Het ontstaan van de Belgische natie, 1789-1830

Une nation est une âme, un principe spirituel. Deux choses qui, à vrai dire, n'en font qu'une, consument cette âme, ce principe spirituel. L'une est dans le passé, l'autre dans le présent. L'une est la possession en commun d'un riche legs de souvenirs; l'autre est le consentement actuel, le désir de vivre ensemble, la volonté de continuer à faire valoir l'héritage qu'on a reçu indivis (…) L'existence d'une nation est (…) un plébiscite de tous les jours (…) La langue invite à se réunir, elle n'y force pas (…) La volonté de la Suisse

Auteur: Stefan van den Berg

d'être unie, malgré la variété de ses idiomes, est un fait bien plus important qu'une similitude de langage.[1]

Aldus de Franse historicus, filoloog en socioloog Ernest Renan in zijn in 1882 voor de Sorbonne uitgesproken en inmiddels overbekende verhandeling over de natie. De natie is 'un plébiscite de tous les jours', gedragen door de algemene wil één te zijn en – in samenhang daarmee – de herinnering aan een gemeenschappelijk verleden. Barrières die de taal daartegen op zou kunnen werpen, kunnen door deze wil – mits zij krachtig genoeg is – overwonnen worden. Renan grijpt hierbij in sterke mate terug op het gedachtengoed van Rousseau, in het bijzonder op diens volonté générale, en is in dit opzicht vooral de Verlichting schatplichtig.

Tegenover deze subjectieve natieconceptie is in de negentiende eeuw ook een meer objectief concept van de natie geformuleerd, mede onder invloed van de Duitse filosoof Herder en de romantische cultuurstroming waar hij deel van uitmaakte. In dit concept is de taal, evenals de zeden, de cultuur en het recht, een organische Lebensäusserung van een volk. De bron van deze uitingen is het gemeenschappelijk bewustzijn dat ieder volk zou hebben en dat ook wel met de termen Volksgeist of höhere Natur des Volkes aangeduid wordt. De Volksgeist en haar uitvloeisels maken deel uit van een verleden en heden omvattende historische organische continuïteit.

Ter aanvulling van Herders idee van de natie is het wellicht interessant een beknopte uiteenzetting te geven van het gedachtengoed van een door de rechtswetenschap gepokt en gemazeld vertegenwoordiger van de Historische School, Friedrich Carl von Savigny. Savigny's begrip Volk is niet identiek aan het meer empirisch sociologische of antropologische begrip. Het bevat een metafysisch element, zoals moge blijken uit de definitie die hij ervan geeft: 'das Naturganze, in welchem wirklich der Staat entsteht und fortwährend sein Dasein führt und bei welchem von Wahl und Willkür nicht die Rede sein kann.'[2] Deze definitie is bepalend voor zijn leer over de Volksgeist.

Aangezien het recht, de zeden en de cultuur in de Volksgeist hun oorsprong en legitimatie vinden, zijn zij langs die weg verbonden met de metafysische grootheid van het volk of de natie. Het individu en het volk leven tegelijkertijd in en met hun recht: de Volksgeist is in ieder individu aanwezig en overkoepelt tegelijk de gehele natie. Het is dan ook niet zo dat de ontwikkeling van de maatschappij bepalend is voor de loop van de geschiedenis en het recht daarbij als instrument wordt gebruikt; het recht en de zeden, als 'überindividuelle geistige Lebensmacht' zijn daarentegen juist bepalend voor de verdere gang van de maatschappij. De vraag naar de verhouding tassen recht, zeden en cultuur enerzijds en maatschappelijke werkelijkheid anderzijds is in dit kader dan ook niet legitiem. Om met de Duitse rechtsfilosoof E.-W. Böckenförde te spreken: 'Die organische Entsprechung von beiden versteht sich von selbst: Sie wird vermittelt durch die in beiden wirksame höhere Einheit des Volksgeistes.'[3]

Nauw met de natie en het gemeenschappelijk bewustzijn verbonden zijn Savigny's ideeën over de geschiedenis. Noodzakelijk voor de juiste bestadering van het verleden – ook waar dit het verleden van het recht betreft – is het inzicht dat gebeurtenissen en menselijke handelingen niet afzonderlijk en geïsoleerd, maar in een grotere onderlinge samenhang gezien worden. De bij Savigny meest wezenlijke samenhang is die van de 'höhere Natur des Volkes'. Vervolgens verwisselt hij die 'samenhang' met de Volksgeist – immers alle in de werkelijkheid optredende verschijnselen zouden tot die metafysische idee te herleiden zijn – en doet de geschiedenis verworden tot louter het tijdskader waarbinnen de ontwikkeling van een volk zich voordoet. Böckenförde geeft dit als volgt weer:
 

Die Geschichte wird nicht als der eigentliche Modus des Geschehens begriffen, sondern zum Entfaltungsraum einer Natur-Entwicklung reduziert, die sich aus einem immanentem Prinzip organisch vollzieht.(...) Das ist aber ein ungeschichtlicher Historismus.[4]

 
 

De hier geciteerde schrijver acht een dergelijke geschiedopvatting kenmerkend voor de negentiende-eeuwse Romantiek; de geschiedenis vormt een decor: nu eens voor een gedetermineerd Natur geschehen, dan weer voor klassenstrijd, voor een proces van de geest (hij doelt hier op Hegel) of voor organische groei en ontwikkeling (zoals bijvoorbeeld de natie). Naast deze subjectieve en objectieve natieconceptie is er nog een derde standpunt denkbaar, dat vooral de laatste decennia aan invloed heeft gewonnen en dat de rol van de staat in de vorming van de natie benadrukt. Het standaardvoorbeeld hiervan is natuurlijk het boek van Eugen Weber over het laat negentiende-eeuwse en begin twintigste-eeuwse Frankrijk.[5] In dit werk beschrijft hij hoe de Franse staat er door verbetering van de infrastructuur, de verbreiding van het onderwijs en het opleggen van de dienstplicht, voor een aanzienlijk deel in geslaagd is de rond 1800 qua taal en cultuur nog zo diverse bevolking te homogeniseren en met Parijs gelijk te schakelen.

In het vervolg van dit betoog zal de schijnwerper gericht worden op België. Welke factoren hebben bijgedragen aan de vorming van de Belgische nationale identiteit van het einde van de achttiende eeuw tot aan het revolutiejaar 1830? Welke veranderingen hebben zich hieromtrent in de loop der tijd voorgedaan? Hierbij zal met name worden verwezen naar het boek Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen van de Leuvense professor Lode Wils. Ter afsluiting van dit essay zal vervolgens een poging worden gedaan om aan de hand van de uiteenzetting over België tot een bescheiden weergave van de kenmerken van de (moderne) natie te komen. Tevens zal bekeken worden aan welke van de drie hierboven genoemde concepties de ontwikkeling van de moderne Belgische natie het nauwst beantwoordt.
 

De breuk met Oostenrijk

Het einde van de achttiende eeuw, het tijdperk van de Verlichting, de eerste Industriële Revolutie en de Franse Revolutie ziet Wils als de periode waarin de moderne naties hun oorsprong hebben. Voor een aanzienlijk deel komt deze ontwikkeling neer op de transformatie van reeds bestaande entiteiten, of – om met Huizinga te spreken – 'nationaliteiten'. Die oudere bestaansvormen gaan, wat hun onderlinge identificatie betreft, terug tot grofweg de eerste helft van de vijftiende eeuw, als Brabant en Vlaanderen beide de Bourgondische hertog Philips de Goede aanvaarden. In de eeuwen daarna ontstaat in een reeks van conflicten met Frankrijk en de Noordelijke Nederlanden een sterker saamhorigheidsgevoel, hoewel de gebieden in bestuurlijk opzicht elk voor een aanzienlijk deel de eigen rechten en vrijheden blijven behouden en in dat opzicht een zekere mate van zelfstandigheid kennen. Bij deze politieke en militaire conflicten voegt zich na verloop van tijd ook een cultureel verschil tussen de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden, namelijk het verschil tossen respectievelijk een contrareformatorische barokcultour en de Noordeuropese protestantse cultuur.

Deze ontwikkelingen hebben in de Zuidelijke Nederlanden geleid tot het bestendige gevoel een fundamenteel eigen karakter te hebben, deels gebaseerd op de loyaliteit jegens de Habsburgse vorsten, deels op de eigen zelfstandigheid, rechten en vrijheden. Toen in de tweede helft van de achttiende eeuw na het verscheiden van de Habsburgse vorstin Maria-Theresia haar zoon haar als Jozef II opvolgde, legde die een uitgesproken voorkeur aan de dag voor een verlicht absolutistische politiek. Zijn besluiten waren in de beste traditie van de Verlichting gericht op het rationaliseren en uniformeren van de bestuursstructuren van zijn rijk, teneinde in de beste traditie van het absolutisme, een grotere mate van centralisatie te verkrijgen en uiteindelijk zelf de soevereiniteit en laatste beslissingsmacht te behouden. Dit streek echter tegen de haren in van stedelijke en 'provinciale' bestoren, die nu hun zelfstandigheid en verregaande discretionaire bevoegdheden – zoals in Brabant bijvoorbeeld de privileges van de Blijde Inkomst – bedreigd zagen. Bovendien waren er naast deze traditionalistische groepen ook stromingen met een meer 'democratisch' gedachtengoed, die hun politieke doelstellingen eveneens verder weg zagen drijven.

Daarnaast streefde Jozef II naar het terugdringen van de invloed van de kerk en – als exponent daarvan – het ultramontanisme. Het ultramontanisme kwam erop neer dat in kwesties die zowel de wereldlijke als de geestelijke sfeer raakten, de opvattingen van de kerk doorslaggevend zouden zijn. Voorbeelden hiervan zijn de huwelijkswetgeving en de censuur. De Belgische geestelijkheid was deze leer zozeer toegedaan, dat zij de hieruit voortvloeiende standpunten tot de essentie van het rooms-katholieke geloof rekende.[6] Het zal dan ook geen verbazing wekken dat Jozefs hervormingsdecreten, die leidden tot verdergaande tolerantie van de protestanten, de opheffing van sommige kloosters, tot ingrijpen in het parochiewezen en hervorming van de Faculteit Theologie aan de Leuvense universiteit in anti-ultramontaanse zin, veel kwaad bloed zette bij de geestelijkheid en de aan haar hoede toevertrouwde gelovigen.

Terwijl Jozef het ideaal voor ogen stond de bevolking van alle onder zijn heerschappij vallende gebieden – hoe heterogeen dit geheel ook mocht zijn – tot één hecht staatsvolk samen te smeden, bereikte hij, in ieder geval voor wat België betreft, juist het tegenovergestelde.

[De oppositie] (...) zag in de constitutie, die belichaamd was in de privileges van elk vorstendom, de zuivere uitdrukking van het karakter van de natie. Die constitutie was al langer met de natie verbonden dan het huis van Oostenrijk, en was dus heiliger dan de trouw aan dat huis.[7]

 

De wederzijdse trouw werd nu uiteengezet in termen van sociaal contract, onder invloed van Rousseau, en ook de andere stellingen van filosofen op wie Jozef II en zijn aanhangers zich beriepen, werden in pamfletten tegen hem gekeerd: de natuurlijke rechten, de heerschappij van de wet en het algemeen belang, tezamen gesteld tegenover het despotisme.

Na jaren van lijdelijk verzet, protesten, comité's, volksoplopen, rellen en opstandjes, culmineerde de weerzin tegen Jozefs politiek in januari 1790 in het verdrijven van de vorst en het naar Amerikaans voorbeeld instellen van de republiek van de Unie van de Verenigde Nederlandse Staten (Etats Belgiques Unis) onder traditionalistische leiding in Brabant (wat fraai geïllustreerd wordt door de leus en naam van een revolutionair comité 'Pro Aris et Focis': 'Voor Outer en Heerd!') en meer verlicht-democratisch in Vlaanderen. Hoewel deze republiek het niet lang uithield – in november van datzelfde jaar vielen Oostenrijkse troepen onder goedkeuring van de Mogendheden Namen binnen om al op 3 december zonder tegenstand Brussel in te nemen – was hiermee wel de toon gezet.

Het zou te ver gaan om in dit korte bestek de vele en verwarrende verwikkelingen tot aan de annexatie door Frankrijk te beschrijven. Maar, om met Kant te spreken:

Die Revolution eines geistreichen Volks, die wir in unseren Tagen haben vor sich sehen gehen, (...) – diese Revolution, sage ich, findet doch in den Gemütern aller Zuschauer (die nicht selbst in diesem Spiele mit verwickelt sind) eine Teilnehmung dem Wunsche nach, die nahe an Enthusiasm grenzt (...) Nun behaupte ich, dem Menschengeschlechte, nach den Aspekten und Vorzeichen unserer Tage, die Erreichung dieses Zwecks und hiemit zugleich das von da an nicht mehr gänzlich rückgängig werdende Fortschreiten zum Besseren, auch ohne Sehergeist, vorhersagen zu können. Denn ein solches Phänomen in der Menschengeschichte vergisst sich nicht mehr (…)[8]

 
Bovendien vatte (eens te meer) de opvatting post dat de rooms-katholieke religie een essentieel onderdeel van de Belgische natie uitmaakte.
 

De Franse tijd

Onder de zoeven reeds genoemde Franse inlijving kwam voorgoed een einde aan het Ancien Régime. Verlichte ideeën over gelijkheid kwamen tot (een begin van) verwerkelijking, het standenonderscheid leek te verdwijnen. Van wezenlijk belang voor de vorming van de Belgische natie is ook de in de Franse tijd ingevoerde indeling in departementen. Gedeeltelijk vond deze indeling plaats overeenkomstig reeds bestaande grenzen; van groot belang voor het proces van natievorming waren evenwel de territoriale fusies. Het voormalige prinsbisdom Luik, dat op een onoverzichtelijke wijze versnipperd langs de Maas lag, werd verdeeld tassen reeds bestaande bestuurlijke eenheden, zoals het vorstendom Stavelot-Malmedy, en nieuwe scheppingen, zoals het departement van de Nedermaas (Limburg) en dat van de Ourfhe (de huidige provincie Luik). 'Dat heeft de opslorping van de eeuwenoude Luikse natie in de Belgische natie bevorderd, die vergemakkelijkt werd door de industriële osmose die al sinds decennia groeide tussen beide landen.'[9] De diversiteit en het particularisme die de Zuidnederlandse provincies zo lang gekenmerkt hadden, maakten plaats voor uniform Frans bestuur en recht en op basis van het decimale stelsel gestandaardiseerde maten, gewichten en munten. Na Napoleons val zou de oude indeling niet meer terugkeren.

De plunderingen en decreten van het Franse bestuur stuitten echter op weerstand van de bevolking, met name in de niet-franstalige gebieden, die waarschijnlijk minder gemakkelijk vatbaar waren voor de Frans-revolutionaire propaganda. Van priesters die de eed van haat aan het koningschap weigerden, werden de kerken gesloten, kerkelijke instellingen werden opgeheven en priesters die naar het oordeel van de overheid al te openlijk verzet hadden gepleegd, werden veroordeeld om naar Guyana gedeporteerd te worden. Toen in 1798 een dienstplichtwet werd uitgevaardigd, brak op het platteland in Vlaanderen, Brabant en duitstalig Luxemburg gewapend verzet uit. Conscriptielijsten en belastingdocumenten werden vernietigd, regerings-vertegenwoordigers vermoord, kerken wederom opengesteld. In sterke mate werd teruggegrepen op de opstand tegen het huis van Oostenrijk in het begin van het decennium: Voor Outer en Heerd! Maar deze opstandige geest waarde slechts op het platteland rond; in de steden vond hij geen aanhang. Voor het einde van het jaar was de rebellie neergeslagen.

Het nieuwe bestel werd bestendigd onder Napoleon in het concordaat van 1801, waarin de paus berustte in de revolutie en afstand nam van het Ancien Régime. De kerk kon in de Franse gebiedsdelen dientengevolge weer enigszins in de openbaarheid treden, zij het nu gevoegd in de patronen die haar door het Franse bestuur werden opgelegd. De Belgische geestelijkheid volgde de paus en legde zich bij de nieuwe situatie neer. De duurzaamheid en superioriteit van het Franse bewind zouden bovendien nieuw ingevoerde elementen, die op termijn het behouden waard gevonden zouden worden, vaste voet in de Belgische samenleving doen krijgen.

De burgerlijke gelijkheid, het opheffen van tienden en heerlijke rechten, het verdwijnen van een massa grenzen en tolheffingen, de invoering van het metriek stelsel van maten en gewichten zowel als van de napoleontische wetboeken, het individuele en anonieme stemrecht in plaats van een corporatief bestuur, dat alles zou niet meer ter discussie worden gesteld.[10]

De Verenigde Nederlanden en de revolutie van 1830

Na Leipzig en Waterloo werden de Zuidelijke Nederlanden grotendeels tegen wil en dank toegevoegd aan het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden. De Belgische katholieken zagen bevreesd een hervormde telg uit het toch al niet geliefde huis Oranje als staatshoofd aangesteld, terwijl zij de voorkeur hadden gegeven aan een staat met het katholicisme als officiële godsdienst. De belofte van burgerlijke tolerantie, vrijheid en en bescherming voor alle godsdiensten, zoals die in het ontwerp-grondwet was vastgelegd, werd door de Belgische bisschoppen niet afgewezen, maar zij zagen hierin desalniettemin een aantasting van de aanspraak op de waarheid die door hun Kerk werd gedaan. Het bestuur van het onderwijs, dat in België voor het grootste deel in handen van de Kerk was, wees de nieuwe grondwet bovendien direct toe aan de vorst. Deze verkoos als medewerkers voor de katholieke godsdienst voorstanders van 'een verlichte Belgische Kerk onder staatsgezag.'[11] Ook dit was niet naar de zin van de bisschoppen. Ondanks de weerzin van de kerkleiding en de dreiging met zware sancties legden vele Belgische notabelen echter toch de eed op de grondwet af en leek de constitutie voor het nieuwe staatsbestel, napoleontischunitair, maar met de vorst als soeverein, voet aan vaste grond te hebben gekregen. De vorming van de moderne Belgische natie was volgens Wils echter nog onvoltooid: 'De volkssoevereiniteit ontbrak; op het Westeuropese vasteland zou de burgerij die in de loop van de volgende decennia trachten te verwerven, desnoods door revolutie. Juist door die strijd zou de moderne natievorming er voltooid worden.'[12]

Taak van de soeverein was nu te pogen de beide Nederlanden tot één hechte natie aaneen te smeden. De economische ontwikkelingen direct na de eenwording stelden de kersverse koning evenwel al voor aanzienlijke problemen. Nu de Franse afzetgebieden moeilijker toegankelijk geworden waren voor produkten van de Belgische industrie en de binnenlandse markt overspoeld leek te worden met Engelse fabrikaten, die stevig met de Belgische waren konden concurreren, zag de toekomst er niet rooskleurig uit. De Belgische fabrikanten richtten hun beschuldigende vingers op Willem I, omdat hij met zijn vrijhandelspolitiek slechts de belangen van de Hollandse kooplieden behartigde en weigerde het voor de Belgische industrie zo belangrijke protectionisme in te voeren. Over invoerrechten en belastingen ontstond in de jaren 1821-1822 grote onenigheid, maar dit geschil bleek overkomelijk toen de conjunctuur zich naar verloop van tijd herstelde en de Belgische industrie na het wegvallen van de Franse afzetmarkt ter compensatie haar produkten in Holland en de koloniën kwijt kon. Verdere successen in zijn economische politiek vestigden Willems populariteit bij de ondernemende klasse in het zuiden.

Met de ontwikkeling van een taalpolitiek heeft Willem I vrij lang gewacht, ondanks diverse verzoeken daartoe van de zijde van de traditionalistische ambachtsdekens van de grote Vlaamse steden en het invloedrijke tijdschrift Spectateur Beige. Dergelijke aanhoudende verzoeken leidden er zelfs toe dat de uitgever van het blad, de priester Leo De Foere, en zijn drukker wegens het veroorzaken van 'onrust, onenigheid en mistrouwen' tot een gevangenisstraf werden veroordeeld. Over de dominante taal in de zuidelijke gewesten schrijft Wils als volgt:

Dit geval toont aan dat de taalpolitiek voor de koning weinig belang had, vergeleken bij zijn verlichte strijd tegen het 'fanatisme'. Hij verkoos te werken met de aanhangers van het napoleontisch bewind, de antiklerikalen die tijdens de inlijving ook de verfransing voor lief genomen hadden, en die nu hun collegae-ambtenaren en -magistraten niet wilden lastigvallen met de verplichting om de volkstaal te gebruiken. Pas in 1819 zou de Franse taaldwang in het gerecht worden opgeheven (...)[13]

 
Er zijn echter ook publicisten die deze taalkwestie iets genuanceerder benaderen. Voor wat betreft de situatie na 1830 bijvoorbeeld schrijft E. Gubin dat de gehele aard van de leidende (franstalige) bourgeoisie weliswaar het overwicht van het Frans verder vergrootte, maar dat deze ontwikkeling mede in de hand werd gewerkt door de apathische houding van de overgrote meerderheid van de Vlaamse bevolking. Met name in de jaren 1840 verslechterde de economische conjunctuur in Vlaanderen zódanig, dat de meesten hun handen al vol hadden met het zoeken naar iets eetbaars en niet snel geneigd waren zich druk te maken om een Vlaamse Academie of een evenwichtiger verhouding tassen het gebruik van het Frans en dat van het Vlaams door de bestuurlijke en rechtsprekende instanties. Bovendien bedienden ook de wat beter gesitueerde Vlamingen zich regelmatig van het Frans, en dit niet alleen omdat degene tot wie zij zich richtten het Vlaams niet beheersten. Zelfs de man die wij met enige overdrijving de vader van de Vlaamse Beweging mogen noemen, Jan Frans Willems, schreef zijn brieven aan de Nederlandse advocaat en litterator Wiselius in het Frans: 'Je suis pressé, vu que Ie flamand ne coule pas aussi facilement de ma plume.'[14] Ook het veelvuldig gebruik van gallicismen is de eerste flaminganten niet vreemd, hetgeen aantoont dat zelfs zij nog sterk onder de invloed stonden van de dominante cultuurtaal. 'Ainsi la prépondérance du francais, établie comme un état de fait par la bourgeoisie qui triompha en 1830, fut-elle implicitement acceptée par 1'ensemble de la population.'[15]
 

Het was volgens Wils ook niet zozeer het voornemen van Willem I om de volkstaal te herstellen, als wel om de staatstaal haar intrede te laten doen (al beheerste de koning zelf het Frans beter dan het Nederlands). Maar over het algemeen bracht Willems taalpolitiek de gemoederen niet in beweging. Het onderscheid tussen Vlamingen en Walen werd als zeer gering ervaren vergeleken bij dat tussen Nederlanders en achtergestelde Belgen. In de petitionnementen van de late jaren 1820 nam de taalpolitiek maar een secundaire plaats in.

Van groter belang was het beleid ten aanzien van het onderwijs. Vanouds lag het ontwikkelingspeil in de Noordelijke Nederlanden flink wat hoger dan in het zuiden en was het onderwijs er aanzienlijk beter georganiseerd. Het lager onderwijs in België had in de Franse tijd bovendien extra te lijden gehad onder ontwrichting en verwaarlozing. In een poging deze grote verschillen te verkleinen, trachtte Willem I, aanvankelijk nog omzichtig rekening houdend met het katholieke volksdeel, het Hollandse onderwijsstelsel ook in het zuiden te introduceren. In geval van het welslagen van deze onderneming, zou hij tevens op een ruime groei van zijn populariteit kunnen rekenen.

In 1825 kreeg hij echter de wind weer stevig van voren, toen de paus weigerde toestemming te geven voor de toepassing van het napoleontisch concordaat in het noorden. Om de katholieke kerk onder druk te zetten gaf Willem I de aanzet tot het sluiten van de klein-seminaries en tot het verplicht volgen van een door hemzelf geconcipieerd 'filosofisch college' voor de aanvang van elke katholieke theologiestudie. Het conflict dreigde nu te escaleren: katholieken uit het noorden sloten zich aan bij die uit het zuiden – wat in de jaren daarvóór nauwelijks was voorgekomen – en zij beriepen zich gezamenlijk op de ongeveer tien jaar geleden voor hen nog zo omstreden, grondwettelijk gegarandeerde godsdienstvrijheid. In de felheid van hun reactie schoten zij de paus nog voorbij, die in den beginne nog een gematigde houding en onderhandelingen met de overheid aanbevolen had, maar al gauw tot steun aan de oppositie van zijn kudde bewogen werd.

In mei 1826 besloot Willem I over te gaan tot het opleggen van een algemene regeling voor de katholieke kerk, die met ingang van 1 januari 1827 in werking zou moeten treden. Enigszins onverwacht – wie zou na de invoering van dergelijke maatregelen geen protesten van het Vaticaan voorzien? – verklaarde paus Leo XII dat hij bereid was de onderhandelingen over het concordaat weer op te nemen. Vrijwel geheel buiten de heftig protesterende katholieke oppositie om kwamen beide partijen tot een compromis: het concordaat van 1801 bleef behouden en werd uitgebreid tot het noorden van het Koninkrijk, waartegenover stond dat het 'filosofisch college' slechts facultatief werd gesteld en het aantal bisdommen zich met drie kon uitbreiden in Brugge, 's-Hertogenbosch en Amsterdam. Het toppunt van verontwaardiging bereikten de katholieken echter, toen de koning datzelfde jaar nog een reeks verdergaande hervormingen van het Vaticaan verzocht, terwijl tezelfdertijd langs de provinciegouverneurs een circulaire rondging met daarin de mededeling dat het gesloten compromis niets aan de bestaande situatie zou veranderen!

Ondertussen roerden zich ook de liberalen. Onder de leiding van baron de Gerlache uit Luik en met de Luikse krant de Mathieu Laensbergh als spreekbuis, probeerden zij de verschilende oppositionele facties te verenigen teneinde een krachtiger front te vormen tegen de inbreuken op de grondwettelijk gegarandeerde godsdienstvrijheid en tegen de koninklijke opvatting als zouden godsdienstvrijheid en onderwijsvrijheid gescheiden geïnterpreteerd moeten worden. Hieraan voegden de liberalen hun eisen toe van 'vrijheid in alles en voor allen', persvrijheid en volkssoevereiniteit. In de loop van de jaren 1827-1829 kozen geleidelijk meer en meer katholieke kranten en notabelen de zijde van de oppositionele unie. De kerk verleende, zij het stilzwijgend, haar goedkeuring aan deze ontwikkeling.

Uit het voorgaande mag evenwel niet worden opgemaakt, dat alle liberalen en alle katholieken zich nu en bloc tegenover Willem I opstelden. Voor een aantal liberalen was de antiklerikale politiek van de koning juist aanleiding om de (al dan niet spreekwoordelijke) oppositiebankjes te verlaten en zich achter het regeringsbeleid te scharen. Daarboven ontvingen antiklerikale periodieken overheidssteun, opdat de kritiek op de unie niet zou aflaten.

De recente ontwikkelingen veroorzaakten een schisma in de Staten-Generaal, waarbij de noordelijke afgevaardigden zich aanhankelijk rond hun vorst schaarden in de hoop het gevaar van het Belgische liberaal-katholieke blok op deze wijze af te wenden. Volgens Wils is dit het cruciale moment waarop de mogelijkheid van het behoud van deze eenheidsstaat teloorging:

Hier brak de staat in twee. Indien de unie zich had kunnen uitbreiden over het hele land, dan had zij wellicht de aanzet kunnen worden van een Nederlandse natievorming, of was ze tenminste niet de voltooiing geworden van een anti-Hollandse Belgische natievorming (…) De oppositie werd dus een uitgesproken Belgische oppositie (…)[16]

 
De reactie van de koning bestond deels uit een (gedeeltelijke) tegemoetkoming inzake belastingen, taalwetgeving en pers- en onderwijsvrijheid, teneinde de heftigste verontwaardiging enigszins te sussen. Voor het overige trachtte hij de springvloed door onderdrukking te keren: ambtenaren ontsloeg hij, leden van de oppositie wist hij uit de Kamers te bannen of strafrechtelijk te vervolgen.
 

Belgische nationale gevoelens namen evenredig toe met de afkeer van Willems politiek en in augustus 1830, het jaar waarin vrijwel geheel Europa met revoluties overspoeld werd, braken ook in Brussel ongeregeldheden uit. De in allerijl in Parijs bijeengekomen grote mogendheden – Engeland, Rusland en Pruisen – beschouwden een losser verband, zoals bijvoorbeeld een persoonlijke unie, de enige mogelijkheid om van het Verenigd Koninkrijk nog iets overeind te houden. Eind september moest het leger Brussel ontvluchten en op 4 oktober 1830 riep een Voorlopig Bewind België's onafhankelijkheid uit. Nog in december van datzelfde jaar legden 'de mogendheden' zich bij de scheiding van het koninkrijk neer als bij een voldongen feit.

Na een jarenlange crisis had in de zomer en de herfst van 1830 de Belgische bourgeoisie de macht gegrepen. Tegenover de vreemde absolutistische vorst had zij zich opgeworpen als vertegenwoordiger van de natie, die voortaan uit gelijke staatsburgers zou bestaan met 'vrijheid in alles en voor allen'. Zij had daarvoor geestdriftige ondersteuning gevonden bij alle bevolkingsgroepen, van de adel en de geestelijkheid tot de arbeiders en de boeren.

Het proces van omvorming van de oude in een nieuwe natie was daarmee voltooid. Dat was niet alleen een eindpunt, maar evenzeer een beginpunt: een natie is volgens de socioloog Ernest Renan immers 'un plébiscite de tous les jours'.[17]

Besluit

Ter afsluiting zal eerst een blik geworpen worden op de uit bovenstaande tekst te distilleren kenmerken van de (moderne) natie, deels toegespitst op België, deels van een zodanig algemene aard dat zij in iedere moderne natie hetzij scherp, hetzij minder duidelijk, te onderscheiden zijn. Voor de duidelijkheid moet hier benadrukt worden dat onderstaand overzichtje niet beoogt een limitatieve of exclusieve opsomming van de aard van de moderne natie te bieden; getracht is slechts kort haar grove contouren weer te geven. Het silhouet van de (moderne) natie ziet er ongeveer als volgt uit:

Een eerste kenmerk is dat het Ancien Régime vervangen is door een moderne, unitaire en gelaïciseerde staat en een burgerlijke samenleving.

Een tweede kenmerk – in nauwe samenhang met het eerste – is dat het bestuur geuniformiseerd is: burgers dienen als eenheid behandeld te worden en zich één te voelen; de individuele gelijkheid voor de wet houdt hiermee hecht verband.

Een derde kenmerk is dat op het grondgebied van de staat het volk soeverein is.

Een vierde kenmerk is dat de burgers zich sterk bewust zijn van hun fundamentele eigenheid ten opzichte van andere (potentiële) naties.

Een vijfde kenmerk is (veelal) de afkeer van een overweldigende of uitbuitende (naburige) mogendheid, in welk geval de nationale identiteit op een negatieve wijze tot stand komt.

Een zesde kenmerk, dat echter niet in alle gevallen opgang doet, is de hechte verwevenheid van de godsdienst – in het geval van België uiteraard het roomskatholicisme – met de nationale identiteit.

Een zevende kenmerk, dat voor het België van vóór 1830 eigenlijk nog maar een marginale rol speelt, maar in de daaropvolgende eeuw in betekenis toeneemt, is de taal als natievormende factor.

Als achtste en laatste algemene kenmerk geldt, dat de vorming van een moderne natie veelal gepaard gaat met een nieuwe afbakening van territoria; zo was voor de vorming van België als moderne natie de Franse departementale indeling en de daarbij ingecalculeerde versmelting van het prinsbisdom Luik met de omliggende gebieden van wezenlijk belang.

Laten we tot slot terugkeren naar de drie natieconcepties uit de inleiding. De laatste daar weergegeven idee, die van Weber, waarin de staat naar voren springt als de natievormende factor bij uitstek, kan moeilijk in overeenstemming worden gebracht met de aan Wils ontleende beschrijving van de totstandkoming van het moderne België. De eigen, unitaire staat is hier eerder het sluitstuk van de Belgische natievorming dan de pilaar waar het bouwwerk van de natie op steunt. Voor de hier behandelde periode kan dit sjabloon ons derhalve niet van dienst zijn – wat gebruik voor een later tijdperk uiteraard niet uitsluit. De tweede, romantisch-objectieve natieconceptie biedt wellicht wat meer soelaas. Zo is beschreven hoe in een tijdspanne van ongeveer een halve eeuw de eigenheid en het bewustzijn van het eigen karakter van de Zuidelijke Nederlanden op zodanige wijze zijn benadrukt en gevormd, dat in het uitvloeisel van het natievormingsproces – de zelfstandige eenheidsstaat – het Belgische volk, waarvan volgens Wils in 1830 immers gesproken kan worden, de eigen identiteit – de Volksgeist zo men wil – weerspiegeld en gerespecteerd ziet. Bezwaar is echter, dat de Historische School niet rept van het ontstaan van een Volksgeist, maar deze eenvoudig als gegeven veronderstelt. Evenzo zwijgen de romantici over de (radicale) beïnvloeding van een Volksgeist van buitenaf en wordt al te zeer de nadruk gelegd op de historische continuïteit en de geleidelijke organische ontwikkeling. Als laatste wordt hier Renans 'plébiscite de tous les jours' in herinnering geroepen. De enkele wil één te zijn, vergezeld van een gemeenschappelijk gedragen verleden, dat zou de natie maken tot wat zij is. Vergeleken bij de door Wils aangedragen kenmerken van de moderne natie mag deze definitie wellicht wat kaal of on-af overkomen, maar in de kern, zo moet geconcludeerd worden, geeft Renans definitie het beste aan wat we in de besproken periode onder de Belgische natie moeten verstaan.

Afkomstig uit: 

Titel:      Het ontstaan van de Belgische natie, 1789-1830 
Nummer: De natie benaderd
Jaargang:  11.1

  

Download het gehele nummer op onze website: 

 

 

 

Noten:

 

[1] E. Renan, Qu'est-ce qu'une nation? (Parijs 1882).

[2] E.-W. Böckenförde, Recht, Staat, Freiheit. Studien zur Rechtsphilosophie, Staatstheorie und Verfassungsgeschichte (Frankfurt am Main 1991) 12.

[3] Ibidem, 16 en 17.

[4] Ibidem, 17 en 18.

[5] E. Weber, Peasants into Frenchmen. The Modernization of Rural France, 1870-1914 (Stanford 1976).

[6] L. Wils, Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen (Leuven en Apeldoorn 1992) 104.

[7] Ibidem, 105.

[8] I. Kant, Der Streit der Fakultäten. Zweiter Abschnitt, uit: Kant, Werke in zehn Bänden, Band 9, 368 en 351.

[9] Wils, Van Clovis tot Happart, 114.

[10] Ibidem, 116.

[11] Ibidem, 125.

[12] Ibidem, 126.

[13] Ibidem, 129 en 130.

[14] E. Gubin, Bruxelles au XIXe siècle: berceau d'un flamingantisme démocratique (1840-1873) (Brussel 1979) 29.

[15] Ibidem, 30.

[16] Wils, Van Clovis tot Happart, 133 en 134.

[17] Ibidem, 136.

Meer weten

Tijdschriften: