Het nationaal bereik van Jan van Speijk. Een radicale daad als bron van nationaal besef, 1831-1832.

Dann schwebt das Götterkind auf in die Lüfte,Dann senkt es nieder sich zum Ruhmesport.[1]

Anders dan deze hooggestemde regels suggereren, is het niet aannemelijk dat de bezongen held, luitenant-ter-zee Jan van Speijk (1802-1831), zelf daadwerkelijk de lucht is in gegaan toen hij op 5 februari 1831 bij Antwerpen zijn kanonneerboot met bemanning en al opblies.

Auteur:Jacques de Jong

Dat laat onverlet dat hij een daad stelde die in Nederland maar ook daarbuiten grote indruk maakte. Nog maar enkele weken daarvoor was in Londen de scheiding uitgesproken van Noord en Zuid ten koste van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In het verkleinde Nederland ontketende Van Speijk met zijn actie een golf van nationale extase. Hij verwierf hiermee op slag een heldenstatus die hem verzekerde van een monumentaal graf in de Nieuwe Kerk aan de Dam in Amsterdam, dezelfde kerk waar anderhalve eeuw eerder Michiel de Ruyter zijn laatste rustplaats had gevonden.

Wat maakte dat deze jonge, onbekende marineofficier zich van de ene op de andere dag kon ontpoppen als nationale held van ongekend kaliber? Om hier iets over te kunnen zeggen, is het wenselijk te onderzoeken hoe de gebeurtenis destijds is overgeleverd en herdacht. Dit onderzoek strekt zich uit over de periode van zijn zelfgekozen dood tot zijn officiële begrafenis, vijftien maanden later. Verder maakt het uitzonderlijk karakter van zijn daad een verkenning vooraf gewenst, namelijk van de vaderlandcultus zoals die zich na de Franse tijd en in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden had ontwikkeld – een cultus waarmee Van Speijk als kind van zijn tijd was opgegroeid. 

Vaderlandcultus

‘Barst los! Den boezem lucht gegeven!’

Met die hartenkreet riep de gevierde Rotterdamse dichter Hendrik Tollens zijn vakgenoten op de dichtader rijkelijk te laten vloeien, toen in de laatste maanden van 1813 de Fransen zich terugtrokken uit de Nederlanden. Zijn oproep ging vergezeld van de instructie het dichtwerk geheel te wijden aan ‘Holland’ en het ‘vaderlandsch gevoel’.[2] Al dan niet naar aanleiding van dit initiatief kwam nog voor 1814 een indrukwekkende stroom gelegenheidspoëzie op gang, die in het teken stond van liefde voor het vaderland en vreugde over de herkregen nationale vrijheid. Ook gevoelens van innige verbondenheid met het Huis van Oranje werden volop geuit. Verschillende dichters opperden dat het vaderland een wedergeboorte beleefde, terwijl de zojuist uit Engeland teruggekeerde prins Willem Frederik, de latere koning Willem I, werd ingehaald als verlosser van het vaderland. Zulke uitingen van civiele religie vormden welkome bouwstenen voor een vaderlandcultus in ontwikkeling en al gauw fungeerde de dichtkunst als drijvende kracht achter die ontwikkeling.

Gedichten waren destijds niet zozeer bedoeld als leesstof maar meer om te worden voorgedragen en aangehoord. Nieuw dichtwerk werd bij voorkeur gepresenteerd in de kring van een genootschap, een omgeving waarin de vaderlandcultus uitstekend kon gedijen.[3] Ook elders in de maatschappij kon vaderlandpoëzie haar goede diensten bewijzen omdat het aankweken van liefde voor vorst en vaderland weldra tot de wettelijke taken van (hervormde) kerk en (lager) onderwijs ging behoren.[4] Zo werd langs private én publieke weg gewerkt aan het vestigen en uitbouwen van een vaderlandcultus. Toch bleef die cultus, alle scheppende productiviteit van vaderlandse dichters ten spijt, enkele zwakke punten vertonen.

‘Waar zijt gij, Trompen! Ruiters! Waar?’

Dat het Franse juk niet was afgeschud maar afgegleden,[5] had tot gevolg dat de ‘wedergeboorte’ van het vaderland niet met heldendaden uit het jongste verleden kon worden gestaafd. Het contrast met de roemrijke geboorte van de oude Republiek werd door menig vaderlands dichter als pijnlijk ervaren, zoals mag blijken uit bovenstaande retorische vraag van Rhijnvis Feith.[6] Terugblikkend op 1813 bekende zijn geestverwant Katharina Schweickhardt in ‘Nederlands eer hersteld’ dat zij de praalgraven van de grote nationale helden uit schaamte had gemeden, immers: 

Het bloed dat gy voor ons vergoot,

Moest elk Bataaf op ’t harte gloeien:

Gy kocht ons vrijheid voor uw dood;

En wy, wy sneefden niet, maar torschten slavenboeien![7]

Gelukkig was in 1815 gebeurd wat de titel van haar gedicht verklaart: een goeddeels in de Nederlanden gerekruteerd leger onder bevel van kroonprins Willem had zich onderscheiden door zijn aandeel in de finale tegen Napoleon. De getoonde offerbereidheid en gebrachte offers op de slagvelden van Quatre-Bras en Waterloo leverden alsnog de helden die het vaderland in 1813 had moeten ontberen. De meesten van hen bleven anoniem, maar dat gold natuurlijk niet voor de kroonprins. Als ‘held van Quatre-Bras’ zorgde hij ervoor dat de positie van Oranje in de vaderlandcultus verder werd versterkt. Dat hij in de strijd gewond was geraakt, inspireerde Willem Bilderdijk tot versregels waarin het vergoten Oranjebloed werd getransformeerd tot ‘[d]e Wel, waar Neêrlands heil uit sproot!’[8]

De inspiratie die de dichtkunst uit Waterloo putte, bleek evenwel geen opmaat tot structurele vernieuwing van de vaderlandcultus. Hoewel beide landsdelen van het prille Verenigd Koninkrijk, Noord én Zuid, zij aan zij slag hadden geleverd, werd die eendracht niet beklonken met een verbreding van het vaderlandconcept. Historisch zwaartepunt in de vaderlandcultus bleef het glorietijdperk van de Republiek,[9] een verleden waar het Zuiden geen deel aan had gehad. Het uitblijven van vernieuwing werd verder in de hand gewerkt door het feit dat het vaderlanddiscours een typisch Noord-Nederlandse aangelegenheid was; dichters uit het Zuiden kwamen daar nauwelijks aan te pas.[10] Wel leverde de prijsvraag die koning Willem I had uitgeschreven om tot een samenbindende historische canon te komen, in 1829 twee bekroonde inzendingen op waarin serieus een Groot-Nederlands perspectief was gezocht.[11] Dit zette echter geen zoden meer aan de dijk voor de vaderlandcultus want die zou weldra aan veel zwaardere tegenkrachten blootstaan. 

‘Wie zal in de Historieblaân /naast Maurits, Fredrik, Willem staan?’

De Belgische Opstand die eind augustus 1830 was uitgebroken, ontketende in Noord-Nederland vooral gevoelens van verontwaardiging en vrees: verontwaardiging over de ondankbaarheid jegens koning Willem I, die zich immers onvermoeibaar had ingezet voor de verheffing en bloei van het op sleeptouw genomen Zuiden; vrees gevoed door het angstvisioen dat de opstandelingen zich ook aan de erfgrond van ‘Oud-Nederland’ zouden vergrijpen. Dit laatste scenario viel namelijk af te leiden uit een koninklijke proclamatie die trouwe burgers opriep zich alvast te wapenen.[12] Het vaderlandse dichtersgilde was niet het aangewezen gremium om de Noord-Nederlandse gemoederen tot bedaren te brengen en propageerde eensgezind een ‘heilige strijd voor het vaderland’.[13] Dat was niet aan dovemansoren gezegd. De eerste strijders marcheerden in september af naar het Zuiden, als burgervrijwilligers in een leger dat later die maand Brussel binnentrok om op te treden tegen het ‘afgevallen, muitziek rot’.[14] De vaderlandcultus, die het sinds Waterloo zonder externe impulsen had moeten stellen, was opeens weer springlevend, maar kreeg aansluitend wel een gevoelige knauw. De Brusselse missie liep namelijk op een mislukking uit, militair én diplomatiek, wat tegelijk het imago van de hierbij betrokken Oranjeprinsen danig aantastte. Vooral kroonprins Willem, die vervolgens nog naar het leiderschap van de afscheidingsbeweging zou dingen, had het helemaal verbruid.[15]

Eind september 1830 had ook Jan van Speijk zich naar het Zuiden begeven, maar dan als marineofficier met het bevel over Z.M. kanonneerboot No. 2. Vanaf 23 oktober maakte dit vaartuig met zijn dertigkoppige bemanning deel uit van het eskader dat de Schelde ter hoogte van Antwerpen geblokkeerd hield.[16] Juist in die dagen ontwikkelde Antwerpen zich door de komst van ongeregelde bevrijdingstroepen tot nieuwe brandhaard van de Opstand. Op 27 oktober werd Boot 2, die het dichtst bij de wal lag, door opstandelingen onder vuur genomen en wel zo hevig dat Van Speijk besloot het vijandelijk vuur met zwaar geschut te beantwoorden, een voorbeeld dat de andere kanonneerboten van de weeromstuit volgden.[17] Hoewel het flottielje daarmee buiten zijn boekje was gegaan – vanuit de nabijgelegen citadel had opperbevelhebber generaal David baron Chassé geen toestemming gegeven de geldende wapenstilstand te verbreken – werd het bombardement van Antwerpen achteraf volledig gerechtvaardigd. Toen het eenmaal geëscaleerd was, had de citadel trouwens intensief aan dit bombardement deelgenomen, niet alleen met bommen en granaten maar ook met brandkogels die de stad op tal van plaatsen in vuur en vlam zetten[18].

In zijn boodschap na afloop aan de marine-eenheid in de Schelde bezigde Chassé de kapitale aanhef ‘ZEEHELDEN!’ en stelde hij met voldoening vast ’dat het heldenbloed van uwe voorvaderen in ruime mate in uwe aderen stroomt’. Enkele weken later werden Van Speijk en een aantal anderen benoemd tot ‘Ridder der Militaire Willems Orde, van de 4de klasse’, wegens betoonde moed, beleid en trouw.[19] De ‘tuchtiging’ van Antwerpen werd na de deconfiture van Brussel enthousiast onthaald in Noord-Nederland,[20] waar een van de vaderlandse dichters de door hemzelf opgeworpen vraag ‘Wie zal in de Historieblaân / naast Maurits, Fredrik, Willem staan?’ enigszins voorbarig beantwoordde met: ‘Chassé, Chassé, Chassé!’[21] ‘Van Speijk’ was eind 1830 in ieder geval nog geen bekende naam.

Na de verlossing van het Franse juk had het vaderland eigentijdse helden aanvankelijk node gemist, een leemte waarin de ‘held van Quatre-Bras’, die bovendien Oranjetelg was, in 1815 adequaat had voorzien. Voor het overige bleef het heldenpantheon bezet door oude helden om de eenvoudige reden dat zich geen nieuwe meer hadden aangediend. Door het dubbelhartige optreden van de kroonprins in 1830 was van zijn toch al wat verwelkte heldenstatus niets meer overgebleven, met als gevolg dat de vaderlandcultus qua heroïek weer terug was bij af. Hoezeer Noord-Nederland tijdens de Belgische Opstand naar nieuwe helden uitzag, was tot uiting gekomen in de bewondering alom voor Chassé en in de gretigheid waarmee Chassé zelf het aandeel van de marine in het bombardement van Antwerpen als heldenfeit had gekwalificeerd. Toch viel nog te bezien of de met veel vuuroverwicht aangerichte verwoestingen en gemaakte (burger)slachtoffers een acceptabele grondslag voor heldendom hadden geschapen. Enkele jaren later zou de vaderlandse historicus Gerrit Engelberts Gerrits in ieder geval oordelen dat 27 oktober 1830 ‘door geene heldendaden [werd] gekenmerkt’.[22] 

Een vacuüm vervuld

‘Droevig maar glorierijk’

Hoewel de grote mogendheden België op 20 januari 1831 als onafhankelijke staat hadden erkend en koning Willem I bereid was de scheidingsvoorwaarden van de Conferentie van Londen te aanvaarden, bleef de citadel van Antwerpen nog bezet door het Nederlandse leger omdat de Belgen van hun kant nog steeds troepen in de omgeving van Maastricht gelegerd hielden.[23] In de Schelde was de marine nog aanwezig om bij te dragen aan de bescherming en bevoorrading van de citadel. Haar primaire functie, het blokkeren van de rivier voor de scheepvaart, was echter komen te vervallen omdat als uitvloeisel van de Londense protocollen scheepvaartverkeer weer was toegestaan.[24] De marineschepen vóór Antwerpen moesten zich herhaaldelijk terugtrekken, tot Vlissingen toe, als gevolg van de zware ijsgang in de strenge winter van 1830/1831. Op 5 februari was de Schelde voor het eerst ijsvrij en zochten de kanonneerboten hun vaste ankerplaatsen weer op. Normaliter bezette Z.M. Kanonneerboot No. 2, onder bevel van Van Speijk, de meest noordelijke positie in de linie, maar op de bewuste dag zou die routine weldra worden verstoord.[25]

De commandant van het kanonneerbotenflottielje, kapitein-luitenant Jan Koopman, bevond zich op 5 februari rond 10 uur ’s morgens in een sloep op de Schelde, toen Boot 2 voor zijn ogen ontplofte.[26] Nog dezelfde dag stelde Koopman een rapport op voor het Ministerie van Marine waarin hij de gebeurtenissen van die zaterdagmorgen niet alleen beschreef, maar ook nadrukkelijk interpreteerde en evalueerde. Door hevige rukwinden had het anker van Boot 2 niet gehouden, waarna het vaartuig aan lager wal was geraakt en bij het Sint Laureisfort, even ten noorden van de stad, tegen de kade was gedreven. Op die plek hadden zich direct veel Belgen verzameld. Een ‘bende van het Antwerpsche gemeen’ had de boot belaagd en, eenmaal aan boord gekomen, de Nederlandse vlag omlaag gerukt. Vrijwel onmiddellijk daarna had de explosie plaatsgevonden. Aldus Koopman.

Hij voegde hieraan toe dat de boot ongetwijfeld door Van Speijk tot ontploffing was gebracht toen eenmaal vaststond dat er geen andere mogelijkheid was om uit handen van de vijand te blijven. In een korte karakterschets roemde hij vervolgens de bedaardheid, het plichtsbesef en de onverschrokkenheid van Van Speijk. Zijn dood en die van de meeste manschappen achtte hij gewroken aangezien ook veel Belgen de lucht in waren gegaan. Ten slotte boekstaafde hij het oordeel van zijn directe chef, generaal Chassé,dat hierdoor, zonder twijfel, de vijand overtuigd zal zijn, dat ’s Rijks Marine niet verbasterd is van den ouden roem, welken dezelve steeds in het Vaderland van eeuwen her met zooveel regt mogt genieten, en liever een eervollen dood verkiest, dan eene van schande verzelde mishandeling van het barbaarsch gepeupel.[27] Geen wonder dat Koopman dit rapport begonnen was met de opmerking dat hij een ‘droevige maar glorierijke mededeeling te doen [had]’.[28]

In zijn dagorder van 7 februari aan zee- en landmacht plaatste Chassé de daad van Van Speijk in een breder perspectief door vast te stellen dat Nederland aan Europa had getoond dat met de eer van Neêrlands vlag niet te spotten viel. In dit bericht gewaagde hij ook van de ‘laagheid en wreedheid’ van de Belgen die de boot hadden bestormd en onthulde hij dat kapitein-luitenant Koopman enkele maanden eerder bijna in dezelfde benarde positie verzeild was geraakt als Van Speijk. Koopman had reeds alle voorbereidingen getroffen om zijn korvet op te blazen, toen het gelukt was de boot vlak voor de vijandelijke wal te wenden, waardoor de uiterste maatregel achterwege had kunnen blijven. Eerder al had Koopman de bevelhebber aan Belgische zijde gewezen op het onverbiddelijk gevolg van eventuele overmeestering van een Nederlands marinevaartuig, voegde de generaal hier nog aan toe.[29]

Zelf had Van Speijk volgens medeofficieren in de maanden voorafgaand aan zijn daad meer dan eens betoogd dat hij de boot die koning en vaderland hem hadden toevertrouwd onder geen beding in handen van de vijand zou laten vallen.[30] In brieven aan het thuisfront, dat wil zeggen aan enkele verre bloedverwanten aangezien zijn naaste familie niet meer in leven was, had hij het voornemen ontvouwd ‘eerder de Boot in de lucht te laten springen dan mij aan zulk Cannaille Pak over te geven’.[31] Uit die correspondentie bleek ook dat hij op de hoogte was van en houvast ontleende aan de heldendaad van Reinier Claessen, de Amsterdamse viceadmiraal die in 1606 zijn ontramponeerde schip, omsingeld door zes Spaanse galjoenen, na een wanhopige meerdaagse verdediging met bemanning en al had opgeblazen.[32]

De overlevenden van de kanonneerboot werden in het hospitaal van Antwerpen verpleegd en enkele dagen later, op de zwaargewonde matroos Jan Pieper na, teruggebracht naar het Nederlandse kamp. Vastgesteld kon worden dat vijf leden van de bemanning de explosie hadden overleefd. Vijfentwintig anderen waren samen met Van Speijk omgekomen.[33] Over het aantal Belgische slachtoffers bestond onduidelijkheid, al werd aan Nederlandse zijde ingeschat dat dit aantal ‘vrij aanmerkelijk’ was.[34] Tien dagen na Van Speijks daad droegen de Belgen zijn stoffelijk overschot, althans het geborgen deel daarvan, over aan Koopman.[35] Met deze overdracht werd een eerste episode in het naspel min of meer afgerond. In Antwerpen althans, want in het vaderland, waar het nieuws over de zeldzame daad van zelfopoffering als een bom was ingeslagen, was de collectieve opwinding nog lang niet geluwd.

‘Oud-Nederland voert nog den donder’

De snelle en tot de verbeelding sprekende berichtgeving van Koopman en het positieve oordeel over Van Speijks daad dat Chassé er meteen aan verbonden had, waren niet blijven steken in de officiële communicatiekanalen maar hadden direct hun weg gevonden naar pers en publiek. De Hollandse dichter Adriaan van der Hoop Jr. vernam het nieuws op maandagmorgen, amper twee dagen na het gebeurde, en publiceerde naar eigen zeggen op dinsdag al De kanonneerboot; vaderlandsche romance, een uitgave die direct een bestseller werd.[36] In dit geëxalteerde dichtwerk, bestaande uit tweeëndertig zesregelige strofen, bracht hij heet van de naald uitbundig hulde aan Van Speijks ‘vaderlandse heldenmoed’ en hekelde hij ongeremd het schandelijk gedrag van de Belgen. Met overgave verwoordde hij ook de gemoedstoestand waarin hij was komen te verkeren: ‘God dank! Dat ik voor ’t vaderland / Mijn geestdrift voel ten top gedreven’.[37] Dit enthousiasme werkte blijkbaar aanstekelijk want in de dagen en weken die volgden werden talloze gedichten aan de nieuwe held gewijd en beheerste zijn vaderlandslievende daad de publieke opinie volledig.[38]

De donderdag na Van Speijks daad nam de Amsterdamse advocaat Samuel Lipman het initiatief tot een nationale geldinzameling voor de bouw van een marineschip dat Van Speijk zou moeten heten.[39] Er ontstond een soort competitie tussen burgerij en vorst toen Willem I de volgende dag bij koninklijk besluit bepaalde dat ‘ter nagedachtenis van [Van Speijks] heldendaad en (…) hoogst edelmoedige zelfopoffering’ voortaan altijd een schip of vaartuig van de vloot zijn naam zou voeren. Met deze koninklijke erkenning werd Van Speijks heldenstatus officieel geborgd. Ter uitvoering van het besluit bepaalde Willem nog dat een korvet in aanbouw, de Argo, herdoopt moest worden tot Van Speijk.[40] Deze praktische en goedkope oplossing was echter niet wat Lipman voor ogen stond. In zijn pamflet had hij betoogd dat de jonge zeeheld Van Speijk de relatie met het glorieuze verleden had hersteld en dat de marine als ‘grondslag van ons volksbestaan’ juist uitbreiding verdiende.[41] Enkele weken later publiceerde hij een toelichting op die visie. Door de vereniging met de zuidelijke gewesten was Nederland in 1815 veroordeeld tot de ‘belachelijke’ rol van landmogendheid. Engeland had Nederland opgescheept met de taak Europa tegen Frankrijk te beschermen en zijn eigen zeemacht uitgebreid, terwijl Nederland zich door de hoge kosten van een landmacht gedwongen had gezien zijn marine kort te houden. Gelukkig was het vaderland ten langen leste verlost van België en eindelijk vrij om het roer om te gooien: ‘[o]ns belang, ons bedrijf, onze ligging, onze herinneringen, onze bezittingen, alles wijst op de zee’. Daarvoor moest de marine wel versterkt worden.[42]

Ook in de dichtkunst werd de maritieme status van Van Speijk uitgebuit, bijvoorbeeld in het anonieme Hulde aan den roemruchtigen zeeheld, een van de vele publicaties waarvan de opbrengst bestemd was voor het oprichten van een monument voor Van Speijk.[43] Tegelijkertijd gingen vaderlandse dichters het vaderland scherper definiëren nu België er definitief niet meer bij hoorde. Van de vrees en onzekerheid die ‘Oud-Nederland’ vier, vijf maanden eerder in hun greep hadden gehouden, viel niets meer te bespeuren. Integendeel: de vaderlandpoëzie ademde nu een nieuw nationaal zelfvertrouwen. Daarvan getuigde de gloedvolle voordracht in drieëntwintig verzen voor de Maatschappij tot Nut van ‛t Algemeen, waarmee de Amsterdammer Cornelis Loots anderhalve week na dato Van Speijks zelfopoffering herdacht. Dat de andere vaderlandse emotie van 1830 – verontwaardiging – echter nog springlevend was, klonk door in de hooghartige waarschuwing aan België om voorlopig maar een toontje lager te zingen:

Maar hoû een wijl nog ’t hoofd wat onder;

Oud-Nederland voert nog den donder,

Tot kneuzing van de hoovaardij;

Verhef geen vlag, of beef voor ’t strijken:

Van Speyk teelt uit zijne asch Van Speyken,

Stroom rugwaarts, Schelde! en kniel voor ’t IJ.[44]

Een nieuwe held en een nieuw elan

Nederland was de februarimaand van 1831 lusteloos begonnen maar euforisch geëindigd. Van Speijk had zijn daad uitgevoerd op een moment dat de natie maar al te ontvankelijk was voor nieuw heldendom. Hij kon dit vacuüm ogenblikkelijk vullen dankzij de snelle, aansprekende rapportage van flottieljecommandant Koopman, mede geënt op Van Speijks persoonlijke uitlatingen en gedekt door het gezaghebbend oordeel van generaal Chassé. In nauwe samenwerking hadden Koopman en Chassé enkele voetangels en klemmen rond het gebeurde bij voorbaat verwijderd. Zij hadden aannemelijk gemaakt dat Van Speijk niet het type was om in een opwelling te handelen, dat hij ’s lands eer had verdedigd overeenkomstig de (hoge) norm van de marine, dat de dood van Van Speijk c.s. direct en afdoende gewroken was, en dat de Belgen in elk geval gewaarschuwd waren geweest voor de ernstige gevolgen van vlagvergrijp. Ook hadden zij erop gewezen dat dit staaltje van maritieme onverschrokkenheid in de rest van Europa niet onopgemerkt zou blijven. Al met al hadden de predikers van de vaderlandcultus ruimschoots stof aangereikt gekregen om een nieuwe held te lanceren, een zeeheld zelfs, die het gekwelde vaderland kon verbinden met het roemrijke verleden. Die kans hadden zij meer dan benut, want met de schepping van een formidabele held was ook een nieuw nationaal elan ontketend.

De heldendaad vervolmaakt 

‘De dichters brengen nieuwe helden, de helden stouter dichters voort’

Een van de uitdagingen waarvoor toonaangevende figuren in het vaderlanddiscours zich gesteld zagen, was om Van Speijk overtuigend als zeeheld te positioneren. Juist aan een dergelijke held had het immers al generaties lang ontbroken.[45] Maar kon Van Speijk wel zeeheld zijn? ‘Zonder zeeslagen geen zeehelden’, was een ervaringsregel uit de vaderlandse geschiedenis,[46] terwijl Van Speijk noch slag geleverd had, noch op zee zijn daad had uitgevoerd. Zonder dat er ook maar één schot gevallen was, had hij zijn kruitvoorraad ontstoken en was zijn boot langs de wal ontploft, ver van zee, op een plaats waar de rivier hooguit een kwart zeemijl breed is. Hier stond wel tegenover dat het meest roemruchte wapenfeit uit de vaderlandse maritieme geschiedenis, de voor Engeland zo vernederende raid op de Britse vloot vóór Chatham (1667), op een bochtige, ondiepe rivier was gerealiseerd.[47] Bovendien was Van Speijk opgetreden als officier van ’s lands marine, zij het niet als vlootvoogd maar als commandant van een kleine kanonneerboot. Hoe dan ook, om elke twijfel over zijn maritieme status weg te nemen, namen schrijvers hun toevlucht tot het creëren van zeewaardige omstandigheden: 

Bulderend giert de huilende storm door het want; schuimend klotsen de woedende baren tegen de vastgeklemde kiel; maar Oud-Hollands Vlag golft niet langer op den loeijenden adem der losgebroken winden, en het vaartuig, aan Amstels voedsterzoon toebetrouwd, is de buit van het laaghartigst volk der aarde.[48]

In de poëzie werd dit sfeerbeeld nog uitgebreid met krakende masten, brekende kabels, scheurende zeilen en kruiend ijs, terwijl de onfortuinlijke kanonneerboot bij nader inzien niet aan lager wal was geraakt, maar ‘op Antwerps kust gesmeten’.[49] Zo schiepen vaderlandse dichters het barre decor een zeeheld waardig en bevestigden zij wat een van hen in 1822 al had onderkend: ‘[d]e dichters brengen nieuwe helden, de helden stouter dichters voort’.[50]

Dat de held Van Speijk niet anders dan zeeheld kon zijn, droegen ook de vaderlandse schilders Izaak Schouman, Jan Schotel en Jan Willem Pieneman nadrukkelijk uit, getuige de woelige baren waarmee zij in hun verbeelding van de heldendaad de exploderende boot prominent omringden. Niet voor niets zijn deze werken bestempeld als zeestukken.[51] Verschillende portretten van de held toonden hem, met sabel en steek, tegen de achtergrond van een eindeloze zee. Als voorlopig laatste maar niet geringste uiting van maritieme positionering werd in 1840 een van de vuurtorens in de duinen van Egmond aan Zee omgebouwd tot nationaal Van Speijkmonument.[52]

Later in de negentiende eeuw en in de eerste decennia van de twintigste eeuw zouden de vele stadsuitbreidingen in het land tientallen zeeheldenbuurten voortbrengen. Omdat in de stratenplannen voor zulke wijken bijna altijd een Van Speijkstraat werd opgenomen, bleef de held ook langs die weg als zeeheld in het collectief geheugen verankerd.[53] 

‘Op dan, ter bedevaart naar het heldengraf!’

De nationale vervoering waarin Van Speijk het vaderland had gebracht, deed de overheid beseffen dat een plechtige staatsbegrafenis van de held in een grote behoefte zou voorzien. Op 9 februari 1831, vier dagen na de heldendaad, instrueerde de directeur-generaal voor de marine commandant Koopman daarom alles in het werk te stellen om de stoffelijke resten van Van Speijk te bergen. Juist die dag had Koopman in het Journal d’Anvers gelezen dat Van Speijks ontzielde lichaam was aangetroffen in de kajuit van de verwoeste kanonneerboot.[54] Naar aanleiding van dat bericht had hij de Belgische militaire bevelhebber verzocht om overdracht van het stoffelijk overschot.

Het is opvallend, zeker naar hedendaagse maatstaven, dat de ambtelijke instructie aan Koopman slechts betrekking had op Van Speijk en niet op de manschappen die met hem waren omgekomen. Een maand later repte ook de hoogleraar Gerard Lauts met geen woord over het lot van de bemanning toen hij de officiële herdenkingsrede uitsprak voor het Koninklijk Instituut voor de Marine.[55] Geheel in overeenstemming hiermee zouden de plaquettes op het nationale Van Speijkmonument uitsluitend Van Speijk zelf gedenken. Wat verder opvalt, is dat Koopman zich tot 9 februari in het geheel niet bekommerd had om de berging van slachtoffers.[56] Dit is des te opmerkelijker omdat hij van de teruggekeerde overlevenden vernomen moet hebben dat zij zich, op verzoek van de Belgen, hadden ingespannen de geborgen collega’s te identificeren, wat in negentien gevallen ook was gelukt.[57]

Het overgedragen stoffelijk overschot van Van Speijk werd na identificatie overgebracht naar Amsterdam, in afwachting van de officiële begrafenis die nog meer dan een jaar op zich zou laten wachten. Van Speijks medeofficieren hielden elk een reepje stof van zijn gehavende uniformjas achter, als aandenken, terwijl Koopman zich ontfermde over het lintje van Van Speijks ridderorde, dat op die jas vastgespeld had gezeten. ‘Op hoog verzoek’ werd een bebloed stukje hout met enkele haren van Van Speijk geschonken aan kroonprinses Anna Paulowna.[58] Hiermee werd in feite het startsein gegeven voor een run op relieken van de held, een rage die zou culmineren in een grootscheepse nationale loterij met als prijzen honderden voorwerpen vervaardigd van restanten van de verwoeste kanonneerboot. Koning Willem en koningin Wilhelmina behoorden tot de prominente deelnemers aan deze loterij.[59] In de nu ontketende persoonscultus rond Van Speijk paste ook de algemene oproep om in de nabije toekomst ter bedevaart naar het heldengraf te gaan.[60] 

‘Een onverklaarbaar raadsel’?

Tot de grote bewonderaars van Van Speijk behoorde zonder twijfel zijn biograaf Jacob Koning. Voor het schrijven van Leven van Jan Carel Josephus van Speijk had Koning zich zodanig gedocumenteerd dat hij niet voor één gat te vangen was en op alle mogelijke vragen een antwoord leek te hebben. Opmerkelijk is dan ook zijn bekentenis, zij het op voetnootniveau, dat hij met één vraag was blijven zitten. ‘Het blijft ons een onverklaarbaar raadsel, waarom de schepelingen van Van Speijk, bij het opeischen der boot of het nederhalen der vlag, geene de minste poging hebben gedaan tot redding van hun leven’.[61] Koning deed geen poging deze vraag te beantwoorden, maar alleen al door hem te stellen week hij af van de officiële lijn, die motieven en lot van de bemanning stelselmatig buiten beschouwing had gelaten. Met zijn vraag nam hij ook duidelijk afstand van verschillende verklaringen die de vaderlandpoëzie had aangedragen. Eén verklaring was geweest dat Van Speijk zijn manschappen had bevolen van boord te gaan, maar dat zij, of in ieder geval de meesten van hen, dat uit solidariteit hadden geweigerd.[62] Ook was wel gesuggereerd dat de bemanningsleden elkaar vooraf gezworen hadden aan boord te zullen blijven om in het uiterste geval samen de lucht in te gaan.[63] In een variant hierop had de bemanning zich op het laatste moment rondom Van Speijk geschaard om hem plechtig een brandende lont aan te reiken.[64]

Getuigenissen van de bemanningsleden die de explosie overleefd hadden, staken schril af tegen deze mythische voorstellingen. Uit de verklaringen die drie overlevenden al op 8 februari 1831 bij hun terugkeer in het Nederlandse kamp hadden afgelegd, was gebleken dat Van Speijk enkele aan boord gekomen officieren van Antwerpse vrijkorpsen te woord had gestaan en, onder het mom de scheepspapieren te zullen halen, was afgedaald in de kajuit. Toen de bootsjongen Hendrik Wijler hem daar even later was gaan opzoeken, had van Speijk hem bevolen zich uit de voeten te maken omdat hij de kruitvoorraad in brand ging steken. Wijler was daarop de kajuit uit gerend, overboord gesprongen en naar de kant gezwommen. Verder was iedereen aan boord gebleven.[65] Alle vijf overlevenden legden op 7 mei 1832, na het bijwonen van de officiële begrafenis van hun commandant, nog nadere verklaringen af tegenover een zelfbenoemde commissie van Amsterdamse notabelen onder voorzitterschap van burgemeester Van de Poll. Het beeld dat door de eerdere verklaringen was geschapen, werd hierdoor aanzienlijk genuanceerd. Voordat Wijler overboord gesprongen was, had hij zijn voorkennis namelijk nog gedeeld met de zeilmaker Jan Poolman, die op zijn beurt de verdere bemanning had geïnformeerd.[66] Hierop was onder de bemanning een discussie ontstaan, zo bleek uit de verklaring van matroos Willem van der Heide – een discussie die was uitgemond in de conclusie ‘dat de Kommandant mogelijk nog wel tot andere gedachten zoude komen’.[67]

Op een belangrijk punt stemden de nadere verklaringen wel met de eerdere overeen: behalve twee vrijkorpsofficieren en enkele manschappen was er niemand aan boord gekomen.[68] Deze verklaringen ontkrachtten de berichten van Koopman en Chassé dat de boot was overmeesterd door een woeste volksmenigte. De lezing van de overlevenden, waaruit geen noodsituatie sprak, maakte ook aannemelijk waarom de bemanning was gaan discussiëren over de onthutsende boodschap van Poolman en de spectaculaire sprong van Wijler in de ijskoude rivier.

Naar het zich laat aanzien was het raadsel dat Koning niet had kunnen ontsluieren door de verklaring van Van der Heide opgelost.[69] Dat de bemanning aan dek tot de conclusie was gekomen dat het benedendeks allemaal niet zo’n vaart zou lopen, was echter een bevinding die niet zou doordringen tot de conclusies van het rapport dat de commissie-Van de Poll opstelde. Hetzelfde lot trof de constatering dat de boot slechts door een kleine Belgische delegatie was bezocht en niet door een menigte was overrompeld.[70] In plaats van deze twee bevindingen presenteerde de commissie als voornaamste conclusie haar overtuiging dat Van Speijk het kruit met een geweer- of pistoolschot tot ontbranding had gebracht, en niet met een sigaar zoals vrij algemeen aangenomen was.[71] Verder concludeerde zij dat Van Speijk de bemanning ‘overvloedig’ gelegenheid had gegeven de boot te verlaten. Aan de andere kant had hij zijn daad wel uitgevoerd vóórdat een Belgische vlag de boot had kunnen ontsieren, aldus de commissie. Alle bemanningsleden die zich op dat moment nog aan boord hadden bevonden, waren bereid geweest met hun commandant te sterven voor de eer van de Nederlandse vlag. Tevreden stelde de commissie ten slotte vast dat haar rapport ‘Van Speijk zelf in het heerlijkste licht plaats[te]’.[72] Die conclusie was in ieder geval juist. 

Zeeheld zonder zwaktes

Voortbouwend op de golf van nationale euforie hadden literatoren en beeldende kunstenaars zich ingespannen om Van Speijks heldendaad te vervolmaken en te verduurzamen, in de eerste plaats door hem als zeeheld te verwelkomen. Hoewel Van Speijk vergeleken met zijn illustere voorgangers uit de zeventiende eeuw een atypische zeeheld was, had men toch het gewenste imago weten te scheppen door de maritieme facetten van zijn optreden uit te vergroten. Verder kon Van Speijk als superheld figureren omdat van officiële zijde alle eerbetoon op zijn persoon en zelfopoffering was geconcentreerd terwijl de bemanning consequent buiten beschouwing was gelaten. Een op relieken gebaseerde persoonscultus, waarin het Huis van Oranje de burgerij voorging, sloot hier goed op aan. De verklaringen van de overlevenden dreigden het beeld van de volmaakte heldendaad in twee opzichten te verstoren: de kanonneerboot was niet bruut overrompeld, waardoor aan boord ook geen noodsituatie was ontstaan; daarnaast had de communicatie tussen Van Speijk en zijn manschappen in de eindfase gefaald, waardoor zijn daad het gros van de bemanning fataal verrast had. Deze conclusies waren in de vaderlandcultus evenwel onderdrukt ten gunste van mythische elementen waarmee beoogd werd Van Speijks unieke heldenstatus vrij van elke smet te consolideren. 

Besluit

De intense beleving van Van Speijks heldendaad op nationale schaal en alle inspanningen om die daad goed op te slaan in de vaderlandcultus garandeerden nog geen duurzaam heldendom. In de zomer van 1831 en eind 1832 verwierven ook de succesvolle Tiendaagse Veldtocht en de heldhaftige verdediging van de Antwerpse citadel een plaats in de vaderlandcultus. Deze wapenfeiten streelden immers evenzeer gevoelens van nationale trots, waardoor de exclusiviteit van Van Speijks daad als inspiratiebron onvermijdelijk werd ondermijnd. Na 1832 verschrompelde bovendien het virulente vijandbeeld van de zuiderburen – de Belgen als ‘laaghartigst volk der aarde’ – dat toch een voorname pijler van zijn heldendom was geweest.[73] Dat de natie niet langer beheerst werd door zijn heldendaad bleek wel uit het feit dat het nationale Van Speijkmonument pas in 1840 werd ingewijd terwijl de hiertoe bestemde vuurtoren al zes jaar eerder was opgeleverd.[74]

Later werd waarschijnlijk niet zonder gêne teruggezien op de roes van nationale gekte en persoonsverheerlijking waarin men zo massaal gezwolgen had. 75 jaar na dato zou de antirevolutionaire staatsman Abraham Kuyper de gewaagde stelling betrekken dat ‘hero-worship (…) ons als vrijgeboren Nederlanders nooit [heeft] verlokt’.[75] Weer veel later, vanaf de jaren 1960, zou Van Speijk onder invloed van een nivellerende tijdgeest vooral meewarigheid ten deel vallen. ‘Van held naar antiheld is in Nederland maar een kleine stap’.[76]

Op de plek waar Van Speijk in 1831 zijn boot opblies herinnert nu niets meer aan die daad. Elders in de publieke ruimte zijn wel nog tastbare herinneringen aan de kordate kanonneerbootcommandant te vinden. De belangrijkste zijn twee monumenten, zestig straten en een schip. Dit laatste, het fregat Van Speijk, is het jongste marinevaartuig in een historische reeks van acht dat die naam heeft gekregen als uitvloeisel van het koninklijk besluit van 11 februari 1831. Anno 2007 werken de Nederlandse en Belgische marine samen en opereert Hr. Ms. Van Speijk geregeld in een Belgisch-Nederlands eskader dat taken uitvoert, ‘variërend van opleidingen, vlagvertoon tot ernstinzet’.[77] Ironie ligt voortdurend op de loer wanneer heden en verleden met elkaar worden geconfronteerd, niet in de laatste plaats als er heldendom in het geding is. Die ironie vlakt echter niet uit dat Jan van Speijk het kwakkelend nationaal zelfvertrouwen destijds in één klap wist te herstellen.

Afkomstig uit: 

Titel:      Het nationaal bereik van Jan van Speijk. Een radicale daad als bron van nationaal besef, 1831-1832.
Nummer: Helden des Vaderlands. Heldenverering in Nederland door de eeuwen heen
Jaargang:  22.3

  

Bestel het gehele nummer op onze website: 


Noten:

[1] Georg Döring,Van Speyk. Ein Heldenlied, Seiner Majestät Wilhelm der Ersten, König der Niederlande ehrerbietigst gewidmet vom Verfasser (Frankfurt am Main 1831) 11. Ruhmesport: (veilige) haven van de roem.

[2] H. Tollens, ‘Aan de vaderlandsche dichters’ (1813) in: Gedichten van H. Tollens, Cz. III (Rotterdam 1817) 183, 188.

[3] Willem van den Berg, ‘Verbeelding van het vaderland. Het denken over het vaderland in de letterkunde van de eerste decennia van de negentiende eeuw’ in: N.C.F. van Sas ed., Vaderland. Een geschiedenis vanaf de vijftiende eeuw tot 1940 (Amsterdam 1999) 319.

[4] David Bos, In dienst van het Koninkrijk. Beroepsontwikkeling van hervormde predikanten in negentiende-eeuws Nederland (Amsterdam 1999) 124.

[5] Deze typering is ontleend aan: Jan en Annie Romein, De lage landen bij de zee. Een geschiedenis van het Nederlandse volk (8e druk; Amsterdam 1979) 420.

[6] Rhijnvis Feith, ‘Aan Napoleon’ (1813) in: Oden en gedichten van Mr. Rhijnvis Feith III (Zwolle 1824) 125.

[7] Katharina Schweickhardt, ‘Nederlands eer hersteld’ (1816) in: De dichtwerken van vrouwe Katharina Wilhelmina Bilderdijk III (Haarlem 1860) 153. Vanwege haar huwelijk met Bilderdijk staat Schweickhardt in de Nederlandse letterkunde ook wel bekend als ‘vrouwe Bilderdijk’.

[8] Willem Bilderdijk, ‘Gedenkdag van Waterloo’ (1824) in: De dichtwerken van Bilderdijk IX (Haarlem 1858) 295.

[9] Van den Berg, ‘Verbeelding van het vaderland’, 315.

[10] Een uitzondering vormde de Vlaamse literair-historicus en filoloog Jan Frans Willems (1793-1846).

[11] P.B.M. Blaas, ‘Het karakter van het vaderland. Vaderlandse geschiedenis tussen Wagenaar en Fruin, 1780-1840’ in: N.C.F. van Sas ed., Vaderland. Een geschiedenis vanaf de vijftiende eeuw tot 1940 (Amsterdam 1999) 385-386. De auteurs van de bekroonde Groot-Nederlandse voorstellen waren G. Groen van Prinsterer, de latere antirevolutionaire staatsman, en J.C. de Jonge, archivaris en maritiem historicus.

[12] Nederlandsche Staats-courant, 7-10-1830.

[13] J. Immerzeel Junior, Onze eed. Vaderlandsche lierzang (’s-Gravenhage 1830); Petronella Moens, Uitboezeming aan mijn geliefd vaderland en de Noord-Nederlanders (Haarlem 1830) 4; H.A. Spandaw, Afscheidslied voor de Groningsche en Franeker studenten (bij hun vertrek naar het leger) (Groningen 1830) 3; etc.

[14] P.P. Roorda van Eysinga, ‘Volkslied in tijden van oproer’ in: D. Valkenburg, Tafereel van de Belgische onlusten, in dichtmaat (Utrecht 1830) 2: 2.

[15] A. Smits, 1830 Scheuring in de Nederlanden II (Kortrijk-Heule 1983) 206-209.

[16] Jacobus Koning, Leven van Jan Carel Josephus van Speijk (Den Haag 1832) 69, 74. Koning is de voornaamste biograaf van Van Speijk. Zijn werk bestaat uit een hoofdtekst van 220 bladzijden, gevolgd door ‘Aanteekeningen en bijlagen’, die nog eens ruim 200 bladzijden beslaan. De auteur heeft een aantal officiële documenten integraal overgenomen, zowel in de hoofdtekst als in de bijlagen, terwijl hij verder citeert uit dagbladen en privécorrespondentie. In een andere biografie, De zelfopoffering van den Nederlandschen zeeheld J.C.J. van Speyk benevens eene schets van zijn leven; voor vaderlandsche zonen en dochteren van A.B. van Meerten-Schilperoort (Amsterdam 1832), is een facsimile opgenomen van een van Van Speijks brieven. Vergelijking van dit facsimile met de tekstweergave door Koning wettigt het vertrouwen dat deze zich bij het bewerken van zijn bronnen heeft beperkt tot het corrigeren van grammaticale en spelfouten. Daarom is voor dit artikel mede gebruik gemaakt van bronmateriaal zoals aangetroffen in de biografie van Koning.

[17] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 75-80. Later zou het eerste kanonschot worden toegeschreven aan Boot 4 in plaats van Boot 2. Vgl.: J.C. Koopman, Zijner Majesteits Zeemagt vóór Antwerpen, 1830-1832 (Utrecht 1853) 19.

[18] Maurits Josson, De Belgische Omwenteling van 1830 I (Amsterdam en Tielt 1930) 133; Floris Prims, Antwerpen in 1830 I (Antwerpen 1930) 293.

[19] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 81-85.

[20] Ibidem, 121.

[21] V. Herdingh, ‘By het bombardement van Antwerpen, na ’t vermoorden onzer troepen in October 1830’ in: Idem, Bij het maken van pluksel voor de gekwetsten (Leiden 1831) zesde vers.

[22] G. Engelberts Gerrits, Gedenkstuk van Neêrlands heldendaden ter zee, van de vroegste dagen af tot op den tegenwoordigen tijd II (Amsterdam 1834) 518.

[23] A. Smits, 1830 Scheuring in de Nederlanden IV (Kortrijk-Heule 1999) 441, 444-445.

[24] Rolf Falter, 1830: De scheiding van Nederland, België en Luxemburg (Tielt 2005) 228.

[25] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 88-89.

[26] Koopman, Zijner Majesteits Zeemagt vóór Antwerpen, 44.

[27] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, ‘Aanteekeningen en bijlagen’, 46-49.

[28] Ibidem, 46 (mijn cursivering).

[29] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 98.

[30] Ibidem, 194-196; ‘Aanteekeningen en bijlagen’, 53.

[31] Facsimile van de brief van 11 december 1830 aan Jacoba de Dieu-van Tonderen, opgenomen in: Van Meerten-Schilperoort, De zelfopoffering van den Nederlandschen zeeheld J.C.J. van Speijk..

[32] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 194; J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen I (2e druk; Haarlem 1858) 205; J.C. Mollema, Geschiedenis van Nederland ter zee II (Amsterdam 1940) 105-106.

[33] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, ‘Aanteekeningen en bijlagen’, 77.

[34] Ibidem, 87. Het is echter aannemelijk dat niet meer dan vijf Belgen bij de ontploffing zijn omgekomen. Vgl. Prims, Antwerpen in 1830 I, 236; Ibidem, Antwerpen in 1830 II (Antwerpen 1931) 109.

[35] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 102-103.

[36] A. van der Hoop Jr., Van Speyk. Eene winter fantazy (Dordrecht 1840) vi.

[37] A. van der Hoop Jr., De kanonneerboot; vaderlandsche romance (Rotterdam 1831).

[38] Van den Berg, ‘Verbeelding van het vaderland’, 316.

[39] S.P. Lipman, Gedenkstuk van den heldendood van Jan Carel Josephus van Speyk (Amsterdam 1831) 13.

[40] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 122; ‘Aanteekeningen en bijlagen’, 125-126.

[41] Lipman, Gedenkstuk, 11, 13-14.

[42] S.P. Lipman, Hollands marine (Amsterdam 1831) 14-16.

[43] Hulde aan den roemruchtigen zeeheld, den luitenant J.C.J. van Speyk, commanderende Z.M. kanonneerboot No. 2, den 5den februarij 1831 heldhaftig in de lucht gesprongen, door een Dienstmeisje vervaardigd (Amsterdam 1831).

[44] Cornelis Loots, Bij den vrijwilligen heldendood van J.C.J. van Speyk (Amsterdam 1831) 23ste vers.

[45] Bij het buiten beschouwing laten van zeehelden van het tweede garnituur als Zoutman, Bentinck en Van Kinsbergen zou er zelfs een gat van bijna anderhalve eeuw vallen.

[46] Ronald Prud’homme van Reine, Zeehelden (Amsterdam en Antwerpen 2005) 45.

[47] Ronald Prud’homme van Reine, Rechterhand van Nederland. Biografie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter (5e, uitgebreide druk; Amsterdam en Antwerpen 2007) 190, 193-194.

[48] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 202.

[49] A. Meinsma, De heldendood van J.C.J. van Speyk (Kampen 1831) 6; J.H. Wilhelmi, Versuch auf den Heldentod des niederländischen See-Lieutenants J.C.J. van Speyk und seiner Schiffs-Mannschaft vor Antwerpen den 5. Febr. 1831 (Emden 1831) 4; Hendrik Harmen Klyn, Heldendaad van Jan Carel Josephus van Speyk (Amsterdam 1831) tweede vers.

[50] H.A. Spandaw, ‘Hollands dichtkunst. Aan mijne Zuid-Nederlandsche kunstgenooten’ (1822) in: Gedichten van mr. H.A. Spandaw IV (Groningen 1838) 175.

[51] Sandra de Vries, De lucht in gevlogen, de hemel in geprezen. Eerbewijzen voor Van Speyk (Haarlem 1988) 70-71, 102-105.

[52] De Vries, De lucht in gevlogen, 41, 76-78. Deze vuurtoren was nog maar net voltooid toen Willem I besloot hem tot nationaal Van Speijkmonument te bestemmen. Zo koos de koopman-koning na het omdopen van Z.M. Argo andermaal voor een kostenbesparende formule.

[53] Tegenwoordig telt Nederland nog circa zestig Van Speijkstraten.

[54] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 99-100, 114-115. Koning verklaart waarom het lijk van Van Speijk in de kajuit was teruggevonden in plaats van op de wal of in de rivier: door zijn positie ten opzichte van het ontbrandende kruit was Van Speijk als enige aan boord niet de lucht in gegaan maar benedendeks in zijwaartse richting weggeslingerd.

[55] G. Lauts, ‘Redevoering’ in: Zelfopoffering van Jan Carel Josephus van Speyk, plegtig gevierd door het Koninklijk instituut voor de Marine, den 9 van Lentemaand 1831 (Leeuwarden 1831).

[56] Koopman, Zijner Majesteits Zeemagt vóór Antwerpen, 46.

[57] Prims, Antwerpen in 1830 II, 109.

[58] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 105-107, 116-118.

[59] C.P.E. Robidé van de Aa, Verslag der vaderlandsche loterij, ter eere der nagedachtenis van J.C.J. van Speyk, bestaande uit voorwerpen vervaardigd van hout en ijzer afkomstig van de kanonneerboot No. 2 (Leeuwarden 1833) 3, 5-7.

[60] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 179.

[61] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, 211.

[62] Van der Hoop Jr., De kanonneerboot, 11.

[63] Klyn, Heldendaad van Jan Carel Josephus van Speyk, derde vers.

[64] J.H. Wilhelmi, Versuch auf den Heldentod des niederländischen See-Lieutenants J.C.J. van Speyk, 5-6.

[65] Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, ‘Aanteekeningen en bijlagen’, 58-61.

[66] F. van de Poll e.a., De heldendaad van Jan Carel Josephus van Speyk, uit den mond der geredde schepelingen opgeteekend (Amsterdam 1832) 6, 15.

[67] Ibidem, 9.

[68] Ibidem, 5, 9, 11, 14, 17; Koning, Leven van J.C.J. van Speijk, ‘Aanteekeningen en bijlagen’, 58-61.

[69] Het is onzeker of Koning van deze ontknoping kennis heeft kunnen nemen. Dat zou alleen langs onofficiële weg gebeurd kunnen zijn aangezien Koning al overleden was toen het officiële rapport van de commissie-Van de Poll in oktober 1832 verscheen.

[70] De overrompelingsmythe zou een lang leven beschoren zijn. ‘[E]n zoo was het dek dadelijk door gepeupel overstroomd’, heette het zestig jaar later nog: P.H. Craandijk, J.C.J. van Speyk. Eene herinnering uit de dagen van 1831 (Haarlem 1892) 12.

[71] Van de Poll e.a., De heldendaad van J.C.J. van Speyk, v-vii. Los van de vraag hoe relevant deze conclusie was, vond zij merkwaardigerwijs geen steun in de verklaringen van de overlevenden.

[72] Ibidem, vi, xi, xvi.

[73] Van der Hoop Jr., Van Speyk. Eene winter fantazy, vii.

[74] De Vries, De lucht in gevlogen, de hemel in geprezen, 41,78. De literatuur noemt 1841 als jaar van inwijding, maar een gedenkplaat op het monument vermeldt 1840.

[75] A. Kuyper, Bilderdijk in zijn nationale betekenis. Rede gehouden te Amsterdam op 1 October 1906 (Amsterdam en Pretoria 1906) 7.

[76] Herman Vuijsje, ‘Laaglands heldendom’, in: HELD (Amsterdam 2007) 53. HELD is de gids van de gelijknamige tentoonstelling die van 11 augustus tot 11 november 2007 plaatsvond in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

[77] Zie: www.marine.nl/nlmarfor/schepen/eskader/fregatten/m-fregat/vanspeijk/ (mijn cursivering).

Meer weten

Tijdschriften: