Op Peutjut ligt de geschiedenis van de Atjeh-oorlog - Begraafplaats als symbool van een eeuw koloniale politiek

Peutjut in Banda Aceh heeft de tsunami overleefd. Op de marmeren tafels op de muren van de monumentale erepoort hebben Atjehse vaklieden de namen weer gebeiteld van de op deze erebegraafplaats begraven 2200 Nederlands-Indische militairen. Hun grafstenen zijn overeind gezet en hersteld. De halve stad Banda Aceh werd op 26 december 2004 door de tsunami weggevaagd. De met engelengeduld en geld van de Stichting Peutjut-Fonds gerestaureerde erebegraafplaats werd verwoest. Het is met de reserves van het Peutjut-Fonds in zijn oude staat teruggebracht. Blijvende financiële steun is nodig voor het behoud van dit monument als symbool van de oorlog van Nederland met Atjeh.

Auteur: Dick Schaap

Peutjut ligt in het centrum van Banda Aceh, het voormalige Kota Radja en hoofdstad van Atjeh. Het wordt niet zoals de zeven militaire erevelden op Java beheerd door de Oorlogsgravenstichting. Deze stichting onderhoudt oorlogsgraven van burgers en militairen die vanaf 10 mei 1940 zijn gevallen. ‘Het bestuur van de na het einde van het conflict met Jakarta in 2005 autonoom verklaarde provincie Atjeh van de Republiek Indonesië is feitelijk verantwoordelijk voor het instandhouden van deze erebegraafplaats’, zegt Robbert Jan Nix, luitenant-kolonel b.d. en voorzitter van de Stichting Peutjut-Fonds. ‘Helaas heeft Atjeh daarvoor geen budget, terwijl de reserves van ons fonds door de herstelwerkzaamheden als gevolg van de tsunami sterk zijn verminderd.’

De erebegraafplaats werd door de tsunami bedekt met een laag modder van meer dan een halve meter. Voor de poort stapelden zich autowrakken, ontwortelde bomen en meubilair op. De vloedgolf stuwde zelfs zeeschepen tot in het centrum van de stad. Tussen de graven op Peutjut werden 69 verdronken Atjehers gevonden. Meer dan honderdduizend Atjehers verloren op die decemberdag in 2004 hun leven.

Rente van Van Heuts

‘Het bestuur van het fonds kwam onmiddellijk na de onheilstijding uit Atjeh in actie’, vertelt Gerard A.Geerts, brigade-generaal der infanterie b.d. en vice-voorzitter van de Stichting Peutjut- Fonds. ‘Het stelde geld beschikbaar voor het huren van arbeiders om de chaos het hoofd te bieden. Voorkomen moest worden dat er grootmechanisch materieel werd ingezet voor het verwijderen van de modderlaag op de begraafplaats. Voor het redden van de graven was behoedzaamheid noodzakelijk.’

[caption id="attachment_38685" align="alignright" width="307" caption="Karbouwen graasden tussen de verwaarloosde graven"] Archeologie Magazine)[/caption]

 Een delegatie van het bestuur vertrok naar Banda Aceh na toestemming van Jakarta voor het betreden van het betroffen gebied. Atjeh was op dat moment nog steeds in de greep van de vooral door de Beweging Vrij Atjeh (GAM, Gerakan Aceh Merdeka) gevoerde strijd voor zelfbeschikking tegen het centrale Indonesische gezag. ‘Nog steeds beroepen zij zich er op, dat Nederland als enig deel van de Indische archipel het Sultanaat Atjeh de oorlog heeft verklaard’, zegt Nix. ‘Die oorlogsverklaring is één van de redenen waarom de Atjehers menen recht te hebben op een eigen staat. Aan de andere kant nemen ze het ons kwalijk dat wij na onze aftocht na de inval van Japan in 1942, nooit vrede met Atjeh hebben gesloten.’

 De Stichting Peutjut-Fonds wordt gevoed door donaties en rente van een ooit door generaal J.B. van Heutsz opgericht fonds voor de opleiding van inheemse jongeren tot officieren aan de KMA te Breda. Dankzij dit fonds en gulle donaties kon 90.000 euro worden besteed aan het noodherstel van de erepoort, de marmeren tafels met namen en het afwateringssysteem. Het daarna met de Nederlandse ambassade in Jakarta opgestelde beleid- en herstelplan voor Peutjut kon worden uitgevoerd dankzij een subsidie van de Mondriaan Stichting en extra financiële hulp van donateurs en begunstigers.

De langste oorlog

‘De oorlog in Atjeh (1873-1942) is op één na de langste, bloedigste en duurste oorlog uit de Nederlandse geschiedenis’, doceert Nix. ‘Hij wordt slechts overtroffen door de Tachtigjarige Onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje (1568- 1648). Hij heeft tienduizenden slachtoffers gekost, dwangarbeiders inbegrepen, want op elke twaalf ingezette manschappen liepen minstens vier of vijf dwangarbeiders als dragers mee.’ Het heftige verweer van de Atjehers tegen de onderwerping aan het Nederlandse koloniale gezag heeft geleid tot de aanleg van bijna vijftig militaire begraafplaatsen. Deze locaties zijn grotendeels overwoekerd door de weelderige natuur. Door de vele aanslagen werd Atjeh tevens een omineus woord onder de Nederlanders in de archipel. Menig bestuursambtenaar sloeg de schrik om het hart als hij bericht kreeg van overplaatsing naar Atjeh en probeerde zijn vrouw en kinderen naar Nederland te sturen, omdat ook zij slachtoffers werden van de aanslagen.

Een van de eerste besluiten van het Nederlandse bewind in Kota Radja in 1874 was het aanleggen van Peutjut. Deze naam is afgeleid van de al eerder op de gekozen locatie begraven zoon Meurah Pupok van Sultan Iskander Muda. Hij was voorbestemd om als Phoë-teuttjoet, jonge vorst oftewel kroonprins, zijn vader op te volgen. Het lot wilde echter dat hij wegens overspel met de vrouw van een jonge officier ter dood werd veroordeeld. Kort na de voltrekking van het vonnis werd Sultan Iskander Muda ernstig ziek. Aan zijn ziekbed vroegen zijn naaste medewerkers waarom hij zijn eigen zoon ter dood had laten brengen. Kalm en vastberaden antwoordde hij: ‘Na de dood van mijn kind blijft er zijn graf, maar als het recht zoek is, waar moeten wij dit dan terug vinden?’

[caption id="attachment_38683" align="alignleft" width="197" caption="Graf van een Nederlandse soldaat"] Archeologie Magazine)[/caption]

Opvallend is dat volgens de in de autonome provincie in 2001 ingevoerde sharia overspel wederom kan worden bestraft met dood door steniging. De naam Atjeh betekent niet voor niets ‘de veranda van Mekka’. De sharia werd Atjeh door Jakarta in de schoot geworpen in de hoop de drang tot onafhankelijkheid van de vrome moslims te dempen. Die durven de sharia thans niet af te wijzen uit vrees als slechte moslims te boek te komen te staan. Echter, zij hopen dat die nooit zal worden toegepast. Dat blijkt uit het halfhartige optreden van de religieuze politie. Ze deelt waarschuwingen uit aan vrouwen die geen hoofddoekje dragen, maar heeft daarvoor nog nooit een vrouw bestraft.

Op Peutjut rusten ook vrouwen en kinderen en civiele ambtenaren, die bezweken aan het moordend klimaat, of stierven tijdens aanslagen op huizen en militaire kampementen. Het is tevens de laatste rustplaats voor een aantal Chinese christenen en joodse inwoners uit Oost-Europa, die hier als handelaren in vooral peper een nieuw bestaan hadden opgebouwd. De 1e luitenant Baron Sloet van Swanenburg, postuum MWO-ridder 3e klasse, werd als eerste militair op 28 juni 1874 op Peutjut begraven. De laatste die er begraven is was een oud-marechaussee en beheerder van Peutjut.

Honderdduizend doden

Atjeh werd het brandpunt van een eeuw koloniale politiek en imperialisme, gericht op de voltooiing van het Nederlandse koloniale rijk in Nederlands-Indië. Toen de rekening van de oorlog in Atjeh werd opgemaakt, werd geconstateerd dat er ruwweg 12-13.000 Europese en inlandse militairen waren gesneuveld of gestorven aan ziektes. Het aantal omgekomen dwangarbeiders, als gevolg van de vijandelijkheden of ziektes, werd bepaald op ongeveer 25.000. Het Atjehse volk betaalde met 60-70.000 doden de hoogste prijs.

Aldus verloren in totaal ongeveer 100.000 mensen hun leven in een oorlog die abrupt eindigde door de Japanse inval in 1942. Voor veel van de door deze inval verraste militairen en burgers betekende dit het begin van lange jaren in Japanse gevangenschap. Een aantal militairen vormde guerrillagroepen voor voortzetting van de strijd tegen Japan. Het Japanse leger had een jaar nodig om de laatste Nederlandse guerrillagroep, onder bevel van de 1e luitenant H. van Zanten, bijgenaamd Anak matjan of Tijgerjong, tot overgave te dwingen. De jonge luitenant werd in 1943 onthoofd. Generaal-majoor Overakker en kolonel Gosenson, de laatste Territoriale Commandant van Atjeh, ondergingen in 1945 hetzelfde lot.

 ‘De meeste Nederlanders realiseren zich niet dat Nederland na de Japanse capitulatie nimmer is teruggekeerd in Atjeh’, zegt Nix. ’We hadden daarvoor niet genoeg troepen. We hadden slechte ervaringen met de krijgslustige Atjehers. Maar de voornaamste overweging om Atjeh met rust te laten was het feit, dat het sultanaat economisch niet van belang was voor Nederland. De tabak en olie van Sumatra waren belangrijker voor de Nederlandse economie, niet wetend dat Atjeh beschikte over een overvloed aan fossiele brandstoffen.’

[caption id="attachment_38684" align="alignright" width="318" caption="Restauratiewerk aan de graven"] Archeologie Magazine)[/caption]

Borstbeeld Van Heutsz gered

Het wekte de toorn op van de Atjehers, dat het hek van Peutjut gesloopt moest worden voor omsmelting ten bate van de Japanse oorlogsindustrie. Dat gold ook voor de bronzen borstbeelden van generaal Van Heutsz, de aalmoezenier P.H. Verbraak en de veldprediker I. Thenu. Een moedige inwoner van Kota Radja lichtte de beelden in het geheim van hun voetstuk en verborg ze op een diepe plek in de Atjeh rivier. ‘De Atjehers hebben een lange guerrillastrijd tegen de Japanners gevoerd’, zegt Nix. ‘Daar wisten wij niets van.’

Op 21 april 1949 werden luitenant-kolonel Swartjes, oud-geniechef van Sumatra en mr. H.W. Dubbelman, hoofd van de Nederlandse Gravendienst Zuidwest Pacific, als vertegenwoordigers van de Nederlandse Militaire Commissie in Jakarta hartelijk ontvangen in Banda Aceh. Van rancune over het verleden was geen sprake. Integendeel. Ze kregen te horen dat de borstbeelden van Verbraak en Thenu op Peutjut zouden worden teruggeplaatst. Het borstbeeld van Van Heutsz werd aan hun overgedragen. Het staat thans op het landgoed Bronbeek waar veel van zijn mannen van het Koninklijk Nederlands Indische Leger (KNIL) hun oudedagspensioen hebben genoten.

Pleidooi voor behoud

Kolonel b.d. J.H.J. Brendgen, oud-officier van het Korps Marechaussee van Atjeh en Onderhorigheden, op bezoek in 1974 bij generaal Teuku Hamza, de militaire commandant van Atjeh, en gouverneur A. Muzakkir Walad, schrokken van de deplorabele toestand waarin Peutjut verkeerde. Het door de Japanners versmolten stalen hek was nog niet vervangen. Koeien graasden tussen de graven. De bevolking gebruikte het terrein als looppad om de weg af te snijden, terwijl er op iedere vierkante meter een militair is begraven.

Het stimuleerde hem tot een vlammend betoog voor het behoud van de erebegraafplaats als cultureel erfgoed en brug naar het verleden, heden en toekomst van Atjeh en Nederland. ‘Op Peutjut ligt jullie geschiedenis’, zei hij. ‘Op Peutjut liggen de generaals, kolonels, officieren, onderofficieren en soldaten waarmee jullie slag hebben geleverd voor de vrijheid van Atjeh. Deze militairen zijn gesneuveld door jullie verzet. Laat dit oorlogsmonument daarom niet verwaarlozen. Voor de nakomende generaties is Peutjut het symbool van de strijd en de geschiedenis van Atjeh en Nederland.’

Het in vloeiend Atjehs door Brendgen gehouden betoog maakte zoveel indruk op de aanwezigen, dat generaal Teuku Hamza, militair commandant van Atjeh, en gouverneur A.Muzakkir Walad onmiddellijk toezegden een mooi hek om Peutjut te zetten en de openbare orde en veiligheid op de erebegraafplaats te garanderen. ‘Jullie gaan dan in Nederland je best doen om de centen voor de restauratie van dit monument bij elkaar te brengen, want die hebben wij niet.’ Dat werd in 1976 de opmaat voor de oprichting van de Stichting Peutjut-Fonds.  

Dit artikel is afkomstig uit:

 

Titel: Archeologie Magazine
Jaargang: 2010
Nummer: 4
Uitgever: Virtumedia

Meer weten

Tijdschriften: