‘Ontbloot van alle winsten?’ Armoede en overlevingsstrategieën van gebroken gezinnen in Holland, 1600-1800.

In 1650 liet Annetgen Ramaerts het Leidse stadsbestuur weten dat haar echtgenoot, de gewezen bakker Denijs Henricx, ‘alle christelijcken plichten die hij soo aen sijn vrou als kinderen schuldich is te bewijsen’ vergeten was. Hij liet haar ‘in noot (…) sitten sonder eenige voorraet ter werelt te verschaffen’ met medeneming van het schuldboek, waardoor het gebroken gezin ook nog eens de uitstaande schulden van de bakkerij misliep. Het stadsbestuur nam in

Auteur: Ariadne Schmidt

overweging dat Denijs ‘vergeten hebbende alle vaederlijcke plichten omtrent sijne kinderen gantsch geene sorge voor der selver onderhout en hebben’ en gaf Annetgen Ramaerts toestemming de openstaande schulden zonder schuldboek te verhalen, om haar ‘des te beter middel te geve om haere kinderen te onderhouden’.[1]

Annetgen Ramaerts was een van de vele vrouwen die zonder of met slechts beperkte hulp van een echtgenoot in het levensonderhoud van haar gezin moest voorzien. De gehuwde Jannetje de Roo, die de kost met ‘enig hantwerc’ verdiende, wist niet of haar man, die zeven jaar eerder ingescheept was naar Oost-Indië, nog leefde. Marijtgen Jacobs, ‘desolate huijsvrouwe’ van Cornelis Pieters, had geen geld om voor haar vier kleine kinderen te zorgen. Trijntje Remmers, vrouw van een ‘zeevarend persoon’, zocht werk om de studie van haar zoon te betalen. De onbestorven weduwe Jaepge Cornelis besloot met mutsenmaken de kost te verdienen voor haar gezin, nu zij was ‘ontbloot van winste, die anders een man komt in te brengen’. Cornelia van Liesvelt liet weten dat zij niet alleen ‘haer Lieff Geselschap’ kwijt was ‘mer oock missen ende ontberen moet de Gagien off tractementen wegen sijnen dienst’ evenals Aechgien Leenderts die in haar ‘weduelijcken staet’ ‘ontbloot’ was ‘van alle winsten’.[2]

Pas aan het einde van de achttiende eeuw werd met de brede verspreiding van het huiselijkheidsideaal vrouwen nadrukkelijk de privésfeer toegewezen. Maar de norm van het mannelijk kostwinnerschap was voordien allerminst onbekend. Vrouwen namen de taken binnenshuis op zich, mannen verdienden het inkomen voor het gezin – dat was ook volgens vroegmoderne moralisten het ideaal.[3] De praktijk was weerbarstiger. Veel gehuwde vrouwen werkten. Een West-Europees huwelijkspatroon met een hoge huwelijksleeftijd en een hoog permanent celibaat, hoge sterftecijfers, seksespecifieke migratie en een sterk op zeevaart gerichte economie zorgden ervoor dat grote groepen vrouwen het, al dan niet tijdelijk, zonder inkomen van een echtgenoot moesten zien te redden. Wat was de invloed van de afwezigheid van een mannelijke ‘kostwinner’ en hoe wisten gebroken gezinnen te overleven in de vroegmoderne stad? Dit artikel geeft op basis van recent verschenen literatuur en aanvullend archiefonderzoek in Leiden een overzicht van de armoede en overlevingsstrategieën van gebroken gezinnen met een vrouw aan het hoofd.[4] Daarbij wordt gekeken naar deverschillen tussen weduwen en onbestorven weduwen, vrouwen die formeel gehuwd waren maar in de praktijk zonder man leefden.

Vrouwen in de stad

Vroegmoderne steden kenden vaak een ongelijke sekseratio. Dit had allereerst een demografische oorzaak. Vrouwen hadden waarschijnlijk een hogere  levensverwachting dan mannen. Wanneer zij het gevaarlijke kraambed hadden overleefd, was de kans groot dat zij ook hun echtgenoot zouden overleven.[5] Weduwen hertrouwden minder vaak dan weduwnaars.[6] Ook het aantal vrouwen dat nooit trouwde was groot, rond vijftien procent, in steden soms tot twintig procent.[7] De ongelijke sekseratio werd versterkt door seksespecifieke migratie. Onder meer het grote belang van zeevaart droeg verder bij aan het zogenaamde ‘vrouwenoverschot’ (of ‘mannentekort’) in steden in de Republiek. Ook de mogelijkheden voor vrouwen op de stedelijke arbeidsmarkt waren gunstiger dan op het platteland en vooral de grote vraag naar dienstpersoneel trok jonge vrouwen naar de stad.

De groei aan maritieme activiteiten had zijn weerslag op het leven aan wal. De VOC organiseerde tussen 1602 en 1795 bijna vijfduizend reizen en ongeveer één miljoen mensen, voornamelijk mannen, vertrokken naar Azië. Ongeveer twee derde van hen keerde nooit terug.[8] In de kustprovincies van de Republiek vond tussen de vijftien en vijfendertig procent van de mannelijke beroepsbevolking werk op de maritieme arbeidsmarkt.[9] In zeevarende gemeenschappen lagen de percentages nog hoger. Hoewel er bij de VOC en de marine veel buitenlanders aanmonsterden, kwam het merendeel van de zeelieden uit de Republiek.[10]

Lange tijd gingen historici ervan uit dat zeelieden ongebonden mannen waren omdat hun inkomsten vaak te laag waren om een gezin van te onderhouden. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat dit niet klopt.[11] Zo liet zeker een op de vijf mannen die tussen 1730 en 1750 in Amsterdam aanmonsterden een echtgenote achter en was van de arme mannen die in 1700 in Enkhuizen aanmonsterden een derde getrouwd. Gehuwde vrouwen moesten vaak jaren wachten op de terugkeer van hun man en voorzagen tussentijds alleen in hun onderhoud.[12]

Ook buiten zeevarende gemeenschappen leefde een onbekend aantal gehuwde vrouwen tijdelijk zonder man. Amy Erickson schatte dat in vroegmodern Engeland ongeveer tien procent van de gehuwde vrouwen op enig moment werd verlaten.[13] Huwelijksproblemen, gevangenschap, opname in een gasthuis, landloperij, conscriptie of handelsreizen brachten gehuwde vrouwen voor korte of langere tijd in omstandigheden die op die van zeemansvrouwen en weduwen leken.

De verhouding tussen mannen en vrouwen was niet onder alle lagen van de bevolking gelijk, maar afhankelijk van bijvoorbeeld leeftijd en sociale achtergrond. Lotte van de Pol berekende voor de christelijke Amsterdamse bevolking ouder dan veertien jaar een sekseratio van vier vrouwen op drie mannen en voor het armste deel van de bevolking zelfs drie vrouwen op twee mannen. De sekseratio in Delft was in 1749 ongeveer 135 à 140 vrouwen op 100 mannen.[14]

Veel vrouwen zonder man woonden zelfstandig. Zo was het aandeel ‘vrouwenhuishoudens’ in Zwolle in 1712 opmerkelijk hoog (27 procent) door de aanwezigheid van vele soldatenvrouwen.[15] Elders zorgde de zeevaart voor de grote aantallen vrouwenhuishoudens, zoals in Schiedam waar in 1680 22 procent van de huishoudens een vrouw aan het hoofd had. Veel van deze vrouwen waren weduwen.[16]

Tabel 1. Samenstelling (arme) huishoudens Leiden, 1622.

Samenstelling     Huishoudens   Waarvan arm     Arme huishoudens   
Echtpaar               3085 (72,9%) 19,2% 593 (72,6%)
Weduwe 539 (12,7%) 25,4% 137 (16,8%)
Vrouw zonder kinderen  223 (5,3%) 15,2% 34 (4,2%)
Vrouw met kinderen 65 (1,5%) 24,6% 16 (1,9%)
Man 246 (5,8%) 12,6% 31 (3,8%)
Overig/onbekend 77 (1,8%) 6,5% 5 (0,6%)
Totaal 4235 (100%) 19,3 816 (99,9%)

Bron: RAL, SA II inv.nrs 4021-4022.

Voor Leiden zijn de verhoudingen over een langere tijd te volgen. In 1581 had een derde van de  huishoudens een vrouw aan het hoofd. Ongeveer 22 procent was weduwe.[17] In 1622 waren de demografische verhoudingen meer in evenwicht en bedroeg het aandeel weduwenhuishoudens bijna dertien procent (zie tabel 1). Bijna zeven procent van de huishoudens had alleen een vrouw aan het hoofd, met, maar vaker zonder kinderen. In de eerste helft van de achttiende eeuw nam de bevolking in Leiden af. Toch lijken de verhoudingen niet wezenlijk veranderd (tabel 2).[18] Volgens de volkstelling van 1748 had ruim een kwart van de huishoudens een vrouw als hoofd: bijna dertien procent was weduwe en ruim dertien procent een vrouw zonder man, met (5,4 procent) en zonder (7,7 procent) kinderen.[19] Grote aantallen vrouwen moesten zelfstandig in het levensonderhoud voorzien. Hoe werden zij achtergelaten?

Tabel 2. Samenstelling (arme) huishoudens Leiden, 1748.

Samenstelling  Huishoudens   Waarvan arm   Arme huishoudens 
Echtpaar zonder kinderen  2689 (27,5%) 8,2% 221 (13,9%)
Echtpaar met kinderen 3718 (38,0%) 14,1% 525 (33,0%)
Weduwe 466 (4,8%) 30,3% 141 (8,9%)
Weduwe met kinderen 764 (7,8%) 29,5% 225 (14,1%)
Vrouw alleen 750 (7,7%) 23,2% 174 (10,9%)
Vrouw alleen met kinderen    529 (5,4%) 42,2% 223 (14,0%)
Zusters 44 (0,4%) 6,8% 3 (0,2%)
Twee vrouwen 11 (0,1%) 18,2% 2 (0,1%)
Man alleen 485 (5,0%) 9,7% 47 (3,0%)
Man alleen met kinderen 288 (2,9%) 9,7% 28 (1,8%)
Overig/onbekend 46 (0,5%) 6,5% 3 (0,2%)

Totaal                                        9790 (100,1%)                           1592 (100,1%) 

Bron: Database Volkstelling 1748 [20]; Tjalsma, ‘Een karakterisering’, 32.

‘Ontbloot van winsten?’

Een belangrijk verschil tussen weduwen en onbestorven weduwen lag in hun juridische status en de consequenties daarvan voor hun toegang tot bestaansmiddelen was op het eerste gezicht groot. Zo was er gerede kans dat weduwen beschikking hadden over enig kapitaal. Zonder testament kregen weduwen de helft van de gemeenschappelijke boedel, terwijl de andere helft werd verdeeld onder de erfgenamen van haar man, doorgaans de kinderen. Was er wel een testament, dan kreeg een weduwe meestal meer: veel gehuwde mannen benoemden hun echtgenote tot belangrijkste erfgenaam.[21]

Dienaren van de VOC konden door middel van maandbrieven een deel van hun gage laten uitbetalen aan de achterblijvers. Aan dergelijke vermakingen werden wel beperkingen gesteld, maar Danielle van den Heuvel ontdekte dat de VOC bij uitbetalingen prioriteit gaf aan een goede verzorging van het achtergebleven gezin. De bedragen die echtgenotes ontvingen, varieerden en waren uiteraard afhankelijk van de functie van een echtgenoot. Daarnaast kon een VOC-zeeman zijn vrouw ook nog een keer per reis geld ter beschikking stellen per schuld- ofwel transportbrief. Het duurde wel verscheidene jaren voordat het volledige bedrag kon worden uitbetaald en voor veel vrouwen duurde dat te lang. Het geld dat gebroken gezinnen via maandbrieven ontvingen, was niet voldoende om van te leven.[22] Het vormde hooguit een aanvulling op het budget, maar wel een aanvulling die de meeste andere onbestorven weduwen, verlaten of gescheiden vrouwen, ontbeerden.

De verschillen in formele status hadden nog andere gevolgen. In Holland waren weduwen handelingsbekwaam. Zij hadden meer mogelijkheden om zelf in hun inkomen te voorzien aangezien ze zelfstandig contracten konden sluiten en goederen konden (ver)kopen. Onbestorven weduwen hadden deze mogelijkheid niet.[23] Zij hadden waarschijnlijk een grotere vrijheid dan andere gehuwde vrouwen in de besteding van het huishoudbudget, maar dat gold niet voor beslissingen met grotere financiële consequenties. Alleen hun echtgenoot had het beschikkingsrecht over de gemeenschappelijke boedel. Wanneer hij afwezig was, kon zij niet zomaar zelfstandig een erfenis aanvaarden of goederen (ver)kopen. Het recht bood echter een ontsnappingsmogelijkheid. Een echtgenoot kon zijn vrouw door middel van een akte van procuratie machtigen om bepaalde formele handelingen te verrichten in de periode van zijn afwezigheid. In Schiedam verruimde driekwart van de zeelieden op die manier de handelingsbevoegdheid van hun echtgenotes.[24] Ook buiten zeevarende gemeenschappen machtigden mannen hun echtgenotes, maar op welke schaal dat gebeurde is onbekend.

De afwezigheid van echtgenoten was soms onverwacht of langer dan voorzien. Niet iedere vrouw beschikte over een procuratie. Door de beperkte juridische handelingsruimte was het voor onbestorven weduwen lastiger om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien, althans in theorie. Een gehuwde vrouw kon namelijk ook via een rekest proberen haar juridische handelingsruimte te vergroten. Zowel in VOC-steden als in steden waar zeevaart minder belangrijk was, maakten vrouwen geregeld gebruik van deze mogelijkheid. De meeste van de circa 170 onbestorven weduwen die tussen 1580 en 1700 bij het Leidse stadsbestuur een verzoekschrift indiende, verzocht toestemming voor de afhandeling van zaken in de financiële sfeer. De kans op een positieve beschikking op dergelijke verzoeken was reëel. Onderzoek heeft uitgewezen dat de stedelijke autoriteiten tamelijk coulant omsprongen met de versoepeling van de juridische restricties van gehuwde vrouwen.[25]

Armoede

De steden in de Republiek werden bevolkt door grote groepen vrouwen die het in het dagelijkse leven stelden zonder man. Hun huishoudens waren niet gelijk verdeeld over de verschillende sociale lagen van de stadsbevolking. Huishoudens met een vrouw aan het hoofd hadden grote kans om tot armoede te vervallen. Toen in 1622 in Leiden het kohier (register) van het Hoofdgeld werd opgemaakt ten behoeve van de belastingheffing ter financiering van de oorlog, na afloop van het Twaalfjarig Bestand, was van te voren bekend dat de allerarmsten geen geld zouden hoeven af te dragen.  

Deze bevolkingsgroep werd wel in het kohier geregistreerd.[26] De bewaard gebleven registers wijzen uit dat gebroken gezinnen met een vrouw aan het hoofd een kwetsbare groep vormden (zie tabel 1). Weduwenhuishoudens vormden geen opvallend grote groep onder de arme huishoudens (16,8 procent) en het aantal huishoudens bestaande uit een vrouw met kinderen was zelfs opvallend klein (1,9 procent). Maar van alle weduwenhuishoudens en vrouwenhuishoudens met kinderen was maar liefst een kwart arm. Zij konden de belasting niet betalen en konden waarschijnlijk niet zelfstandig in hun levensonderhoud voorzien. 

Een eeuw later verkeerde de stad in achteruitgang en de informatie uit het kohier van 1748 geeft aan dat vooral vrouwenhuishoudens extra hard werden getroffen (zie tabel 2). Opvallend is dat het toch al kleine aantal gebroken gezinnen met een man aan het hoofd zich in economisch opzicht opmerkelijk goed staande hield. De consequenties van het wegvallen van een mannelijk hoofd waren veel ingrijpender. In het midden van de achttiende eeuw stond ongeveer een derde van de weduwenhuishoudens te boek als arm, bedeeld of behoeftig. Vrouwen alleen met kinderen behoorden tot de meest kwetsbaren van de stad: meer dan veertig procent van deze vrouwen was arm. Terwijl er echter onder weduwen nog een aanzienlijke groep te vinden was die behoorde tot de allerrijkste van de stad, was deze status voor vrouwelijke gezinshoofden, die geen weduwe waren, praktisch onbereikbaar.

Overlevingsstrategieën van gebroken gezinnen

Samenwonen

Coresidentie is in de literatuur aangemerkt als een van de overlevingsstrategieën van armen en het zogenaamde ‘spinsterclustering’ vormt daarvan een bijzondere vorm. Vrouwen zonder man kozen voor samenwoning om kosten voor onderdak te delen en kosten voor onderhoud te drukken.[27] Hoewel niet zeker is dat mensen die samenwoonden ook hun inkomen deelden, kunnen we aannemen dat het delen van (de huur van) een huis financieel voordelig was. Toch was coresidentie in Holland geen belangrijke overlevingsstrategie voor vrouwen met een gebroken gezin of alleenstaande weduwen. We zagen al dat er veel huishoudens waren met een vrouw aan het hoofd. De overgrote meerderheid van de Leidse weduwen in 1622 woonde zelfstandig, met (56 procent) of zonder kinderen (22 procent).

Soms boden ze onderdak aan anderen: vrouwen alleen, een echtpaar of kostgangers. Slechts een minderheid van de vrouwen alleen van wie we weten dat het weduwen waren (veertien procent) stond als inwonend geregistreerd. Opvallend is dat arme weduwen hierop geen uitzondering vormden. Slechts dertien procent van de weduwen die als ‘arm’ stond geregistreerd, woonde bij anderen in.[28]

De economische achteruitgang in de achttiende eeuw bracht geen wezenlijke verandering in dit patroon. Slechts acht procent van de in 1748 geregistreerde weduwen en negen procent van de alleenstaande vrouwen met kinderen woonde bij anderen in. De overigen voerden een zelfstandig huishouden. Alleenstaande vrouwen zonder gezin maakten andere keuzes en waren wel vaak inwonend.[29] Het kohier van 1748 vermeldt tot slot nog een aantal huishoudens van samenwonende zusters (44 huishoudens) of van twee vrouwen (elf huishoudens). Wanneer we hun sociaal-economische status in ogenschouw nemen, dan lijkt het onwaarschijnlijk dat zij uit financieel oogpunt voor samenwoning kozen: slechts enkele van deze vrouwen waren arm. 

Inwoning bij volwassen kinderen was niet per definitie financieel voordelig. Men diende verarmde verwanten tot in de tweede graad bij te staan en zeker van kinderen werd verwacht dat ze hun verarmde ouders hielpen. Familierelaties waren echter tamelijk zakelijk en ook onder arme sociale lagen was het gebruikelijk dat inwonende verwanten kostgeld betaalden.[30] We moeten voorzichtig zijn met uitspraken over het bestaan van familienetwerken op basis van de volkstelling, maar het is opvallend dat voor de meerderheid van de inwonende vrouwen in 1748 geen familieverband met de hoofdbewoner kon worden vastgesteld. Concluderend kan worden gesteld dat meer-generatie huishoudens elders in de Republiek geen ongewoon verschijnsel waren, maar dat men in het verstedelijkte westen voor andere oplossingen koos om te overleven.[31] 

Armenzorg

Voor veel gezinnen die nog maar net het hoofd boven water wisten te houden, leidde het wegvallen van een mannelijke kostwinner er welhaast onvermijdelijk toe dat zij een beroep moesten doen op de armenzorg. Voor andere vrouwen betekende het verlies of vertrek van een echtgenoot een eerste kennismaking met de stedelijke bedeling. Studies naar armenzorg in de zeventiende en achttiende eeuw in de Republiek tonen dat gebroken gezinnen ruim vertegenwoordigd waren onder de ontvangers van armenzorg. Bijna de helft van de bedeelde huishoudens in Delft in het begin van de zeventiende eeuw had een vrouw aan het hoofd.[32] Vergelijkbare verhoudingen waren te vinden in Zwolle in de tweede helft van de zeventiende eeuw, waar bijna 36 procent van de bedeelde gezinnen uit vrouwen met kinderen bestond en ruim 27 procent uit vrouwen alleen.[33]

In Ter Heijde en Schiedam waren arme vissersgezinnen gedwongen zo nu en dan een beroep te doen op de lokale onderstand.[34] Van de achtergebleven gezinnen van VOC-gangers ontving een kwart tot een derde op enig moment bedeling.[35] Onder hen bevonden zich vooral gezinnen die eerder ook al moeite hadden om rond te komen. In Delft in de zeventiende eeuw was twee derde van de echtgenotes van de toch al arme Oost-Indiëvaarders direct na het vertrek van hun man aangewezen op de stedelijke armenzorg.[36] Onder de groep VOC-gezinnen als geheel was het aantal dat een beroep moest doen op de bedeling overigens veel kleiner. Danielle van den Heuvel berekende bijvoorbeeld dat slechts elf procent van de echtgenotes van VOC-zeelieden die tussen 1700 en 1750 vanuit Enkhuizen vertrokken, afhankelijk was van armenzorg, terwijl bijna zeventig procent zonder onderstand wist rond te komen.[37]

Hoe de gezinnen die in het Leidse kohier van 1748 als ‘arm, bedeeld of behoeftig’ geregistreerd stonden precies in het levensonderhoud voorzagen, is lastig na te gaan. Ook in Leiden in de achttiende eeuw ontvingen vooral veel gebroken gezinnen met een vrouw aan het hoofd stedelijke bedeling, in geld, of vaker, in natura. 38,7 procent van de in 1750 bedeelde gezinnen bestond uit weduwenhuishoudens en nog eens 15,5 procent uit een vrouw met of zonder kinderen.[38]

Men zou verwachten vooral weduwen aan te treffen op de lijsten van ontvangers van stedelijke armenzorg. Zij werden immers traditioneel gezien als ‘eerlijke armen’ die speciale bescherming genoten van de (stedelijke) overheid.[39] Formeel gehuwden ontbeerden deze geprivilegieerde status als ‘vanzelfsprekende ontvangers’ van de armenzorg. Dat gold echter niet voor alle onbestorven weduwen. Volgens Lotte van de Pol kwamen zeemansvrouwen qualitate qua in aanmerking voor onderstand. De conclusies van Ingrid van der Vlis over de bedeling in Delft sluiten daarbij aan. In Amsterdam en Delft werd deze groep voor de armenzorg gelijkgesteld aan weduwen.[40]

Migratie

Migratie was uiteraard een aangewezen overlevingsstrategie. Wie het niet lukte een redelijk bestaan op te bouwen, kon altijd proberen zijn of haar geluk elders te beproeven. Maar waren de kansen voor mannen en vrouwen daarin gelijk? Migratiehistorici hebben veel aandacht besteed aan de trek van (vooral jonge) vrouwen naar de stad. Overigens was migratie ook onderdeel van het repertoire aan strategieën van vrouwen zonder man maar met een (toekomstig) gezin. Ongewenst zwangere vrouwen en alleenstaande moeders vormden een belangrijke groep onder de migranten die in de zeventiende eeuw Nord-Friesland ontvluchtte en naar Holland vertrok, zo ontdekte Erika Kuijpers. Bovendien migreerden er ook arme weduwen met kinderen naar het westen.[41]

Over het vertrek uit de stad als poging van vrouwelijke gezinshoofden om de levensstandaard te verbeteren, is veel minder bekend. De afname van de Leidse bevolking in de achttiende eeuw wordt voor een belangrijk deel toegeschreven aan emigratie. Na 1750 stagneerde de uittocht, maar in de eerste helft van de achttiende eeuw vertrok een grote groep Leidenaren uit de stad. Uit onderzoek naar migratiebewegingen in Leiden rond 1748 van Karel Davids bleek dat zich onder hen veel gezinnen bevonden. Bij nadere beschouwing van de gezinssamenstelling blijkt het vooral om jonge, complete gezinnen te gaan. Het aantal emigrerende gebroken gezinnen zonder mannelijk hoofd lijkt niet groot te zijn geweest.[42] Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat vrouwelijke gezinshoofden sterk afhankelijk waren van de opgebouwde informele netwerken. Een andere mogelijkheid is dat de werkgelegenheid in de stad voor vrouwen met een gezin nog altijd gunstiger was dan die op het platteland.

Hertrouwen

Wie getrouwd was, was natuurlijk niet verzekerd van een inkomen. De Leidse Marijtgen Arents, bijvoorbeeld, had haar man, de kruidenier Pieter Jans, juist zelf naar Oost-Indië gestuurd omdat hij krankzinnig geworden was en geen geld inbracht. Zij hoopte ‘haere neeringe sonder verhinderinge wederom op nieu te mogen beginnen’ zodat zij de kost kon verdienen voor haar drie kinderen.[43] Toch betekende een volgend huwelijk voor sommige vrouwen wel een uitweg uit de armoede. Het is onmogelijk om voor de vroegmoderne periode precies te berekenen hoe groot het aandeel weduwen was dat hertrouwde. Zeker is wel dat weduwen minder vaak en minder snel hertrouwden dan weduwnaars. Bovendien waren zowel de sociaaleconomische status als de kinderlast van invloed op de kansen van weduwen op de huwelijksmarkt. Zo waren weduwen van ambachtslieden aantrekkelijke huwelijkskandidaten, maar vonden vrouwen uit lagere sociale klassen minder gemakkelijk een nieuwe man.[44]

Een groot gezin zou een sterke stimulans voor een volgend huwelijk kunnen zijn. Onderzoek van Anne McCants wees echter uit dat een grote kinderlast een nog grotere barrière opleverde voor trouwlustige weduwen dan een lage sociaal-economische status. In het achttiende-eeuwse Amsterdam verminderde elk bijkomend kind de kans op een volgend huwelijk voor weduwen met twaalf procent, terwijl de aanwezigheid van kinderen nauwelijks van invloed was op de hertrouwkansen van weduwnaars.[45]

Onbestorven weduwen verkeerden in lastigere omstandigheden. Hoewel hun situatie in veel opzichten leek op die van weduwen, waren zij formeel gehuwd. Zij konden pas hertrouwen na de dood van hun echtgenoot. Toch behoorde een volgend huwelijk ook voor sommigen van hen op den duur wel tot de mogelijkheden. In het geval van ‘moedwillige verlating’ van lange duur kon het huwelijk na verloop van tijd – in de praktijk een periode van vijf jaar – worden ontbonden, mits er getuigenissen waren en men de afwezige had ingeroepen.[46] Voor echtgenotes van omgekomen Oost-Indiëvaarders was een doodsbrief van de VOC het betrouwbaarste bewijs van overlijden. Veel vrouwen verkeerden in het ongewisse over het lot van hun vertrokken echtgenoot. Incidenteel werden andere aanwijzingen – notariële aktes met getuigenissen van andere zeevarenden, de uitbetaling van de nalatenschap door het soldijkantoor - ook als bewijs geaccepteerd.[47]

Ten slotte bood het recht een opening voor vrouwen die de dood van hun man niet konden bewijzen. Volgens het Echtreglement uit 1656 mochten gehuwde vrouwen hertrouwen wanneer zij langer dan vijf jaar niets van hun echtgenoot hadden vernomen. Dit Echtreglement was afgekondigd voor de Generaliteitslanden, maar het werd ook toegepast door Hollandse magistraten. Kennelijk voorzag het in een behoefte in de provincie waar zeevaart zo belangrijk was.[48]

Arbeid

Hoewel weduwen en onbestorven weduwen nogal eens vertelden dat zij met de dood of het vertrek van hun man een kostwinner hadden verloren of diens inkomsten moesten missen, werkten zij zelf doorgaans ook. Van vrouwen van zeevarenden is bekend dat zij vaak beroepen uitvoerden die waren gerelateerd aan het zeemansbestaan. Prostitutie lag voor de hand. In Amsterdam waren de meeste prostituees en hoerwaardinnen van wie de achtergrond bekend was, getrouwd met zeelieden, vaak van de VOC.[49] Ook de meerderheid van de gehuwde prostituees in Rotterdam na 1750 was getrouwd met een Oost-Indiëvaarder.[50] De vijf vrouwen die in het achttiende-eeuwse Leiden relatief laat (na hun 24ste) in de prostitutie terecht kwamen, hadden allen een man in Oost-Indië of waren door hun echtgenoot verlaten.[51] 

De associatie van vrouwen van zeevarenden met dergelijke illegale beroepen was lang niet altijd terecht. In VOC-steden werkten veel vrouwen als logementhoudsters of als zielverkoopsters (die de kost verdienden met de rekrutering, het onderdak brengen en uitrusten van compagniedienaren in ruil voor een deel van hun gage) en in de handel in transportbrieven.[52] In de maritieme gemeenschappen voorzagen vrouwen in de grote vraag naar arbeid in de aan scheepvaart gelieerde handel en nijverheid. Onderzoek van Annette de Wit wees uit dat de mogelijkheden van zeemansvrouwen sterk afhankelijk was van de sociaal-economische status van hun echtgenoot. Kapiteinsvrouwen bevoorraadden schepen, stuurmansweduwen werkten soms als reder, vissersvrouwen verhandelden vis en boetten en breiden netten, echtgenotes van koopvaardijschippers leverden scheepsbier en kruidenierswaren en tot slot hadden echtgenotes van zeelieden op de oorlogsvloot herbergen en kroegen.[53]

Het werk van (onbestorven) weduwen hield zeker niet noodzakelijkerwijs verband met de beroepsmatige activiteiten van hun man. In het Leidse kohier van 1748 was van vier van de vijf vrouwelijke gezinshoofden, weduwen en alleenstaande vrouwen met of zonder kinderen, ofwel samenwonende vrouwen, een beroep geregistreerd (zie tabel 3). De Leidse arbeidsmarkt werd gedomineerd door de textielindustrie, maar zelfs binnen deze relatief weinig gedifferentieerde economie stond er nog een redelijk breed spectrum aan beroepen open voor vrouwen. Het verbaast niet dat velen werkten in textielnijverheid, als spinster, pluister, stopster, dubbelaarster of breister. Maar ook hier vergrootte de sterke specialisatie van de handelssector en de groeiende vraag naar nieuwe producten de diversiteit aan beroepen voor vrouwen ten opzichte van de zeventiende eeuw.[54] Ze verdienden de kost onder meer als broodslijters, kruideniersters, verkoopsters van fruit, groenten, vis, melk, mosterd, kindergoed, garen en band, kant, linnen, naalden, katoen, sajet, koffie, thee, kousen of kranten.

Uit de indeling in beroepsgroepen blijkt dat weduwen toegang hadden tot een breder spectrum aan activiteiten. De beroepen van steenhouwster, apothetrice, bezemmaakster, zadelmaakster, zeemtouwster, drapierster, banketbakster, brouwster, brandster en grafmaakster bijvoorbeeld, werden alleen door weduwen uitgevoerd. Vrouwen waren vaak uitgesloten van ambachtelijke beroepen, maar het vooral in deze sector geldende weduwenrecht stelde weduwen in staat om het bedrijf of de werkplaats na de dood van hun echtgenoot voort te zetten.

Opmerkelijk is dat ook in dit opzicht uitzonderingen voor onbestorven weduwen werden gemaakt. Zo mocht Sara van der Pluijm, vrouw van Pieter de Neut die naar Oost-Indië was vertrokken ‘als wede vrouwe’ de blauwververij van haar echtgenoot continueren. Ook uit andere steden zijn voorbeelden bekend waarin corporaties die formeel alleen voor mannen of hun weduwen toegankelijk waren ook verlaten of gescheiden vrouwen als gildenlid accepteerden.[55] Dat er in Leiden in 1748 bovendien vrouwelijke gezinshoofden – niet weduwen – waren die de kost verdienden als molenares, persters en volsters duidt ook nog eens op de flexibele toepassing van het weduwenrecht door de stedelijke autoriteiten. Eerder bleek al dat de aanwezigheid van (kleine) kinderen in gebroken gezinnen sterk van invloed was op de sociaal-economische status. Of kinderen uit gebroken gezinnen eerder in het arbeidsproces werden ingezet dan leeftijdsgenoten uit complete gezinnen is onbekend. Algemeen geldt wel dat kinderen uit arme gezinnen op jonge leeftijd gingen werken.

Het was niet uitzonderlijk dat jongens en meisjes van acht à tien jaar oud aan het werk werden gezet; iets oudere kinderen werkten op veel grotere schaal. Verreweg de meesten vonden werk in de nijverheidssector, in Leiden in de textiel, waar zij met doorgaans laaggeschoolde werkzaamheden

gemiddeld zo’n negen (meisjes) tot dertien (jongens) stuivers verdienden.[56] Sommige beroepen verdienden beter dan andere en met het vorderen van de leeftijd liepen de verdiensten vaak op. Veel was het nooit, maar voor gebroken gezinnen moeten de verdiensten die kinderen inbrachten een welkome aanvulling op het gezinsinkomen zijn geweest.

Tabel 3. Verdeling van vrouwelijke gezinshoofden over beroepsgroepen, Leiden 1748.

Beroepsgroepen[57]  Weduwen  Vrouw alleen 
Aardewerk 1  
Bouw 3  
Chemie 1  
Hout 4 4
Kleding 77 140
Leer 2 1
Metaal 1 1
Textiel 515 659
Voeding 15 4
Landbouw 4 6
Handel  217 143
Verkeer 24 7
Kredietwezen 1  
Vrije beroepen 7 5
Onderwijs 17 8
Verpleging en verzorging    3
Huiselijke diensten 29 53
Losse werklieden en diversen       1
Stadsdienst 5 1
Kerkelijke dienst   1
Begrafeniswezen 1  
Rentenier 88 68
Totaal 1012 1105

Bron: Database Volkstelling 1748.[58]

Conclusie

Demografische patronen, seksespecifieke migratie en het grote belang van zeevaart in de Republiek leidde ertoe dat veel vrouwen zichzelf en hun gebroken gezin zonder hulp van een mannelijke kostwinner moesten onderhouden. De verschillen in de mogelijkheden die weduwen enerzijds en onbestorven weduwen anderzijds ter beschikking stonden, lijken op het eerste gezicht groot.[59] Vooral het verschil in hun juridische status springt in het oog. Weduwen waren handelingsbekwaam en dat vergrootte hun mogelijkheden om inkomsten te genereren, aangezien zij zelfstandig contracten konden sluiten en goederen konden aan- en verkopen. De mogelijkheden voor vrouwen om zonder deze rechten economisch actief te zijn waren beperkter, althans in theorie.

Vrouwen die voorgoed hun man kwijt waren hadden een grotere kans dat zij toegang hadden tot bezit – al was dat nog zo weinig. Weduwen hadden soms van hun echtgenoot geërfd en konden ten minste beschikken over de helft van de gemeenschappelijke boedel. Onbestorven weduwen ontbrak het als formeel gehuwden aan het recht om beslissingen te nemen over hun eigen goed, terwijl ook zij door het leven gingen zonder echtgenoot.

Of het verschil in juridische status in de praktijk een grote invloed had, is maar de vraag. Bij nadere beschouwing blijken de overeenkomsten tussen weduwen en onbestorven weduwen groot. Allereerst waren beide groepen vrouwen hoofd van een huishouden vanwege de afwezigheid van een man en droegen zij als zodanig de verantwoordelijk voor hun gebroken gezin.

Ten tweede bleken de verschillen op juridisch gebied minder groot dan hun formele status deed vermoeden. De positie van onbestorven weduwen verschilde van die van gehuwde vrouwen die leefden mét hun echtgenoot: hun handelingsruimte was vaak groter. Door middel van een akte van procuratie of beschikking van het stadsbestuur kon de handelingsonbekwame status tijdelijk ten dele worden opgeheven en dat maakte het makkelijker om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien. Van een zelfde soepele houding was nu en dan sprake bij de toepassing van het weduwenrecht, waar soms ook onbestorven weduwen gebruik van konden maken – al waren de mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor weduwen uiteindelijk zeker ruimer.

Ten derde bleken er overeenkomsten in cultureel opzicht te zijn. Onbestorven weduwen ontbrak het formeel weliswaar aan de geprivilegieerde status van min of meer vanzelfsprekende ontvangers van de stedelijke armenzorg, in de praktijk bleken de autoriteiten hun hachelijke situatie zeker te onderkennen. Vooral wanneer zij als moeders een gezin hadden te onderhouden, hadden zeemansvrouwen en verlaten vrouwen, evenals weduwen, een aanzienlijke kans op steun.

Tot slot overlapten beide groepen: veel onbestorven weduwen verloren hun echtgenoot uiteindelijk voorgoed. Formeel moesten vrouwen de dood van hun vorige echtgenoot bewijzen voor ze konden hertrouwen. Maar dat was niet altijd mogelijk en dat wisten stedelijke autoriteiten ook. Niettegenstaande de strenge regelgeving omtrent huwelijkssluiting stonden zij het toe dat onbestorven weduwen, onder bijzondere omstandigheden, opnieuw mochten trouwen.

De formalisering van de status van weduwen, die paste bij haar nieuwe rol als hoofd van huishouden, en een soepele toepassing van het recht voor onbestorven weduwen, maakte het vrouwen mogelijk als zelfstandig gezin te overleven. Toch konden het brede scala aan strategieën en de ontvankelijkheid van de overheid niet voorkomen dat gebroken gezinnen na het verlies van een mannelijke kostwinner met een aanmerkelijke verslechtering van de levensstandaard werden geconfronteerd.

Titel:      ‘Ontbloot van alle winsten?’ Armoede en overlevings-strategieën van gebroken gezinnen in Holland, 1600-1800.
Nummer:  Dynamiek en stagnatie in de Republiek
Jaargang:  23.2

Dit nummer is helaas uitverkocht, maar te downloaden via leidschrift.nl/archief. Voor vele andere edities: 


Noten:

[1] Regionaal Archief Leiden, Stadsarchief Leiden 1574-1816 (hierna RAL, SAII), inv. nr. 69 (30-7-1650).

[2] RAL, SAII, inv. nrs. 79 (23-1-1666 en 18-2-1666) ; 44 (27-10-1583); 56 (10-6-1627); 58 (30-9-1632); 87 (26-8-1683); 66 (5-10-1645); 69 (15-3-1650).

[3] Ariadne Schmidt, ‘Vrouwenarbeid in de vroegmoderne tijd’, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 2 (3) (2005) 2-21, aldaar 4-5.

[4] Zie voor dit onderwerp in internationale context Manon van der Heijden, Ariadne Schmidt en Richard Wall ed., ‘Broken families: economic resources and social networks of women who head families’, History of the Family 12 (4) (2007) 223-232.

[5] Zie over kraamsterfte Lotte van de Pol, Het Amsterdams hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw (Amsterdam 1996) 107; Jan Lucassen, ‘Holland, een open gewest. Immigratie en bevolkingsontwikkeling’ in: Thimo de Nijs en Eelco Beukers ed., De Geschiedenis van Holland, vol. 2: 1572-1795 (Hilversum 2002) 181-215, aldaar 186.

[6] Ariadne Schmidt, Overleven na de dood. Weduwen in Leiden in de Gouden Eeuw (Amsterdam 2001) 227-240.

[7] Erika Kuijpers, Migrantenstad. Immigratie en sociale verhoudingen in 17ee–eeuws Amsterdam (Hilversum 2005) 101.

[8] Jaap R. Bruijn en Femme S. Gaastra ed., Ships, sailors and spices: East India companies and their shipping in the 16th, 17th and 18th centuries (Amsterdam 1993) 182, 197.

[9] Jelle van Lottum, Across the North Sea. The impact of the Dutch Republic on international labour migration, c. 1550-1850 (Amsterdam 2007) 144.

[10] Annette de Wit, ‘Zeemansvrouwen aan het werk. De arbeidsmarktpositie van vrouwen in Maassluis, Schiedam en Ter Heijde (1600-1700)’, Tijdschrift voor sociale en economische geschiedenis 2 (3) (2005) 60-80, aldaar 63-65, 60.

[11] Zie hierover: Roelof van Gelder, Het Oost-Indisch Avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (Nijmegen 1997) 58.

[12] Danielle van den Heuvel, ‘Getrouwd met Jan Compagnie. Oost-Indiëvaarders en hun echtgenotes in Enkhuizen en omgeving (1700-1750)’, Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 23 (2004) 30-42, aldaar 30, 34; Manon van der Heijden, ‘Achterblijvers: Rotterdamse vrouwen en de VOC, 1602-1750’ in: Manon van der Heijden en Paul van de Laar ed., Rotterdammers en de VOC. Handelscompagnie, stad en burgers, 1600-1800 (Amsterdam, 2002) 197; Danielle van den Heuvel, ‘Bij uijtlandigheijt van haar man’. Echtgenotes van VOC-zeelieden, aangemonsterd voor de kamer Enkhuizen (1700-1750) (Amsterdam 2005), 81; De Wit, ‘Zeemansvrouwen’, 61.

[13] Amy Erickson, ‘The marital economy in comparative perspective’ in: Maria Ågren en Amy Louise Erickson ed., The Maritial Economy in Scandinavia and Britain 1400-1900 (Aldershot 2005) 15.

[14] Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 108; M. van der Heijden en D. van den Heuvel, ‘Sailors’ families and the urban institutional framework in early modern Holland’, History of the Family 12 (2007), 296-309, aldaar 298.

[15] Hilde van Wijngaarden, Zorg voor de kost. Armenzorg, arbeid en onderlinge hulp in Zwolle 1650-1700 (Amsterdam 2000) 77-78.

[16] De Wit, ‘Zeemansvrouwen’, 66-67.

[17] RAL, SAII, inv. nr. 1289.

[18] Database Volkstelling Leiden 1748. Een digitaal bestand van deze volkstelling was beschikbaar via internet, http://esf.niwi.knaw.nl/esf1999/projects/kohier, bekeken in 2004. De originele bron is te vinden in het Regionaal Archief Leiden, SAII, inv. nrs. 4129-4137. Zie ook H.D. Tjalsma, ‘Een karakterisering van Leiden in 1749’ in: H.A. Diederiks, D.J. Noordam en H.D. Tjalsma ed., Armoede en sociale spanning. Sociaal-historische studies over Leiden in de achttiende eeuw (Hilversum 1985) 17- 44.

[19] Mogelijk bevonden zich hieronder ook weduwen, maar zij konden niet als zodanig worden geïdentificeerd.

[20] Zie noot 17.

[21] Schmidt, Overleven, 90-94.

[22] Van den Heuvel, ‘Bij uijtlandigheijt’, 27-28, 48-50, 65-68.

[23] Schmidt, Overleven, 61-68.

[24] Van der Heijden, ‘Achterblijvers’, 196-197.

[25] RAL, SAII, inv. nrs. 44-93; Schmidt, Overleven, 70-73; Van der Heijden en Van den Heuvel, ‘Sailors’ families’, 304.

[26] RAL, SAII, inv. nrs 4021-4022.

[27] M. Anderson, ‘Household structure and the industrial revolution; mid-nineteenth century Preston in comparative perspective’ in: P Laslett en R Wall ed., Household and family in past time (Cambridge 1972) 215-235, aldaar 229; Olwen Hufton, ‘Women without men. Widows and spinsters in Britain and France in the eighteenth century’ in: Jan Bremmer en Lourens van den Bosch ed., Between poverty and the pyre. Moments in the history of widowhood (Londen en New York 1995) 122-151, aldaar 129-131.

[28] RAL, SAII, inv. nrs. 4021-4022; Schmidt, Overleven, 74.

[29] Database volkstelling 1748. Zie ook D.J. Noordam, ‘Gezins- en huishoudensstructuren in het achttiende-eeuwse Leiden’ in: Diederiks e.a. ed., Armoede en sociale spanning, 87-104, aldaar 96-97.

[30] Van Wijngaarden, Zorg voor de kost, 210-216; Schmidt, Overleven, 191-193.

[31] A.M. van der Woude, ‘Demografische ontwikkeling van de Noordelijke Nederlanden 1500-1800’, Algemene geschiedenis der Nederlanden 5 (1980) 102-168, aldaar 161.

[32] Ingrid van der Vlis, Leven in armoede. Delftse bedeelden in de zeventiende eeuw (Amsterdam 2001) 77.

[33] Van Wijngaarden, Zorg voor de kost, 88.

[34] De Wit, ‘Zeemansvrouwen’, 77.

[35] Van der Heijden en Van den Heuvel, ‘Sailors’ families’, 303.

[36] Van der Vlis, Leven in armoede, 196.

[37] Van den Heuvel, ‘Getrouwd met Jan Compagnie’, 38-39.

[38] G.P.M. Pot, Arm Leiden. Levensstandaard, bedeling en bedeelden, 1750-1854 (Hilversum 1994) 263-264.

[39] Schmidt, Overleven, 179-180.

[40] Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 145; Van der Vlis, Leven in armoede, 195.

[41] Kuijpers, Migrantenstand, 74.

[42] C.A. Davids, ‘De migratiebewegingen in Leiden in de achttiende eeuw’ in: Diederiks e.a. ed., Armoede en sociale spanning, 137-156, aldaar 144-145.

[43] RAL, SAII, inv. nr. 71 (30-5-1652).

[44] Schmidt, Overleven, 227-240.

[45] Anne McCants, ‘The not-so-merry merry widows of Amsterdam, 1740-1782’, Journal of Family History 24 (1999) 441-467, aldaar 451.

[46] Donald Haks, Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw (Utrecht 1985) 179- 180, 209.

[47] Van den Heuvel, ‘Bij uijtlandigheijt’, 87.

[48] Manon van der Heijden, Huwelijk in Holland. Stedelijke rechtspraak en kerkelijke tucht, 1550-1700 (Amsterdam 1998) 53, 73-74; Van der Heijden en Van den Heuvel, ‘Sailors’ families’, 305.

[49] Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 147.

[50] Van der Heijden en Van den Heuvel, ‘Sailors’ families’, 302

[51] D.J. Noordam, ‘Uit armoede of door verleiding? De wereld van de Leidse prostituées in de achttiende eeuw’ in: Diederiks e.a. ed., Armoede en sociale spanning, 105-116, aldaar 112.

[53] Marc van Alphen, ‘The female side of Dutch shipping: financial bonds of seamen ashore in the 17th and 18th century’ in: J.R. Bruijn en W.F.J. Morzer Bruyns ed., Anglo-Dutch mercantile marine relations 1700-1850 (Leiden, 1991) 125-132.

[53] De Wit, ‘Zeemansvrouwen’, 60-80.

[54] Zie voor de invloed van specialisatie op beroepsmogelijkheden voor vrouwen: Danielle van den Heuvel, Women and entrepreneurship. Female traders in the Northern Netherlands, c. 1580-1815 (Amsterdam 2007) 220-222.

[55] RAL, SAII, inv. nr. 71 (9-1-1653); SAMH, OAG inv. nrs. 106 (21-8-1675) en 214 (16-4-1771).

[56] Dit zijn gemiddelden. De inkomsten varieerden per beroep. Elise van Nederveen Meerkerk en Ariadne Schmidt, ‘Tussen arbeid en beroep. Jongens en meisjes in de stedelijke nijverheid, ca. 1600-1800’, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 3 (1) (2006) 24-50.

[57] Voor deze indeling zie H.K. Roessingh in ‘Beroep en bedrijf op de Veluwe in het midden van de 18e eeuw’ in: A.A.G. Bijdragen 13 (Wageningen 1965) 181-274.

[58] Zie noot 17.

[59] Zie voor de navolgende conclusies: Manon van der Heijden, Ariadne Schmidt en Richard Wall ed., ‘Broken families’, 227.

Meer weten

Tijdschriften: