Oranjeliefde in de Willemstraat

Een zee van vlaggen. Amsterdammers staan niet bepaald bekend als Oranjegezind. Toch kende de stad in de 19de eeuw een heus Oranjebolwerk: de Willemsstraat in de Jordaan. "O God, zegend Uw het Vorstelijk driepaar en ons dierbaar Vaderland."

Anne Petterson

Een zee van vlaggen

De Jordaan stond in de 19de eeuw bekend om haar Oranjegezindheid. De bewoners van de Willemsstraat liepen daarbij voorop. Met straatversieringen, volksspelen en de Gouden Koets gaven zij uitdrukking aan hun liefde voor het koningshuis. “O God, zegend Uw het Vorstelijk driepaar en ons dierbaar Vaderland”, was de kreet. De Willemstraters brachten op die manier een zekere mate van nationaal besef onder het gewone volk in Amsterdam. Maandagmiddag, 24 augustus 1857. Een bonte stoet van zo’n 300 kinderen, op hun best gekleed en versierd met kransen en banieren, trekt over de Goudsbloemgracht. Op de hoek van de straat houdt de groep stil. Vol verwachting kijken de kinderen omhoog naar de gevel van het hoekhuis. Daar hadden bewoners van de straat ’s ochtends een nieuw straatnaambord bedekt met de oude naam. Na een korte toespraak heft een orkest het Wien Neêrlands Bloed aan. Een van de kinderen trek het oude bord met een koord weg. Van alle kanten klinkt het: “Willemsstraat! Leve de koning! Leve de burgemeester!” Goudsbloemgracht werd Willemsstraat. De nieuwe naam van de straat was geen toeval. Een aantal bewoners had tien dagen voor de feestelijke inwijding van de gedempte gracht als straat het gemeentebestuur benaderd met het verzoek om de nieuwe straat te vernoemen naar koning Willem I. Het vernoemen van straten of gebouwen naar vorstelijke personen was in deze tijd nog niet heel gebruikelijk. Pas in 1839 werd in Amsterdam de Sofiabrug geopend, gevolgd door de Willemspoort in 1840. De doop van de Willemsstraat in 1857 voegde een derde verwijzing naar Oranje toe aan het Amsterdamse straatbeeld.

Als redenen voor de naamswijziging noemden de bewoners de “liefderijke regeering van het Huis van Oranje” en hun “ondubbelzinnige bewijzen van gehechtheid” aan dit koningshuis. De reactie van het gemeentebestuur op het verzoek werd niet afgewacht. Een oplettende politieagent bemerkte dat de bewoners zelf al nieuwe straatnaamborden hadden opgehangen, waarop met krijt ‘Willemstraat’ geschreven was. Eerste ondertekenaar van het verzoek was Jacobus Mens. Jacobus woonde vanaf waarschijnlijk zijn geboorte tot aan zijn dood 64 jaar later onafgebroken in de Willemsstraat. De vroegste aantekening van een beroep vermeldt dat hij behangseldrukker was. Andere bronnen werpen een licht op zijn veelzijdigheid. Zo herinnerden verschillende Amsterdammers hem als iemand “die volgens de booze wereld vroeger zijn kost verdiende met op straat onbruikbare scheermessen voor weinig geld aan ligtgeloovige voorbijgangers aan te smeeren en later huisjesmelker geworden was.”

Burgemeester van de straat

Als officieuze ‘Burgemeester van de Willemsstraat’ hield Jacobus Mens de buurt bijeen. Met name door zijn nevenactiviteiten als woningopzichter en informele geldverstrekker had hij aanzienlijke invloed op de andere straatbewoners. Aan die positie viel maar moeilijk iets te veranderen. Ook zijn vrouw, volwassen kinderen en broer Abraham woonden namelijk in de Willemsstraat. Deze basis in de buurt bood hem de mogelijkheid om zijn grote liefde voor het koningshuis vorm te geven. Een van de manieren om als straat uitdrukking te geven aan een nationaal besef waren de Oranjeversieringen tijdens ‘nationale’ feesten en bezoeken van de koning. Jacobus nam hier uiteraard het voortouw. Voor de achttiende verjaardag van de kroonprins richtte hij in 1858 een erepoort op. Vijf jaar later zou hij dit nog eens doen, nu voor de herdenking van 50 jaar Nederlandse onafhankelijkheid. Na de dood van Jacobus in 1869 zetten zijn zonen Jacobus jr., Abraham en Leendert zijn werk voort. Zij werden na enkele jaren bijgestaan door voddenhandelaar Jan Jongbloed. De familie Jongbloed nam uiteindelijk de voortrekkersrol van de familie Mens over.

De Oranjeversieringen in de Willemsstraat verschilden niet veel van de decoraties die op de rijkere grachten te zien waren. De bewaard gebleven foto’s tonen indrukwekkende erepoorten overladen met sparrengroen, de nationale driekleur en de Oranjevlag. Ook de wapens van Amsterdam en Nederland ontbraken niet. De gevels van de huizen werden opgesierd met papieren kroontjes, koninklijke portretten en nationalistische teksten. Een verslaggever kon het tijdens de 70ste verjaardag van Willem III in 1887 niet laten om zo’n ‘authentieke’ volksuiting te citeren. “En dan, om der wille van de curiositeit – in de eigen spelling – deze ontboezeming: ‘O God, zegend Uw het Vorstelijk driepaar en ons dierbaar Vaderland! B. van Rietschote.’”

Collecteren op de grachten

Dit soort teksten waren niet uniek. De combinatie van God, Nederland en Oranje ontwikkelde zich in de 19de eeuw tot een protestants wereldbeeld. Wel is het opvallend dat ook gewone burgers dit verband tussen religie en nationalisme verwoordden. De Willemsstraters lieten met hun versieringen tijdens ‘nationale’ feesten al vroeg zien dat zij de protestantse visie op Nederland hadden geaccepteerd. Tegelijkertijd gaf de verslaggever met zijn citaat onbedoeld een inkijkje in de buurtverhoudingen. Want Bartholomeus van Rietschote was de echtgenoot van Geertruida Catharina Mens, een dochter van Jacobus. Het geld voor de versieringen werd door de Willemsstraters zelf opgebracht. Dat ging vaak met een hoop publieke discussie gepaard. Zo stuurde in 1858 een bewoner van de Keizersgracht een geïrriteerde brief naar het Algemeen Handelsblad. Vreemd uitgedoste kinderen en volwassenen belden bij de huizen aan, met linten en strikken versierde collectebussen in de hand. De rijke bewoners van de grachten konden een bijdrage tot versiering van de Willemsstraat toch wel missen? Menige rustige burger werd volgens de brievenschrijver “door dergelijke aanzoeken, vergezeld van bedreigingen, 20 à 30 maal per dag lastig gevallen.” Ieder gerucht rondom collectes werd door de Willemsstraters echter stellig ontkend.

Hoe dan ook: het resultaat mocht er zijn. Een verslaggever van de Amsterdamsche Courant gaf de raad om tijdens het 25-jarig jubileum van Willem III in 1874 vooral de Willemsstraat niet te vergeten. “Amsterdammers weten hoe goed zij daar steeds ontvangen worden en hoe gaarne de Willemstraat visite krijg van dat groote deel der bevolking dat ze anders nooit te midden der haren ziet.” De Willemsstraters trokken er steeds vaker op uit. Ze gingen deelnemen aan een nieuw fenomeen: volksspelen. Via kranten en aanplakbiljetten op straat werden die vanaf het midden van de 19de eeuw aangekondigd. Ze werden georganiseerd door een commissie van Amsterdamse notabelen. Het streven was dat alle inwoners van Amsterdam aan de volksspelen konden deelnemen. Alleen op die manier zouden de feestelijkheden leiden tot “onderlinge verknochtheid” en de “Vereeniging van Vorst en Volk”.

Samen naar de volksspelen

Het is moeilijk te bepalen in hoeverre deelname aan de volksspelen bijdroeg aan het nationaal besef van de Willemsstraters. De mooie prijzen vormden waarschijnlijk een belangrijkere reden om mee te doen. Zo sleepten Leendert, Abraham en Jacobus Mens door de jaren heen niet alleen vijf keer een halve mud steenkolen, drie pakken tabak, een beurs met geld en een pijpje in de wacht, maar ook een gouden vestketting en twee zilveren horloges. Op het feestterrein aan het Funen in Oost konden de deelnemers zich tijdens het onderdeel mastklimmen moed inzingen met nationalistische liedjes. “Glijd je soms weer naar beneeên, loop daarom niet moed’loos heen, zie d’Oranje vanen wap’pren, schaar u in de rij dier dap’pren, zoo, zoo, leer je gewis, dat Oranje d’eerste is.” Dit soort liedjes zullen ook op andere terreinen in de stad geklonken hebben en door de Willemsstraters gehoord of gezongen zijn.

De volksspelen dwong hen in ieder geval om buiten de eigen straat te kijken. Ze ontmoetten Amsterdammers uit andere buurten, leerden nieuwe plekken in de stad kennen. De wedstrijden zaklopen, mastklimmen, boegsprietlopen, ringsteken en mandhangen vonden plaats op grote terreinen zoals het Amstelveld en de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein): knooppunten van belangrijke routes door de stad. De Willemsstraters vonden deze pleinen echter “bitter afgelegen”. Vermoedelijk spraken sommigen bewoners af om samen naar de volksspelen te gaan. De familie Mens was bij iedere gelegenheid ruim vertegenwoordigd. In 1874 is alleen Leendert nog in de lijsten terug te vinden, maar dan wel als eerste inschrijving uit de Willemsstraat. Tweede stond Pieter van Meetelen, die in 1887 samen met Leendert, Abraham Mens en Jan Jongbloed jr. in het straatversieringscomité zou zitten. Deze Jan Jongbloed (hij trouwde met een kleindochter van ‘burgemeester’ Jacobus) had zich ook ingeschreven, samen met zijn broer Willem. Neef Jan Fredrik Wallroth deed ook met de spelen mee. Uit hetzelfde huis als Leendert Mens kwamen de deelnemers Hermanus Fransen en Hendrik Taile. Ook de vijftienjarige Hendrik Kat, een broertje van Juliana Kat, de echtgenote van Leendert, deed mee; evenals haar achterneef Hendrik Hilster. Tot slot waren nog Jan Adrianus Verbrugge en Johannes Guntenaar, twee huis- en leeftijdsgenoten, van de partij.

Niet altijd even braaf

Deze ingewikkelde opsomming geeft aan hoe elf van de twintig deelnemers uit de Willemsstraat verbonden waren door huis-, comité- en familieverbanden. De vertrouwde straat bood tijdens de ‘nationale’ festiviteiten de basis om Amsterdam te verkennen.Door Oranjeversieringen op te hangen en deel te nemen aan de volksspelen maakten de Willemsstraters kennis met een harmonieus idee van ‘Nederland’. Maar de toenemende zichtbaarheid van de Oranjeliefde leidde in Amsterdam ook tot verzet. In de botsingen met socialisten tijdens de zogenaamde ‘Oranjefurie’ van 1887 lieten ze zich van een minder brave kant zien. Dit gedrag bleek snel vergeven en vergeten. Het hoogtepunt van de Oranjeliefde in de Willemsstraat vond plaats rondom de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898. In het buurtgebouw achter nummer 110 (inmiddels afgebroken) werd het idee bedacht voor de Gouden Koets. De bewoners zochten steun voor hun plan bij andere buurtcomités. Als waardig opvolger van ‘burgemeester’ Jacobus zat Jan Jongbloed jr. namens de Oranjevriendenkring de vergaderingen voor.

Maar de Amsterdammers raakten teleurgesteld over de Oranjeliefde van de Willemsstraters. Stukje bij beetje verdween de oude reputatie van de straat. Tijdgenoten weten deze ontwikkeling aan de toegenomen mobiliteit in Amsterdam en Nederland. Markante straatbewoners zoals Jacobus Mens en zijn zonen waren na de eeuwwisseling verdwenen. De Willemsstraters woonden minder lang in dezelfde omgeving en de beroepsstructuur werd minder divers. Daardoor namen de mogelijkheden om in de buurt versieringen en activiteiten te organiseren snel af. Op 24 augustus 1907 verscheen in de kranten een opvallend bericht. Verslaggevers die 50 jaar na de inwijding de Willemsstraat bezochten, zagen niets anders dan de gewone drukte. Een verslaggever sprak Jan Jongbloed hierop aan. “Jongbloed schudde meewarig het hoofd. ‘’t Komt precies uit’, zeide hij, op zijne vingers tellende. ‘Ja, ’t is omstreeks 50 jaar geleden. Ik heb nog de medaille, die mijn oome Arie Jongbloed gekregen heeft bij het groote feest.’” De Willemsstraters hadden het bijzondere van deze dag moeten vernemen uit de krant.

Het vergeten feest

De verslaggever begaf zich samen met Jongbloed en twee andere bewoners naar het buurtgebouw. “We kwamen met ons vieren in het clublokaal ‘Oranje’s Vriendenkring’, waar het nieuwe vaandel staat. Het huisje, dat nog veertienhonderd gulden gekost heeft, staat op een klein pleintje achter eenige huisjes in het midden der straat, welke thans onbewoonbaar verklaard zijn. Zaterdags en Dinsdags houden de oude Willemsstraters, die zich verheven gevoelen boven alle bewoners, die niet in de straat geboren zijn, daar sociëteit en bespreken dan allerlei belangen.” Jongbloed kon maar niet geloven dat ze vergeten waren om een feest te organiseren. Het plan om alsnog te gaan vlaggen leek nu toch meer een daad uit wanhoop.

Het verhaal achter de naamgeving van de straat in 1857 bleek na de eeuwwisseling nauwelijks meer onder de bewoners te leven. Het buurtgebouw met de vaandels en portretten was dan wel een tastbare herinnering aan de Oranjeliefde van de straat, maar hier kwamen vooral de ‘oude Willemsstraters’ nog bijeen. Het stokje werd overgenomen door organisaties als de Oranjevriendenkring. Eind 19de eeuw werden de versieringen en volksvermaken door de stedelijke elite verder uitgebreid, waardoor ook het karakter van de feestelijkheden veranderde. In 50 jaar tijd was de Willemsstraat een soort symbool geworden van de Amsterdamse Oranjeliefde. Ook in de 20ste eeuw zou de verering van het koningshuis in de buurt blijven bestaan. Maar de feesten waren steeds minder ‘eigen’ en steeds meer ‘Nederlands’.

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel Ons Amsterdam


Meer weten

Tijdschriften: