Ontwikkeling van het Standaardnederlands

Talen veranderen voortdurend. Dat wat eeuwen geleden heel normaal klonk, klinkt nu vaak ouderwets. En ongetwijfeld zullen ook bepaalde woorden en regels van het huidige Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) over een paar eeuwen in de prullenbak belanden. In dit artikel probeer ik ontwikkelingen op het gebied van zowel schrijf- als spreektaal van dit Standaardnederlands in de laatste eeuwen te verklaren. Ook werp ik een blik op de toekomst van onze taal.

Mandy de Waal

§ 1 Standaardnederlands

Het Nederlands bestaat uit een bonte verzameling van dialecten, straattalen, streektalen, groepstalen en jongerentalen. Omdat mensen elkaar daarom soms niet goed begrijpen, maken nieuwslezers, presentatoren en rechters gebruik van een neutrale omgangstaal, het Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN), oftewel het Standaardnederlands. Iedereen kan deze taal begrijpen, omdat typische kenmerken van dialecten zo veel mogelijk worden vermeden.

Dat er één soort Standaardnederlands bestaat, is echter een illusie. De Nederlandse taal is voortdurend in beweging; het verandert omdat de samenleving verandert. Zo bracht het terrorisme ons woorden als stroomstok, arrestatieteam en gijzelingsactie. De techniek baarde de woorden transistor, chip en kabeltelevisie, het verkeer verkeersdrempel, wielklem en ritsen. Het omgekeerde geldt eveneens: benamingen voor dingen die tegenwoordig niet meer bestaan, zoals suckenie, kapothoed en hartwater, zijn verdwenen.                                             Niet alleen ontstaan er nieuwe woorden en verdwijnen er andere, de betekenis of de uitspraak van een woord verandert soms ook. Twee eeuwen geleden had willekeurig een tegenovergestelde betekenis. Een willekeurige bladzijde sloeg vroeger namelijk op een bewust uitgekozen pagina, tegenwoordig wordt er juist een onbewust, niet-speciaal gekozen pagina mee bedoeld. Tevens had het Nederlands vroeger naamvallen en is in sommige gevallen de klemtoon van een woord veranderd. Vroeger was het vierkánt, nu is het víerkant. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van taalverandering; ook op bijvoorbeeld zinsniveau is er gesleuteld aan onze taal.

Maar hoe heeft de Nederlandse taal zich eigenlijk ontwikkeld tot dit huidige Standaardnederlands?

§ 2 Ontstaan van het Standaardnederlands in de achttiende en negentiende eeuw

In de zeventiende en achttiende eeuw standaardiseerde de elite in de grote Hollandse steden in de Randstad de geschreven taal. In officiële teksten werd steeds vaker het Hollands geëist in plaats van het Frans of het Latijn. Daarom had men behoefte aan een geschreven Nederlandse standaard en dus begon men de dialecten in het schrift te vermijden. In de achttiende eeuw ging men de geschreven standaardtaal ook gebruiken in gesprekken. Deze standaardspreektaal was voornamelijk voorgelezen geschreven taal. De uitspraak liep echter sterker uiteen dan uit de spelling blijkt: het dialect was in de spreektaal duidelijk te horen. Mensen uit de hogere kringen konden elkaars geschriften dus wel lezen, maar de verschillende soorten spreektaal zorgden nog voor veel verwarring. Het gewone volk had niet alleen moeite met de verschillende uitspraken, maar ook met de geschriften. Alleen een kleine kring van hoogopgeleiden hanteerden namelijk de geschreven standaardtaal.

Na 1760 steeg de behoefte aan uniforme voorschriften voor de Nederlandse standaardtaal. Niemand in de Republiek was echter bevoegd die te geven. Pas in de Franse tijd (1795-1813) werd taal een zaak van de regering. Zo besloot Lodewijk Napoleon in het Koninkrijk Holland (1806-1810) dat alle officiële correspondentie, rapporten en berichten in het Nederlands geschreven moesten worden. Ook verschenen in de Franse tijd de eerste officiële Nederlandse spelling- en grammaticavoorschriften.

§ 2.1 Uniforme voorschriften voor de schrijftaal

In de negentiende eeuw waren er zoveel verschillende spellingvoorschriften, dat geen één ervan door iedereen werd geaccepteerd. Men hield zich niet aan dezelfde voorschriften, maar gebruikte de regels die hem of haar het meest bevielen. Dit zorgde voor veel verwarring. De Leidse hoogleraar Matthijs Siegenbeek (1774-1854) kreeg daarom van de regering de opdracht een officiële spelling te ontwerpen. In zijn Verhandeling over de spelling der Nederduitsche taal en bevordering van eenparigheid in derzelve uit 1804 pleit hij voor een spelling die de beschaafde Hollandse uitspraak moest weergeven (‘Schrijf zoo als men spreekt’). Helaas voor Siegenbeek kreeg zijn spelling niet veel aanhangers. Sommige Vlamingen zagen de Siegenbeek-spelling als een uitvloeisel van de Noord-Nederlandse expansiedrift en bemoeizucht. Veel Nederlanders walgden van de spelling, omdat het een resultaat van de drang naar gelijkheid uit de Franse Tijd zou zijn. In die tijd was ‘gelijkheid’ namelijk één van de kernbegrippen van Nederlandse patriotten. Niet iedereen was blij met deze nivelleringsijver, en het standaardiseren van de taal schoot sommigen daarom in het verkeerde keelgat.

Omdat de Siegenbeek-spelling niet erg populair was, stelden anderen nieuwe officiële spellingen op. In 1863 kwam De grondbeginselen der Nederlandsche spelling. Ontwerp der spelling, voor het aanstaande Nederlandsch woordenboek van Matthias de Vries (1820-1892) en Lambert Allard te Winkel (1809-1868) uit. Tegenwoordig worden de regels die zij opstelden nog steeds toegepast. De belangrijkste regel van deze spelling is dat men moet schrijven zoals men spreekt. In 1882 erkende de Nederlandse regering deze spelling door haar in het nieuwe Wetboek van Strafrecht te gebruiken.

In het begin van de 19e eeuw verschenen niet alleen diverse nieuwe spellingvoorschriften, maar ook nieuwe grammatica- en woordvoorschriften. Zo verscheen in 1805 de eerste grammatica van de negentiende eeuw, De Nederduitsche Spraakkunst, van de Nederlandse predikant Petrus Weiland. Hij streefde ernaar de Nederlandse taal op hetzelfde niveau als het Latijn te krijgen. Daarom pleitte hij voor het gebruik van veel verschillende vormen en naamvallen in de schrijftaal. Weiland besteedde in zijn Nederduitsch Taalkundig Woordenboek ook aandacht aan woordsoorten en mogelijkheden om die te combineren tot woordgroepen. Toch kreeg dit woordenboek kreeg door zijn onvolledigheid geen algemene waardering.                                                                                                     

Het duurde nog ruim een halve eeuw voordat er een woordenboek verscheen dat door het merendeel van de Nederlanders geaccepteerd werd: het eerste deel van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). De vader van dit woordenboek is Matthias de Vries, die ook al een officiële spelling had opgesteld. Dialect- en leenwoorden en niet nette, verouderde woorden sloot hij uit. Toen hij stierf had het woordenboek pas de tweede letter van het alfabet bereikt. Andere redacteuren gingen ermee verder. Uiteindelijk werd het laatste deel van het WNT pas in 1998 voltooid. Het WNT is het grootste woordenboek ter wereld en bestaat uit veertig delen van in totaal 45.000 pagina’s. Het WNT dient als moederwoordenboek voor alle hedendaagse Nederlandse woordenboeken.                                                                                                                                         § 2.2 Uniforme voorschriften voor de spreektaal

Terwijl de algemene schrijftaal steeds uniformer werd, vertoonde de spreektaal nog steeds grote verschillen. Pas in de loop van de negentiende eeuw ging de gegoede stand steeds meer op dezelfde manier spreken. Hoogleraren, waaronder Siegenbeek, overtuigden het publiek dat men veel met taal kon bereiken als iedereen dezelfde regels zou handhaven. Zo ontstond er geleidelijk aan ook een gespróken standaardtaal. Deze gesproken standaardtaal richtte zich noodzakelijkerwijs naar de schrijftaal, omdat men de gesproken standaardtaal nauwelijks te horen kreeg door de afwezigheid van geluiddragers zoals de radio. Dit zorgde ervoor dat men de letter ‘n’ aan het eind van een woord heel nadrukkelijk uit ging spreken en ‘m’n’ voortaan werd uitgesproken als ‘mijn’.                

In de tweede helft van de negentiende eeuw breidde de beschaafde gesproken standaardtaal zich uit onder de bevolking. In 1815 richtte koning Willem I het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op, waardoor de onafhankelijkheid van de provincies werd doorbroken. Er ontstond zo een eenheidsstaat waarin ambtenaren steeds van post wisselden: dit droeg bij aan de verbreiding van de eenheidstaal. Ook werd in hetzelfde jaar de nationale dienstplicht ingevoerd, zodat mensen met verschillende dialecten samenkwamen. Bovendien zorgde de industrialisatie ervoor dat mensen van het platteland naar de stad verhuisden en dus met mensen met een ander dialect in contact kwamen. Ook de reorganisatie van het basisonderwijs bevorderde het gebruik van de standaardtaal. Er werden nieuwe schooltypen opgericht, zoals de mulo (1857) en de hbs (1863). Nederlands deed bij deze schooltypen voor het eerst zijn intrede als schoolvak. In 1876 werd het gymnasium opgericht en werd het Latijn als officiële voertaal aan de universiteiten afgeschaft. In plaats daarvan werd Nederlands een hoofdvak op de universiteiten.

Aan het eind van de negentiende eeuw ging het geschreven Nederlands zich aanpassen aan het gesproken Nederlands, in plaats van andersom. De geschreven standaard was namelijk ouderwets geworden en moest zich dus moest conformeren aan de eigentijdse spreektaal. Er was een kloof ontstaan tussen de geschreven en gesproken taal; hoewel de Weilandgrammatica het gebruik van naamvallen voorschreef in de schrijftaal, gebruikte men die in de spreektaal bijna niet meer. Velen vonden constructies als ‘het huis zijner ouders’ erg verouderd. Met name schrijvers begonnen zich daarom af te zetten tegen de naamvallen en lastige spelling en streefden naar vereenvoudiging van de geschreven taal.                                                                                                            Van grote invloed op de vereenvoudiging van de grammatica waren de werken van Dirk de Groot (1825-1895), Tijs Terwey (1845-1893) en Cornelis Herman den Hertog (1846-1902). Zij schreven ieder een grammatica over De Nederlandsche spraakkunst. De Groot verduidelijkte het begrip ‘bepaling’, Terwey benoemde de nu nog steeds gebruikte namen voor zinsdelen en Den Hertog legde deze zinsdelen zo eenvoudig mogelijk uit en liet het nut van bepaalde taalkundige onderscheidingen zien. Alle latere schoolgrammatica’s zijn gebaseerd op het werk van Den Hertog.       

Zoals de werken van De Groot, Terwey en Den Hertog invloed hadden op de vereenvoudiging van de grammatica, zo had het werk van taalkundige Roeland Anthonie Kollewijn (1857-1942) invloed op de vereenvoudiging van de spelling. Kollewijn pleitte in zijn artikel Onze lastige spelling uit 1891 voor een gemakkelijkere spelling en eenheid tussen schrijf- en spreektaal. Hij stelde voor om ‘te schrijven zoals men spreekt’. De term ABN dook nu voor het eerst op. Men sprak beschaafd als ‘men niet kan horen uit welke streek van het land hij of zij afkomstig is’. Kollewijn zorgde er niet alleen voor dat –ch in mensch verdween en het verschil tussen ee en e werd afgeschaft, maar hij wilde de schrijftaal ook stroomlijnen. Zo pleitte hij voor kortere, duidelijkere zinnen.

De vereenvoudigingen op het gebied van grammatica en spelling droegen bij aan het dichten van de kloof tussen de schrijf- en spreektaal. In 1954 werd het verschil verder verkleind door het bij wet invoeren van een spelling uit 1934, die gebaseerd was op het werk van Kollewijn. Ook verscheen in 1954 de eerste Woordenlijst van de Nederlandse taal, beter bekend als het Groene Boekje. Bovendien verscheen in 1984 de eerste versie van een omvangrijke grammatica, de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS).

§ 3 Oorzaken van de snelle verbreiding van het Standaardnederlands in de twintigste en eenentwintigste eeuw

Werd het ABN rond 1900 door slechts drie procent van de bevolking gesproken, tegenwoordig beheerst maar liefst tachtig procent van de Nederlands het ABN (Een kleine taal met een grote stem. Hedendaags Nederlands, 2009) Hoe heeft de standaardtaal zich de laatste eeuwen zo snel verbreid? En wat is haar toekomst?

§ 3.1 Verbreiding

De opmars van het Standaardnederlands staat in nauw verband met de grote sociale en economische ontwikkelingen van voornamelijk de twintigste en eenentwintigste eeuw. Ten eerste is er de verbetering van het onderwijs. Veel mensen konden in het begin van de twintigste eeuw nog niet lezen en schrijven en het onderwijs liet vaak te wensen over. In de loop van de negentiende eeuw onderging het onderwijs echter een geleidelijke verbetering. Er kwamen meer scholen en betere opleidingen voor onderwijzers. Ook werd de leerplicht geleidelijk verlengd. Het onderwijs werd zo een steeds belangrijkere factor bij de verbreiding van het Standaardnederlands.                                                  

Een tweede ontwikkeling die leidde tot de snelle verspreiding van het ABN in de twintigste eeuw is de toename van verkeer door de verbetering van de infrastructuur. Door de uitvinding van onder andere de auto en de trein konden mensen zich veel sneller verplaatsen. Veel mensen forensden dagelijks tussen stad en platteland. Door de verbeterde mobiliteit kwam men veel gemakkelijker in contact met mensen uit andere streken die een ander dialect spraken. Mensen hadden daarom behoefte aan een neutrale tussentaal: het Standaardnederlands.                                                                                    Als derde oorzaak van de snelle uitbreiding kan de invloed van de media genoemd worden. Televisie, radio en krant hebben vooral bijgedragen aan de passieve beheersing van het Nederlands, het lezen en schrijven. De telefoon daarentegen bevorderde juist de actieve beheersing van de standaardtaal, omdat men nu gemakkelijker met mensen uit andere streken in contact kon komen - alhoewel niet in levende lijve. De mensen hadden hiervoor een gesproken tussentaal nodig had.                                                                                                            Bovendien dient de standaardtaal als norm, omdat het aanzien heeft. Vroeger was de standaardtaal vooral de taal die mensen uit de hogere kringen gebruikten. De taal van deze gewaardeerde sociale klassen diende als norm voor de lagere klassen. Door de standaardtaal te spreken, probeerden mensen zich, vaak onbewust, de status van de hoge kringen toe te eigenen. Ook tegenwoordig heeft de taal van populaire sociale groepen nog prestige en dat is bevorderlijk voor het gebruik ervan.

§ 3.2 Toekomst

Taalverandering heb je niet in de hand. Hoe het Nederlands zich in de komende eeuwen zal ontwikkelen, is dus moeilijk te voorspellen. Wordt het gebruik van ‘hun’ als onderwerp ooit goedgekeurd? En zal ‘groter als mij’ ooit grammaticaal correct zijn? Welke woorden zullen uitsterven en welke zullen geboren worden? Zal het Engels het Nederlands verdrijven?

Over de vraag of veranderingen in een taal goed of slecht zijn, verschillen de meningen. In de negentiende eeuw vonden veel taalkundigen dat veranderingen een taal slechter maakten. Rond 1900 waren veel mensen juist van mening dat aanpassingen de taal doeltreffender maakten. Tegenwoordig menen taalkundigen dat een taal niet verbetert of verslechtert, maar dat elke tijd de taal heeft die het beste bij die tijd past. Taal gaat met de mensen mee.

Dit artikel is afkomstig uit:

 

Titel: Galapas
Jaargang: 2011
Nummer: 12

 

 

Geraadpleegde literatuur:

J. van der Horst en F. Marschall, ‘Taalverandering’, in: Korte geschiedenis van de Nederlandse taal (Den Haag, 2000) 9-20

N. van der Sijs en R. Willemyns, ‘Normen en regels. De standaardtaal in de negentiende en twintigste eeuw’, in: Het verhaal van het Nederlands (Amsterdam, 2009) 302-347

P. Sterkenburg, Een kleine taal met een grote stem. Hedendaags Nederlands (Schiedam, 2009)

M. van der Wal en C. van Bree, Geschiedenis van het Nederlands (Houten, 2008)

Meer weten

Tijdschriften: