Geen afbeelding beschikbaar

Freeport-McMoRan in Papua

Een mijngigant gedwongen tot verantwoord ondernemerschap

Het Amerikaanse mijnbedrijf Freeport-McMoRan heeft sinds de aanleg van een goud- en kopermijn in de Indonesische provincie Papua te maken gehad met protesten tegen zijn aanwezigheid in de regio. Het bedrijf heeft zich hier decennialang niets van aangetrokken, maar in de jaren negentig wijzigde Freeport zijn koers. Het bedrijf startte met programma's die de ecologische, sociale en economische zorgen van de bevolking serieus namen en compensatie boden. Verschillende wetenschappers suggereren dat de gewelddadige protesten tegen Freeport de oorzaak zijn van de koerswijziging. Dit artikel betoogt echter dat er ook andere, meer plausibele verklaringen gegeven kunnen worden.

Jeanrique Fahner

In het geïsoleerde berggebied van de Indonesische provincie Papua beheert het Amerikaanse mijnbedrijf Freeport-McMoRan de grootste goudmijn ter wereld. Decennialang opereerde Freeport in Papua zonder veel aandacht te besteden aan de ecologische en sociaal-economische gevolgen van de mijnbouw. Dit leidde tot grote protesten onder de lokale bevolking, de Amungme, en de rebellenbeweging Organisasi Papua Merdeka (OPM). Gezamenlijk organiseerden zij gewelddadige protesten tegen Freeport, die het bedrijf geregeld dwongen de mijn te sluiten tot het Indonesische leger de rust hersteld had. Rond het midden van de jaren negentig begon Freeport meer aandacht te besteden aan de bezwaren van de lokale bevolking. De directie realiseerde zich dat ze een maatschappelijke verantwoordelijkheid had ten aanzien van de sociaal-economische en ecologische  gevolgen van de mijnbouw.[1] Was deze koerswijziging het gevolg van toenemende protesten van de Amungme en de OPM? Of bieden andere vormen van pressie, zoals negatieve publiciteit en juridische maatregelen, een betere verklaring voor Freeports beleidswijzigingen in het midden van de jaren negentig?[2] Kortom, waarom was Freeport in het midden van de jaren negentig tot deze koerswijziging bereid?

Freeports koerswijzigingen in de jaren negentig

In de jaren zestig slaagde Freeport erin een voordelig mijncontract te sluiten met het Indonesische regime van Suharto.[3] In 1967 begon de winning van goud- en kopererts op de zogenaamde Ertsberg en in 1988 opende Freeport een tweede, grotere mijn, de zogenaamde Grasberg. Beide mijnen bleken uitzonderlijk winstgevend en leverden gigantische opbrengsten op voor zowel het bedrijf als de Indonesische overheid. Tegelijkertijd had de ertswinning grote gevolgen voor de natuurlijke omgeving van de mijnen en voor de oorspronkelijke inwoners van het gebied, de Amungme. Zij werden niet geraadpleegd toen Freeport en de Indonesische overheid hun contract sloten. De aanspraken van de Amungme op het grondgebied werden genegeerd, terwijl de aanleg van de open mijnen en ontzagwekkende infrastructurele voorzieningen leidde tot grote schade aan het voor de Amungme heilige berglandschap. Daarnaast had het dumpen van mijnafval, de residuen van omhooggewerkte ertsen waaraan het goud en koper onttrokken waren, grote gevolgen voor de rivierdelta's ten zuiden van de mijnen. Freeport betoogde dat de dumping enkel een versnelling van natuurlijke processen betekende, maar in werkelijkheid leidde deze manier van werken tot verzilting en overstromingen in de laaglanden. De mijnbouw had ook grote sociaal-economische gevolgen. In samenwerking met de Indonesische regering zorgde Freeport ervoor dat de oorspronkelijke bewoners van het berggebied naar lager gelegen gebieden verhuisd werden. De Amungme konden hierdoor hun traditionele zelfvoorzienende levenswijze niet voortzetten. Protesten tegen Freeport werden door het Indonesische leger gewelddadig neergeslagen, waarbij het bedrijf het leger van allerlei praktische steun voorzag. Volgens de Australische onderzoeker Denise Leith was de relatie tussen het leger en Freeport zo nauw dat buitenstaanders nauwelijks onderscheid konden maken tussen het leger en het veiligheidspersoneel van het bedrijf.[4]

Rond het midden van de jaren negentig vond een koerswijziging plaats in het beleid van Freeport. Het bedrijf begon zich te realiseren dat de ecologische, sociale en economische zorgen van de lokale bevolking serieus genomen moesten worden. In antwoord op deze zorgen richtte Freeport twee fondsen op: het Land Rights Fund, dat compensatie voor onteigende grond moest gaan leveren, en het One Percent Fund, dat één procent van de jaarlijkse opbrengst van Grasberg zou besteden aan ziekenhuizen, klinieken, scholen, beurzen en noodhulp. Om de ecologische schade van de mijnbouw te beperken, ontwikkelde Freeport een nieuw systeem van dammen in de benedenloop van de rivier waarin het mijnafval gestort werd. Tenslotte begon Freeport zich ook publiekelijk te distantiëren van het Indonesische leger. Met een als eenmalig bedoelde subsidie van 35 miljoen dollar probeerde het bedrijf het leger in staat te stellen voor eigen voorzieningen in het mijngebied te zorgen. Het eigen veiligheidspersoneel kreeg een verplichte voorlichting over mensenrechten en diende een verklaring hierover te ondertekenen. De koerswijzigingen van de jaren negentig tonen dat Freeport bereid was geworden zich meer als verantwoord ondernemer op te stellen in Papua. Binnen het bedrijf groeide het besef dat de formele legaliteit van de mijnbouw niet voldoende was om ook de legitimiteit ervan te garanderen. Was dit besef het gevolg van toenemende protesten en demonstraties in het mijngebied?

Gewelddadig protest

De eerste contacten tussen Freeport en de Amungme waren voorzichtig, maar over het algemeen vriendelijk.[5] Dit veranderde snel toen het bedrijf daadwerkelijk met de mijnbouwprojecten begon. De Amungme raakten teleurgesteld toen bleek dat Freeport zich met goedkeuring van de Indonesische overheid meester maakte van hun grondgebied, zonder dat ze daar enige compensatie voor ontvingen. Gedurende de jaren zeventig en tachtig kwam het verzet verschillende malen tot een gewelddadige uitbarsting, waarbij de protestvoerders toegangswegen blokkeerden, gebouwen in brand staken en pijpleidingen vernielden.

In deze periode begon ook de onafhankelijkheidsbeweging Organisasi Papua Merdeka (OPM) zich tegen de aanwezigheid van Freeport te verzetten. Deze beweging, die ook tegenwoordig nog actief is, bestrijdt de incorporatie van Papua in Indonesië en is een voortvloeisel van het onafhankelijkheidsstreven dat reeds onder de Nederlandse overheersing van het toenmalige Nieuw-Guinea wijdverbreid was onder de inheemse bevolking. Nadat het bestuur van de regio in 1963 werd overgedragen aan Indonesië en deze overdracht in 1969 door een omstreden referendum bekrachtigd werd, ontwikkelde de OPM zich als een militante verzetsbeweging die gekant was tegen de Indonesische aanwezigheid in Papua.[6] De Freeportmijn werd al snel één van de belangrijkste doelwitten van de OPM. In de ogen van de beweging stond de mijn symbool voor de Indonesische onderdrukking van de Papua's en de roof van hun natuurlijke grondstoffen. Samen met de lokale bevolking probeerde de OPM door middel van gewelddadig protest een einde te maken aan de mijnbouw. In de jaren zeventig en tachtig werden de protesten door het Indonesische leger gewelddadig neergeslagen. Door middel van represailles tegen de lokale bevolking en bombardementen op dorpen wist het leger de opstandelingen steeds voor enige tijd af te schrikken.

In de zomer van 1994 kwam het protest tegen Freeport tot een nieuwe uitbarsting. De OPM organiseerde separatistische demonstraties in de Tsinga Vallei, ongeveer 60 kilometer verwijderd van de Grasbergmijn. Tijdens deze demonstraties werd de Morgenster gehesen, de verboden vlag van de onafhankelijkheidsbeweging. Bovendien voerden de rebellen, gewapend met pijl en boog en enkele machinegeweren, aanvallen uit op Indonesische legerposten. Kelly Kwalik, de toenmalige leider van de OPM, verklaarde dat ook Freeport zou worden aangevallen aangezien het mijnbedrijf de volken van Papua had beroofd en uitgebuit.[7] Het Indonesische leger stuurde versterkingen naar de regio en de gevechten tussen het leger en de OPM breidden zich uit. Op kerstmorgen 1994 trok een grote volksmenigte uit de omringende dorpen naar de door Freeport gebouwde mijnstad Tembagapura. Ze droegen traditionele wapens en zongen strijdliederen terwijl ze de Morgenster met zich meedroegen. Onverwachts opende het Indonesische leger het vuur op de demonstranten. Tientallen burgers werden daarbij gedood. In het voorjaar van 1996 sloeg de OPM opnieuw toe door een groep wetenschappers tijdens een expeditie te gijzelen. De leider van de gijzeling, Kwalik, eiste onafhankelijkheid voor Papua en een beëindiging van Freeports mijnbouw. Terwijl het Indonesische leger de gijzelaars ontzette door middel van een grootschalige militaire campagne, braken nieuwe protesten uit in het Freeportgebied. Duizenden Papua's vielen de gebouwen en infrastructuur van het bedrijf aan. Freeport was genoodzaakt de mijn enige tijd te sluiten totdat het Indonesische leger de orde had hersteld. Op dat moment was het mijngebied één van de meest gemilitariseerde zones van Indonesië geworden.

Verschillende wetenschappers hebben gesuggereerd dat Freeports beleidswijzigingen van de midden jaren negentig een antwoord vormden op het gewelddadige protest dat in de jaren 1994-1996 plaatsvond.[8] Zowel de Amungme en de OPM waren verontwaardigd over het optreden van Freeport en wilden dat de mijn gesloten zou worden. De oprichting van de fondsen en de verdere beleidswijzigingen kunnen gezien worden als een concessie van het bedrijf aan de oorspronkelijke bevolking van het mijngebied. In een rapport uit 1996 verklaarde Freeport inderdaad dat het bedrijf zijn ontwikkelingsbeleid wilde wijzigen na de 'onlusten': 'company executives, Indonesian Government officials and tribal leaders have met on several occasions since these disturbances to discuss issues related to development at and around the mine site, the effect of development on the indigenous people, and the opportunities available to the indigenous people to participate in and benefit from that development'.[9] Het sussen van de spanningen was in Freeports belang, zeker omdat de protesten leidden tot grote materiële schade aan de faciliteiten van het bedrijf en tot onderbrekingen van het productieproces.

Toch is het twijfelachtig of Freeport zich werkelijk bedreigd voelde door het gewelddadige protest van de Amungme en de OPM. Het bedrijf kon altijd vertrouwen op de bescherming van het Indonesische leger, waarvan de militaire suprematie buiten kijf stond. De OPM kon het leger weliswaar dwarszitten met een guerrilla vanuit de jungle, maar een militaire overwinning van de opstandelingen was uitgesloten. Het voortbestaan van Freeports investeringen was daarom nooit werkelijk in gevaar. Het bedrijf presenteerde de beleidswijzigingen van het midden van de jaren negentig weliswaar als een tegemoetkoming aan de inheemse bevolking, maar vertrouwde in werkelijkheid waarschijnlijk vooral op de aanwezigheid van het Indonesische leger. Het gewelddadige protest alleen voldoet daarom niet als verklaring voor Freeports koerswijzigingen.

Negatieve publiciteit

In de wetenschappelijke literatuur over Freeport is de toenemende kritiek van NGO's en internationale media de meest genoemde verklaring voor Freeports overgang naar verantwoord ondernemerschap. Volgens de Australische wetenschapper Denise Leith bestaat dit idee ook binnen het bedrijf zelf: '[s]ome within the company have grudgingly and unofficially acknowledged that credit must be given to the activism of the NGOs because that activism forced the company to accept social responsibility'.[10] In het midden van de jaren negentig slaagden sommige NGO's er inderdaad in de aandacht van internationale media op Freeport te vestigen.

Vóór die tijd was het voor NGO's moeilijk om effectief campagne te voeren tegen Freeport, omdat ze een gebrek hadden aan informatie vanuit het mijngebied. De NGO WALHI, een coalitie van Indonesische milieugroeperingen, had bijvoorbeeld moeite om de geruchten van ernstige milieuvervuiling door Freeport te staven met bewijs uit het gebied. De toegang tot de zone werd zwaar bewaakt en zonder toestemming van het bedrijf kon niemand de mijn bezoeken. Internationale journalisten werden enkel toegelaten wanneer zij bereid waren door Freeport geëscorteerd te worden en van de faciliteiten van het bedrijf gebruik te maken. De oorspronkelijke bewoners van het gebied waren veelal ongeletterd en beschikten niet over communicatiekanalen met de buitenwereld. Bovendien trachtten de autoriteiten de Papua’s door intimidatie het zwijgen op te leggen. Het gevolg was dat Freeport binnen de zone kon opereren zonder onafhankelijk toezicht door NGO's of media.[11]

De Australische organisatie Australian Council for Overseas Aid (ACFOA) wist Freeports onaantastbaarheid in 1995 te doorbreken. In april publiceerde ACFOA een rapport met de titel 'Trouble at Freeport' waarin verschillende ooggetuigenverslagen van de opstanden van 1994 waren opgenomen. Het rapport beschreef onder meer hoe het veiligheidspersoneel van Freeport in samenspel met het Indonesische leger had geschoten op de betogers in Tembagapura. Volgens de ACFOA waren deze verschrikkingen 'but the latest in a history of bad relations between Freeport Indonesia and the local Amungme people whose traditional lands were appropriated when the mine commenced in 1967'.[12] Het rapport benadrukte hoe moeilijk het was geweest om specifieke details over het functioneren van Freeport te verkrijgen. Een onbekende had het rapport gefaxt naar Matthew Jamieson, een Australische onderzoeker met connecties met Papua-activisten. Deze vertaalde en bewerkte het document en schakelde ACFOA in voor de publicatie.

Het ACFOA-rapport kreeg wereldwijde aandacht vanwege de gedetailleerde weergave van de ooggetuigenverslagen. Geruchten over mensenrechtenschendingen in het Freeportgebied hadden nu een gezaghebbende bevestiging gekregen. Opvolgende rapporten werden gepubliceerd door de katholieke kerk van Jayapura, de Indonesische mensenrechtencommissie Komnas HAM en internationale mensenrechtenorganisaties. Freeport ontkende elke betrokkenheid bij de mensenrechtenschendingen die in deze rapporten beschreven werden. Enkel het Indonesische leger was verantwoordelijk voor de veiligheid in het gebied, volgens het bedrijf. Dat Freeport wettelijk verplicht was om het leger bij te staan met voedsel, transport en onderdak betekende niet dat het bedrijf zelf betrokken was in de conflicten tussen het leger en de bevolking.

De betrokkenheid van Freeport bij de mensenrechtenschendingen door het Indonesische leger is nog altijd een controversiële kwestie. Afgezien daarvan staat vast dat de rapporten van de ACFOA en andere organisaties wereldwijd de aandacht op Freeport vestigden. Het is aannemelijk dat dit gevolgen heeft gehad voor het beleid van Freeport. Volgens Denise Leith is de toenemende publiciteit over Freeport de belangrijkste oorzaak van de koerswijzigingen in het midden van de jaren negentig. Zij benadrukt dat Freeport zich nu internationaal moest verantwoorden tegenover beschuldigingen van mensenrechtenschendingen, milieuvervuiling en sociaal-economische uitbuiting. Het bedrijf kon daardoor niet anders dan een meer verantwoord beleid gaan voeren, aldus Leith.[13]

Toch moet het causale verband tussen negatieve publiciteit en beleid niet als vanzelfsprekend worden aangenomen. Uit bedrijfskundig onderzoek is gebleken dat niet alle bedrijven op dezelfde manier reageren op negatieve publiciteit. Terwijl sommige bedrijven toegeven aan critici, kiezen andere ervoor om de kritiek te negeren. Daarbij is onder meer van belang in hoeverre de reputatie van het bedrijf een onderscheidend kenmerk is van de geleverde producten en in hoeverre reputatieschade gevolgen heeft voor de opbrengsten van het bedrijf.[14] Deze inzichten suggereren dat de mijnbouw relatief ongevoelig is voor negatieve publiciteit.[15] Vanwege de ecologische gevolgen die onvermijdelijk aan mijnbouw verbonden zijn, hebben bedrijven in deze sector vanouds een slecht imago in de publieke opinie. De opbrengst van mijnbouwbedrijven is echter relatief immuun voor consumentenacties zoals boycots, aangezien mijnbouwbedrijven nauwelijks afhankelijk zijn van particuliere consumenten.

In het licht van deze inzichten is het twijfelachtig waarom Freeport gevoelig zou zijn geweest voor de negatieve publiciteit die in het midden van de jaren negentig over het bedrijf werd uitgestort. Zelfs wanneer het bedrijf wel enig belang had bij een goed imago in de publieke opinie, is het niet meteen duidelijk waarom het ook bereid was om hiervoor kostbare beleidswijzigingen door te voeren, zoals de oprichting van de fondsen en de bouw van dammen stroomafwaarts van de mijn. Zolang aan de negatieve publiciteit geen economische consequenties verbonden waren, was deze vermoedelijk slechts van beperkt belang voor Freeport.

Juridische maatregelen

Sommige van Freeports critici slaagden er midden jaren negentig in om pressie op het bedrijf uit te oefenen die wél directe financiële consequenties had. Zo dagvaardde Tom Beanal, een leider van de Amungme, Freeport in april 1996 voor een rechtbank in de Verenigde Staten. Zijn aanklacht volgde een serie van gelijksoortige rechtszaken in de Verenigde Staten en elders. Hoewel de zaak uiteindelijk na jaren van processen door Freeport gewonnen werd, bieden internationale juridische ontwikkelingen in de jaren negentig een overtuigende verklaring voor Freeports koerswijzigingen in Papua.

Rond 1980 begonnen tal van belangenbehartigers in de Verenigde Staten druk uit te oefenen op westerse bedrijven door middel van dagvaardingen in Amerikaanse rechtbanken. Door middel van zogenaamde foreign direct liability-zaken probeerden deze aanklagers westerse bedrijven aansprakelijk te stellen voor schendingen van milieu-, arbeids- en mensenrechten begaan door hun dochterbedrijven elders in de wereld.[16] Men vond de juridische basis voor deze aanklachten in een obscure federale wet uit 1789 die bekend stond als de Alien Tort Statute. Deze wet, oorspronkelijk waarschijnlijk aangenomen om Amerikaanse rechtbanken rechtsmacht te verschaffen over piraterij en slavenhandel, werd eeuwenlang nauwelijks ingeroepen maar in 1980 herontdekt en op creatieve wijze op het handelen van multinationals toegepast. In de loop van de jaren negentig vormde de Alien Tort Statute de basis voor spraakmakende processen tegen onder meer de Amerikaanse bedrijven Texaco en Unocal.[17] In dezelfde periode vonden vergelijkbare ontwikkelingen plaats in Australië, waar het Australische mijnbouwbedrijf BHP werd gedagvaard vanwege de milieuschade die de Ok Tedi-mijn in Papua New Guinea veroorzaakte. Na een aantal uitspraken ten gunste van de eisers kwamen zij met BHP een schikking overeen die het bedrijf verplichtte om een compensatiefonds op te richten en ecologische maatregelen te treffen.[18]

De juridische ontwikkelingen in de Verenigde Staten en Australië leidden tot een toenemend risico voor multinationals op aanklachten in hun thuisland, zelfs wanneer deze bedrijven zich formeel gezien aan de wetten van het gastland hielden.[19] Dit risico gold ook voor Freeport. Evenals de lokale bevolking in het Ok Tedi-gebied waren de Amungme woedend over de ecologische en sociaal-economische gevolgen van de mijnbouw door Freeport. Toen de situatie in Papua in het midden van de jaren negentig wereldwijde bekendheid kreeg, was een aanklacht tegen Freeport in een Amerikaanse rechtbank een zeer reële mogelijkheid geworden. Freeports beleidswijzigingen in het midden van de jaren negentig zijn goed te verklaren vanuit dit risico. Het bedrijf anticipeerde op juridische maatregelen die steeds waarschijnlijker werden. In 1996 bleek dat de Amungme zich inderdaad tot Amerikaanse rechtbanken gingen wenden. Tom Beanal eiste een schadevergoeding van zes miljard dollar voor de Amungme vanwege Freeports betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen, eco-terrorisme en culturele genocide. De aanklachten werden uiteindelijk na jarenlange processen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen. Op dat moment had Freeport reeds belangrijke koerswijzigingen in Papua doorgevoerd.

Rechtszaken waren niet de enige juridische bedreigingen waar Freeport in de jaren negentig mee te maken kreeg. Freeports verzekeraar voor politieke risico's, de Overseas Private Investment Corporation (OPIC), liet het bedrijf in de zomer van 1995 weten dat het van zins was Freeports polis te beëindigen vanwege geruchten over milieuvervuiling in Papua. Op 31 oktober besloot OPIC om het contract inderdaad op te zeggen. Volgens de verzekeraar had Freeport de overeenkomst geschonden door meer mijnafval te dumpen dan was overeengekomen en leidde dit tot onacceptabele ecologische risico's. De Britse wetenschapper Roger Moody betoogt dat de opzegging van de polis niet veel effect kan hebben gehad op Freeport. Volgens hem was de verzekering vooral bedoeld om Freeports investeringen te beschermen tijdens de riskante beginfase van de mijnbouw. In het midden van de jaren negentig was het door OPIC verzekerde bedrag van honderd miljoen dollar nog slechts een fractie van de totale waarde van Grasberg. Op dat moment had de verzekering weinig betekenis meer voor Freeport, aldus Moody.[20]

Toch suggereren de reacties van Freeport na de opzegging van de polis een ander beeld. Inderdaad bagatelliseerde het bedrijf publiekelijk het financiële belang van de verzekering. Tegelijkertijd startte Freeport echter een arbitrageprocedure om de opzegging aan te vechten. Daarnaast begon het bedrijf met OPIC te onderhandelen, hetgeen resulteerde in een akkoord op 19 april 1996. Hierin zegde Freeport toe een fonds op te richten voor ecologisch herstel van het mijngebied en gaf het bedrijf OPIC de bevoegdheid om toezicht te houden op het milieubeleid rond Grasberg. Hieruit blijkt dat Freeport wel degelijk bereid was om toe te geven aan OPICs eisen om de verzekering terug te krijgen. Vermoedelijk was de polis juist van groot financieel belang voor het bedrijf vanwege de toenemende schade door gewelddadig protest in het mijngebied. In deze context was OPIC in staat om succesvol druk uit te oefenen op het bedrijf.

Conclusie

Van de drie externe factoren die in dit artikel zijn onderzocht lijken juridische maatregelen de beste verklaring te zijn voor Freeports koerswijzigingen in het midden van de jaren negentig. Het toenemende succes van foreign direct liability-zaken in de Verenigde Staten en Australië vergrootte het risico op een succesvolle aanklacht tegen Freeport vanwege het beleid in Papua. Daarnaast voerde Freeports verzekeraar OPIC de druk in 1995 verder op door de verzekering van het bedrijf te annuleren wegens het milieubeleid rond de Grasbergmijn. Toegeven aan de externe roep om een meer verantwoord beleid was in deze context een logische stap voor Freeport. De juridische en daarmee financiële risico's van het tot dan toe gevoerde beleid waren te groot geworden.

Ook na de koerswijzigingen van het midden van de jaren negentig zijn Freeports projecten in Papua controversieel gebleven. In december 1998 publiceerde de Amungme-organisatie LEMASA een verbitterde verklaring over Freeport: '[u]p to today, the mining subsidiary of the giant US corporation Freeport McMoRan Copper and Gold Inc. has failed to make any serious attempt to reach a just solution to the demands of the Amungme people arising from the many sufferings that have resulted from the activities of Freeport on our ancestral land'.[21] Een tegengestelde visie wordt, vanzelfsprekend, uitgedragen door Freeport. Het bedrijf benadrukt dat de erts die in Grasberg gewonnen wordt over de hele wereld bijdraagt aan economische ontwikkeling en vooruitgang. In 1996 schreef een voormalige leidinggevende van Freeport: ‘[t]he cash generated by our mine sends ripples flowing outward – first through Irian Jaya, and then through the rest of Indonesia'.[22] De vraag of Freeports beleid voldoende maatschappelijk verantwoord geworden is, kan moeilijk door een historicus beantwoord worden. De idealen van de Amungme zijn dermate verschillend dat een werkelijke verzoening tussen beide zeer onwaarschijnlijk lijkt. Het is echter de vraag of de opbrengsten van Freeport boven de belangen van de lokale bevolking gesteld mogen worden.

Afkomstig uit:

Titel:  Historisch Tijdschrift Aanzet
Nummer:  1
Jaargang:  29

Kijk voor meer informatie op onze website::

Voetnoten

[1] P.A. Rifai-Hasan, ‘Development, power, and the mining industry in Papua: a study of Freeport Indonesia’, 89 Journal of Business Ethics 2 (2009) 129-143, 138. Zie voor het begrip 'maatschappelijk verantwoord ondernemen' o.a. Kenneth E. Goodpaster (red.), Corporate responsibility. The American experience (Cambridge 2012).

[2] De koerswijzigingen lijken niet afdoende verklaard te kunnen worden uit interne ontwikkelingen binnen het bedrijf. Zie S. Prakash Sethi e.a., ‘Freeport-McMoRan Copper & Gold, Inc.: an innovative voluntary code of conduct to protect human rights, create employment opportunities, and economic development of the indigenous people’, 103 Journal of Business Ethics 1 (2011) 1-30, 6-7.

[3] Het moederbedrijf van de Freeport-groep heet tegenwoordig Freeport-McMoRan Copper & Gold, Inc. (FCX). Gedetailleerde informatie over het bedrijf kan op de website www.fcx.com gevonden worden. In dit artikel wordt de naam Freeport zowel voor het moederbedrijf als voor lokale dochterondernemingen gebruikt.

[4] Denise Leith, The politics of power. Freeport in Suharto's Indonesia (Honolulu 2003) 232.

[5] Forbes Wilson, The conquest of copper mountain (New York 1981) 299.

[6] Zie hierover verder o.a. Jim Elmslie, Irian Jaya under the gun. Indonesian economic development versus West Papuan nationalism (Honolulu 2002); Pieter Drooglever, Een daad van vrije keuze. De Papoea's van westelijk Nieuw-Guinea en de grenzen van het zelfbeschikkingsrecht (Amsterdam 2005); Esther Heidbüchel, The West Papua conflict in Indonesia. Actors, issues and approaches (Wettenberg 2007).

[7] Australian Council for Overseas Aid, ‘Trouble at Freeport. Eyewitness accounts of West Papuan resistance to the Freeport-McMoRan mine in Irian Jaya (West Papua), Indonesia and Indonesian military repression: June 1994-1995’ (1995), beschikbaar via UTWatch, http://www.utwatch.org/corporations/freeportfiles/acfoa.html.

[8] Zie bijv. P.A. Rifai-Hasan, ‘Development, power, and the mining industry in Papua: a study of Freeport Indonesia’, 89 Journal of Business Ethics 2 (2009) 129-143, 135.

[9] Freeport-McMoran Copper & Gold, 'Annual securities and exchange report, 1996', beschikbaar via Freeport, http://phx.corporate-ir.net/phoenix.zhtml?c=63811&p=irol-sec.

[10] Denise Leith, The politics of power. Freeport in Suharto's Indonesia (Honolulu 2003) 132.

[11] Al Gedicks, Resource rebels. Native challenges to mining and oil corporations (Cambridge 2001) 99.

[12] Australian Council for Overseas Aid, ‘Trouble at Freeport. Eyewitness accounts of West Papuan resistance to the Freeport-McMoRan mine in Irian Jaya (West Papua), Indonesia and Indonesian military repression: June 1994-1995’ (1995), beschikbaar via UTWatch, http://www.utwatch.org/corporations/freeportfiles/acfoa.html.

[13] Denise Leith, The politics of power. Freeport in Suharto's Indonesia (Honolulu 2003) 6-7, 101.

[14] Debora L. Spar and Lane T. La Mure, 'The power of activism. Assessing the impact of NGOs on global business', 45 California Management Review 3 (2003) 78-101.

[15] Hevina S. Dashwood, The rise of global corporate social responsibility. Mining and the spread of global norms (Cambridge 2012) 1-2.

[16] Halina Ward, ‘Securing transnational corporate accountability through national courts: implications and policy options', 24 Hastings International and Comparative Law Review 3 (2000-2001) 451-474.

[17] Zie Liesbeth F.H. Enneking, Foreign direct liability and beyond. Exploring the role of tort law in promoting international corporate social responsibility and accountability (The Hague 2012). Inmiddels is deze toepassing van de Alien Tort Statute geblokkeerd door het Amerikaanse Hooggerechtshof in de uitspraak van 17 april 2013 in de zaak Kiobel v. Shell.

[18] Glenn Banks en Chris Ballard (red.), The Ok Tedi settlement: issues, outcomes and implications (Canberra 1997).

[19] David Scheffer en Caroline Kaeb, 'The five levels of CSR compliance: the resiliency of corporate liability under the Alien Tort Statute and the case for a counterattack strategy in compliance strategy', 29 Berkeley Journal of International Law 1 (2010) 334-397.

[20] Roger Moody (red.), The risks we run. Mining, communities and political risk insurance (Utrecht 2005) 9.

[21] LEMASA, 'Resolution on the lawsuit against Freeport', 12 December 1998, beschikbaar via UTWatch, http://www.utwatch.org/corporations/freeportfiles/lemasa-981214.html

[22] George A. Mealey, Grasberg. Mining the richest and most remote deposit of copper and gold in the world, in the mountains of Irian Jaya, Indonesia (New Orleans 1996) 345.

Meer weten