-Korea was eveneens niet bereid om op te draaien voor de hoge kosten. Pas in 1989 sloot het land een akkoord met Japan om enkele Koreanen van de eerste generatie naar Zuid-Korea terug te brengen. Nadien hebben beide landen voorzien in de terugkeer en huisvesting van een paar duizend voormalige dwangarbeiders en lijkt verzoening een feit.[26] Uiteraard heeft de decennialange uitzichtloosheid en achtergestelde positie in de communistische samenleving haar sporen nagelaten bij deze dwangarbeiders.

De laatste groep betreft de Zuid-Koreaanse dwangarbeiders die het slachtoffer waren van de atoombommen. Naar schatting kwamen tussen de 30.000 en 60.000 Koreanen om het leven.[27] Overlevenden van de atoombommen, bekend onder de Japanse naam ‘hibakusha’, hadden medische verzorging van verwondingen en stralingsziektes nodig. Waar de Japanse overlevenden van Hiroshima en Nagasaki na de bezetting recht hadden op verzorging, werden de Koreaanse hibakusha echter uitgesloten. Om die reden richtten de Zuid-Koreaanse slachtoffers in 1967 gezamenlijk een organisatie op, die zowel medische verzorging als compensatie eiste.

Wederom wees de Japanse staat op het normaliseringsverdrag van 1965.[28]  Uiteindelijk bood een uitspraak van het Hooggerechtshof van Tokio in 1978 perspectief: de Japanse staat had de morele verplichting om de Koreaanse slachtoffers schadeloos te stellen. Twee jaar later ontstond er daarom de mogelijkheid om jaarlijks vijftig slachtoffers naar Japan te laten komen voor medische verzorging. Hier was natuurlijk maar een klein gedeelte van de slachtoffergroep mee geholpen. Begin jaren negentig ging de Japanse staat echter een flinke stap verder door 32,5 miljoen dollar bij te dragen aan het Zuid-Koreaanse Rode Kruis.[29]

De Koreaanse slachtoffers van de atoom-bommen pasten niet in het verhaal van het leed van de Japanse natie

 

De hibakusha verkeerden niet alleen in deze lange impasse omdat de kosten voor hun medische verzorging zo hoog waren, maar ook omdat zij niet in het algemene beeld van de bombardementen op Japan pasten. Na de Amerikaanse bezetting kwamen de atoombommen in Japan centraal te staan voor het leed van de Japanse natie; de Koreaanse slachtoffers pasten niet dit verhaal omdat dit de aandacht zou vestigen op de koloniale wandaden. Toen de Zuid-Koreaanse gemeenschap in 1970 bijvoorbeeld een monument in het Vredespark te Hiroshima wilde plaatsen, wees de plaatselijke gemeente dit verzoek af. Het typisch Koreaanse monument in de vorm van een schildpad, dat symbool staat voor het eeuwige, mocht pas dertig jaar later binnen het park geplaatst worden.[30]

De Japanse schoolboeken-kwestie en het toekomstperspectief

Dat de verschillende slachtoffergroepen zoveel moeilijkheden hebben ervaren om genoegdoening te krijgen, is mede te begrijpen in het licht van de Japanse schoolboekenkwestie. In de afgelopen dertig jaar zijn hevige conflicten ontstaan naar aanleiding van de publicatie van nieuwe schoolboeken. De zeer invloedrijke rechts-nationalistische Liberaal Democratische Partij verscherpte in 1982 de censuur, zodat de genoemde oorlogsmisdaden in het vervolg verzwegen of onderbelicht werden.[31] Toen begin jaren negentig nieuwe feiten boven tafel kwamen over het troostmeisjessysteem, leek een oplossing nabij. Het Japanse ministerie van Onderwijs verplichtte uitgevers om een verwijzing naar dit systeem op te nemen. Er kwam echter een tegenbeweging op gang onder aanvoering van professor Fujioka Nobukatsa.Hij vond het onverantwoord dat leerlingen op middelbare scholen geconfronteerd werden met de wandaden van de Japanse natie. Zij moesten immers trots kunnen zijn op hun land.[32] In 2005 liepen de spanningen tussen de twee staten  hoog op toen in De Nieuwe Geschiedenis (Atarashii Rekishi Kyōkasho) werd gesproken over professionele prostituees’ in plaats van troostmeisjes die onder dwang werkten. Zuid-Korea stemde uit verontwaardiging tegen een permanente zetel van Japan in de VN-Veiligheidsraad.[33]

Verzoening lijkt op deze manier vooralsnog buiten bereik. Toch zijn er sinds 2002 enkele gezamenlijke onderzoeksprojecten gestart met als doel een transnationale geschiedenis te schrijven waarmee beide staten kunnen leven. Dit is een allesbehalve eenvoudige opgave, zoals blijkt uit de ervaringen van de Koreaans-Japanse Historische Onderzoeksgroep. Daar verwijten Koreaanse historici hun Japanse collega’s dat zij de historische feiten over het troostmeisjessysteem ontkennen. Andersom betichten Japanse historici de Koreaanse zijde van een anti-Japanse houding aangezien zij geen aandacht besteden aan het verzoeningsproces en de verschillende verontschuldigingen die zijn gemaakt.[34] Desondanks biedt een voortdurende discussie over historische feiten hoop. Hoewel consensus over de historische feiten het meest ideale scenario is, is het ook erg onwaarschijnlijk. Dankzij deze discussies kan men echter mogelijk meer begrip opbrengen voor het feit dat beide partijen een andere kijk op de geschiedenis en de functie van het onderwijs hebben. Dit zou een eerste goede stap voorwaarts zijn in het verzoeningsproces.

Conclusie

Tot op heden hebben de verschillende Koreaanse slachtoffergroepen slechts in zeer beperkte mate genoegdoening kunnen krijgen voor het leed dat hen is aangedaan. Ruim 65 jaar na dato wordt de kans op volledige genoegdoening steeds kleiner. Zowel de Japanse als de Zuid-Koreaanse staat worstelen met het verleden en blijken nauwelijks bereid te zijn om de slachtoffers tegemoet te komen. De Japanse staat heeft wel concessies gedaan om spanningen met het buurland te verminderen, maar is niet van plan om wettelijke verantwoordelijkheid te dragen voor de oorlogsmisdaden. De nationalistische kijk op de geschiedenis is mede van invloed op het beleid van de Japanse regeringen. Ook de Zuid-Koreaanse staat heeft, zeker onder de verschillende autoritaire regimes, nauwelijks tot geen aandacht geschonken aan de verschillende slachtoffergroepen. Zo waren de troostmeisjes pas ná de democratisering in staat om hun herinneringen aan het seksueel misbruik openbaar te maken binnen de heersende schaamtecultuur. Op eigen initiatief probeerden de troostmeisjes en dwangarbeiders om genoegdoening te krijgen, waarbij zij lang niet altijd op de volle steun van de eigen regering konden rekenen.

Ook de internationale gemeenschap heeft weinig bijgedragen aan het verzoeningsproces. De Verenigde Staten pasten zogenaamde ‘overwinnaarsgerechtigheid’ toe tijdens het Internationaal Militair Tribunaal van het Verre Oosten, zodat koloniale wandaden van Japan tegenover Korea niet aan de orde kwamen. De spanningen tijdens de Koude Oorlog vertraagden het verzoeningsproces en zorgden er bijvoorbeeld voor dat de repatriatie van dwangarbeiders van het eiland Sakhalin werd uitgesteld. Ruim twintig jaar na het Oost-West-conflict is de roep om genoegdoening weliswaar geïnternationaliseerd, maar is het twijfelachtig of andere invloedrijke staten zoals China bereid zijn meer druk uit te oefenen op Japan. De samenwerking van Zuid-Korea met andere Aziatische staten die het slachtoffer zijn geworden van het Japanse expansionisme, is tot op heden onderbelicht in de literatuur en verdient meer aandacht. Een eenduidige oplossing is gezien het transnationale karakter van de Japanse oorlogsmisdaden niet zomaar te noemen. Toch zouden méér wederzijds begrip in gemeenschappelijk historisch onderzoek en een meer betrokken houding van de verschillende staten al stappen in de goede richting zijn.


Matthijs van der Beek (23) is masterstudent Internationale Betrekkingen in Historisch Perspectief. Zijn interesse gaat uit naar diplomatie, mensenrechten, oorlog en technologie. Dit artikel kwam voort uit zijn essay voor het onderzoeksseminar ‘The guilt of nations: De verwerking van historische schendingen van mensenrechten op nationaal en internationaal niveau’.

 

Afkomstig uit:

Titel: Historisch Tijdschrift Aanzet
Nummer: 1
Jaargang: 28

 

Kijk voor meer informatie op onze website::

 

Voetnoten

Het is in zowel Korea als Japan gebruikelijk om personen eerst bij de achternaam en vervolgens bij de voornaam te noemen. In dit artikel houd ik deze weergave aan.

[1]    S. Park en M. Chung, ‘1000th Wednesday rally held’ http://www.koreatimes.co.kr/www/news/nation/2011/12/116_100802.html (7-10-2012).

[2] S. Dwyer, ‘Reconciliation for realists’, Ethics and International Affairs 13 (1999) 85. Dwyer vindt dat het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk verhaal in dit opzicht belangrijker is dan het achterhalen van de historische feiten.

[3] C.S. Soh, ‘The Korean “Comfort Women” tragedy as structural violence’, in: G. Shin, S. Park & D. Yang (eds.), Rethinking injustice and reconciliation in North-east Asia : the Korean experience (Londen 2006) 27-8. Als bewijs geldt de getuigenis van Choe Il-rye, die op zestienjarige leeftijd werd gerekruteerd door Japanse militairen en vervolgens dertien jaar lang als troostmeisje in Mantsjoerije moest werken.

[4] B. Ars, Troostmeisjes: Verkrachting in de naam van de keizer (Amsterdam 2000) 27-34.

[5] Y. Tanaka, Japan’s Comfort Women: Sexual slavery and prostitution during World War II and the US occupation (Londen en New York 2002) 37, 45-46.

[6] M. Weiner, ‘The representation of absence and the absence of representation: Korean victims of the atomic bomb’, in: M. Weiner (ed.), Japan’s Minorities: The Illusion of Homogeneity (Londen en New York 2004) 84-88.

[7] N. Hisako, ‘Korean Forced Labor in Japan’s Wartime Empire’, in: P.H. Kratoska (ed.),  Asian Labor in the Wartime Japanese Empire (Singapore 2005) 93.

[8] S. Park, ‘The politics of remembrance: The case of Korean forced laborers in the Second World War’, in: G. Shin, S. Park & D. Yang (eds.), Rethinking injustice and reconciliation in North-east Asia : the Korean expe-rience (Londen 2006) 56.

[9] Ongeveer 300 Nederlandse troostmeisjes waren in het door Japan bezette Nederlands-Indië het slachtoffer van seksueel misbruik.

[10] L. Hein, ‘War Compensation: Claims against the Japanese Government and Japanese Corporations for War Crimes’, in: J. Torpey (ed.), Politics and the Past. On Repairing Historical Injustices (Lanham, Boulder, New York en Oxford 2003) 133-37.

[11] A.R. Ahmed, ‘The Shame of Hwang v. Japan: How the International Community has failed Asian’s “Comfort Women”’, Texas Journal of Women and the Law 14 (2004) 130-6; P. Schmidt, ‘Japan’s Wartime Compensation: Forced Labour’,  Asia-Pacific Journal on Human Rights and the Law (2000) 45-47.

[12] Tanaka, Japan’s Comfort Women, 133-50.

[13] C.J. Eckert, K. Lee, Y.I. Lew, M. Robinson & E.W. Wagner, Korea Old and New : A History (Seoel 1990) 363.

[14] Park, ‘The Politics of Remembrance’, 69-70.

[15] Soh, The Comfort Women, 91, 127-28, 176-77.

[16] S. Umeda, ‘Japan: WWII POW & Forced Labor Compensation Cases’ http://loc.gov/law/help/japan-wwii-pow.pdf (7-10-2012) 7.

[17] Ahmed, ‘The Shame of Hwang v. Japan’, 141-42; L.D. Nefouse, ‘Trials & Errors: The Rights of the Korean Comfort Women and the Wrongful Dismissal of the Joo Case by the District of Columbia Federal Courts’, Korean Journal of International and Comparative Law 33 (2005) 1-28; C.W. Ling, ‘Walking the Long Road in Solidarity and Hope: A Case Study of the “Comfort Women” Movement’s Deployment of Human Rights Discourse’, Harvard Human Rights Journal 22 (2009) 83-90.

[18] R.E. Howard Hassmann, ‘Official Apologies’, 9-13. Artikel geschreven voor conferentie Facing the Past: International Conference on the Effectiveness of Remedies for Grave Historical Injustices, Utrecht, 27-28 mei 2010.

[19] J.W. Yamazaki, Japanese Apologies for World War II : A rethorical study (Londen en New York 2006) 59-63.

[20] ‘Japan PM apology on sex slaves’ http://news.bbc.co.uk/2/hi/asia-pacific/6495115.stm (7-10-2012); ‘Troostmeisjes’ http://www.eenvandaag.nl/binnenland/31882/troostmeisjes (7-10-2012).

[21]     Park, ‘The Politics of Remembrance’, 61-63.

[22] C. Ryngaert, ‘Finding Remedies for Historical Injustices: Dealing with Organizations and Corporations’ http://ghum.kuleuven.be/ggs/publications/working_papers/new_series/wp31-... (6-1-2012) 8-19.

[23] ‘Japan said to confirm pension records of forced Korean laborers’ http://english.yonhapnews.co.kr/national/2009/12/30/54/0301000000AEN2009... (7-10-2012).

[24] K. Choi, ‘Forced Migration of Koreans to Sakhalin and their Repatriation’, Korea Journal (2004) 111-20.

[25] P. Schmidt, ‘Japan’s Wartime Compensation: Forced Labour’, Asia-Pacific Journal on Human Rights and the Law (2000) 22-23; Choi, ‘Forced Migration of Koreans to Sakhalin and their Repatriation’,  123-24.

[26] A. Lankov, ‘Forgotten People: The Koreans of the Sakhalin Island in 1945-1991’ http://www.nkeconwatch.com/nk-uploads/Lankov-Sakhalin-2010.pdf (7-10-2012) 12.

[27] Weiner, ‘The representation of absence and the absence of representation’, 90-91.

[28] Schmidt, ‘Japan’s Wartime Compensation’, 27-28.

[29] Weiner, ‘The representation of absence and the absence of representation’, 83, 91-102.

[30] L. Hein en M. Selden, ‘Fifty Years After the Bomb: Commemoration, Censorship and Conflict’, Economical and Politcal Weekly 32:32 (1997) 2011-12; I. Buruma, The Wages of Guilt : Memories of War in Germany and Japan (Londen, 2009) 96-99, 106-11; Mindy Haverson, ‘Memory and Memorial : How the Hiroshima Bombing and its Korean Victims have Shaped and Challenged Postwar Japan Identity’, Stanford Journal of East Asian Affairs (2010) 69-80.

[31] Y. Nozaki, War Memory, Nationalism, and Education in Postwar Japan, 1945-2007 : The Japanese history textbook controversy and Ienaga Saburo’s court challenges (Londen 2008) 73-74, 86-87, 137-38.

[32]  Soh, The Comfort Women, 169-73.

[33] D. Hundt & R. Bleiker, ‘Reconciling Colonial Memories in Korea and Japan’,  Asian Perspective 31:1 (2007) 75-77.

[34] ‘Still Poles Apart : Korea, Japan Should Keep Narrowing Historical Perception Gap’ http://www.koreatimes.co.kr/www/news/opinon/2010/03/137_62929.html (7-10-2012); ‘Japan, S. Korea researchers at odds over forced labor, ‘comfort women’’ http://www.japantimes.co.jp/text/nn20100324a3.html (7-10-2012).

Meer weten