Position paper Towards a new history of the Second World War?

KNHG/NIOD/CEGESOMA conferentie

Introductie: ‘Oorlogshistorici: te wapen!’

Aan de grote belangstelling voor de geschiedenis en geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog lijkt 70 jaar na de bevrijding geen einde te komen. Producenten en consumenten vinden elkaar in een voortdurende uitwisseling van vragen en inzichten, gevoed door een steeds meer divers repertoire aan media: van boeken en artikelen, via websites en documentaires, tot games en apps. Ook de toegang tot de bronnen en het gebruik ervan veranderen ingrijpend van karakter door digitalisering en het toepassen van nieuwe methoden en technieken voor de presentatie en bestudering van data.

Ogenschijnlijk is de toekomst van de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog verzekerd, en lijkt het wellicht weinig zinvol daar fundamenteel over te discussiëren. De initiatiefnemers tot deze conferentie zien dat echter anders. Wij vinden het juist nu belangrijk uit deze comfortzone te treden.

Is deze oorlog anno 2015 nog steeds levend verleden? Is er een wezenlijk en blijvend verband tussen de publieke belangstelling en de noodzaak van een historiografische grondslagendiscussie? En wat is de ruimte van de oorlogsgeschiedenis in de contemporaine geschiedschrijving? We hopen dat onder meer de confrontatie tussen de verschillende Belgische en Nederlandse contexten tot nieuwe inzichten kunnen leiden. Het gevaar bestaat dat de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog een in zichzelf opgesloten specialisme wordt, waarin een voor het publiek ‘aantrekkelijk’ onderdeel van het verleden wordt geconserveerd en herbeleefd. In België wordt de urgentie van die vraag versterkt door de huidige context van WOI-herdenkingen die de publieke omgang met het oorlogsverleden in algemene zin beïnvloedt. Kunnen historici in beide landen hier lessen uit trekken?

Door kritische vragen te stellen willen we de oorlogshistorici inspireren nieuwe ideeën voor onderzoek te blijven ontwikkelen. Als we dat niet doen is ons werk tot wetenschappelijke steriliteit gedoemd en kunnen we ook het publieke debat niet meer van nieuwe inzichten voorzien. We hebben vier thema’s gekozen om deze problematiek ter discussie te stellen.

Thema 1: Natie en gemeenschap? De politieke en sociale kaders

De oorlogsgeschiedschrijving is in hoge mate bepaald door haar oorspronkelijke nationaal-opvoedende doelstelling. Deze is meer recentelijk overlapt door een discours van mensenrechten en wereldburgerschap. Daarom is het een logische stap om deze dynamiek van oorlogsgeschiedschrijving en politieke cultuur, voor Nederland en België met elkaar te vergeleken. Dit biedt de kans om stil te staan bij de afzonderlijke, deels ook overeenkomstige manieren waarop in beide landen wordt omgegaan met de spanning tussen de legitimatie van het politieke systeem en met de onderbouwing van politiek en sociaal gemeenschapsdenken die plaatsvindt op uiteenlopende, met elkaar verweven niveaus van de natie, de taalgemeenschap, de eigen stad en streek of de diverse slachtoffergroepen. Zo staat de oorlogsgeschiedschrijving onder druk van allerhand finalistische concepties over de betekenis van de Tweede Wereldoorlog. Meer dan andere specialismes ziet zij zich gedwongen buiten de kaders van het vak te treden en ingezet om politieke en sociale doelen te ondersteunen. De stelling dat de historicus van de Tweede Wereldoorlog gezien de aard van de problematiek de neiging heeft een nadrukkelijke vorm van ‘ethische verantwoordelijkheid’ (Jo Tollebeek) op zich te nemen, is zeker met voorbeelden te onderbouwen. Het is echter de vraag in hoeverre dit in de nabije toekomst nog zal werken of zelfs contraproductief zal zijn.

De beantwoording van dergelijke vragen is voor Nederland en België niet los te zien van de maatschappelijke context waarin de oorlogsgeschiedschrijving plaats vindt. Kenmerkend zijn de vroege institutionalisering (NIOD in Nederland vroeger dan CEGESOMA in België) en de verwachtingen waarmee dat proces gepaard ging, het deels gezichtsbepalende fenomeen van het inschakelen van historici als experts en de daarbij behorende opdracht ook wat betreft de bronnen als kluisbewaarders van het verleden te functioneren. Gelden deze vragen en kaders nog onverkort of is er sprake van ingrijpende wijzigingen? Het lijkt er sterk op dat transnationale financiering de rol van de nationale staat overgenomen en daarmee nieuwe normen en eisen heeft geïntroduceerd, gebaseerd op – onder meer – een Europees burgerschapsdiscours? En in meer algemene zin dient de vraagt gesteld te worden of de nadruk op burgerschap, erfgoed en valorisatie (zelfs in de vorm van toerisme) een accentverschuiving is of veeleer beschouwd moet worden als een opmaat tot het afscheid van de geschiedenis als academische professie? Dit kan de wetenschappelijke autonomie van historici in het geding brengen.

Samenvattend: hoeveel ruimte krijgen en nemen de oorlogshistorici voor onafhankelijkheid? Heeft de nieuwe organisatie van het onderzoek, met voorwaardelijke financiering, nationaal en transnationaal, tot nieuwe afhankelijkheidsrelaties geleid? Waar zullen zij hun professionele identiteit in zelfgestuurde onderzoeksvragen tot uiting laten komen?

Thema 2: Meer van hetzelfde? Onderzoekagenda’s

De ontwikkelingen ten aanzien van de politieke en sociale kaders van de oorlogsgeschiedschrijving staan niet los van de epistemologische ontwikkeling van het vakgebied. Die vraag draait rond de toekomstige onderzoeksagenda van WOII-studies en de manier waarop die agenda tot stand komt.
In een in 2010 gepubliceerde e-bundel over de ‘maatschappelijke rol van de historicus’, kwamen Jo Tollebeek (KU Leuven) en Pieter Lagrou (ULB) tot min of meer dezelfde conclusie. Tollebeek besloot: “net als de andere wetenschappen moet de geschiedenis de maatschappij niet dienen, zij hoort haar integendeel dwars te zitten. De historicus moet de samenleving in opspraak brengen”. Lagrou besloot met: “Laten we dus maar kiezen voor de marginaliteit (…) want enkel vanuit de relatieve vrijheid van de maatschappelijke marge kunnen we misschien het kritische potentieel van onze discipline herwinnen”. Uit beide conclusies spreekt een duidelijke visie en een intentie, die deels neerkomt op een autonome beheersing van de eigen onderzoeksagenda. Maar hoe die intentie tot ‘kritisch potentieel’ praktisch geïmplementeerd zou moeten worden blijft vaak onduidelijk. Dat blijkt vandaag eens te meer in België, waar in de WOI-herdenkingscontext het debat rond de autonomie is aangezwengeld.

Die uitdaging vormt het raamwerk van deze sessie, wat in deze paper en tijdens het debat in vier krachtlijnen concreet wordt gemaakt.

Er is ten eerste de verbreding en verruiming. Dit kan zowel naar geografisch bereik (transnationale geschiedenis bijvoorbeeld), naar chronologische kaders (diachrone conceptualisering; de contemporaine geschiedenis van oorlogen en genociden) als (vooral) ook naar multidisciplinariteit (cultuurgeschiedenis en culturele studies, genderstudies, transitional justice, daderonderzoek en criminologie, mediastudies en digital humanities). De volgende stap is het delen van onderzoeksvragen met contemporaine studies naar verschijnselen van oorlog, maatschappelijke ontwrichting enz. De Holocaust verdient hier bijzondere vermelding. De grote aandacht voor dit thema deed eigenlijk een nieuw specialisme ontstaan, vaak gekoppeld aan actuele vraagstukken in ruimer kader.

Een tweede en daarmee samenhangende krachtlijn heeft te maken met WOII-onderzoek als toegepaste wetenschap, waarbij de discipline vooral geëvalueerd wordt op basis van de relevantie voor actuele vraagstukken rond oorlog, genocide, conflict en samenleving. Dit sluit aan bij de ‘programmatische’ discussie die gestart is in het Cambridge History Manifesto – nadruk op de longue durée en terugkeer naar de grand narratives. Impliceert een dergelijk beroep op het grand narrative een nostalgische terugkeer naar de (vermeende) traditionele gezagspositie van historici of moet dit begrepen worden als het bepleiten van nieuwe fundamentele aandacht voor de dynamiek van het historisch proces? Dat laatste lijkt toe te juichen. Veel moeilijker, zijn misschien de toenemende institutionalisering en modelmatige evaluatie van nieuwe onderzoeksvoorstellen. Leidt een strikter gereguleerde totstandkoming van onderzoeksagenda’s niet automatisch tot een bevestigende onderzoeksagenda, waarbij voorstellen die radicaal buiten de betreden paden treden eerder weinig kans op financiering hebben? En is het risico op dit laatste niet uitgesproken sterk bij WOII-onderzoek, dat door de uitzonderlijke ‘populariteit’ precies op dit punt van fundamentele vernieuwing een soort ‘concurrentienadeel’ heeft?

Een derde krachtlijn hangt samen met overheidsregulering. De regulering en inhoudelijke sturing of programmering van onderzoeksagenda’s door diverse overheden neemt toe, toch zeker wat betreft de aan WOII-verbonden thema’s. Via herinneringswetten of –decreten (de ‘herinneringsplicht’), centraal bepaalde thematische onderzoeks-calls en andere vormen van gerichte onderzoeksfinanciering, via ‘besteld’ onderzoek (vanuit overheden, culturele sectoren,…), of ook gewoon door normatieve kaders die als dwingend worden opgelegd.

Een vierde krachtlijn hangt samen met de inhoud van de onderzoeksagenda zelf. Nu de kaap van 70 jaar gepasseerd wordt, zal het WOII verleden steeds meer een ‘vreemd’ verleden worden: een verleden dat ondanks de grote tegenwoordigheid steeds meer als fundamenteel onherkenbaar en oneigenlijk wordt beschouwd door toekomstige generaties. Als het de taak is van historici om die ‘cultuurkloof’ tussen verleden en heden te overbruggen is dat dan niet in tegenspraak met enkele van de hierboven gesuggereerde bewegingen van verruiming en verbreding?

Thema 3: Welk publiek? Versmelting bronnen en media

Dat geschiedschrijving onlosmakelijk is verbonden met lezers, kijkers en andere publieksgroepen is in recente decennia steeds sterker tot het professionele bewustzijn van de historici doorgedrongen. Het beeld van de geschiedenis wordt niet door historici in afzondering vervaardigd maar dit komt tot stand in een dynamisch proces dat zelf ook weer in toenemende mate aandacht heeft gekregen. Binnen het snel groeiende domein van de publieksgeschiedenis behoort de Tweede Wereldoorlog tot één van de thema’s die bovengemiddelde belangstelling genieten. Dat maakt de vraag hoe ons vak met het publiek communiceert over het actuele verleden, in Nederland, in België en elders, buitengewoon relevant.
Belangrijk in deze context zijn met name de keuzes die worden gemaakt met betrekking tot de dominante en minder beeldbepalende thema’s (oorlog en samenleving), met betrekking tot de media (klassieke of nieuwe media in al hun diversiteit) en met betrekking tot de daarbij gekozen vormen (historiseren of oriëntatie op erfgoed)? Leidt de zogeheten ‘erfgoedhype’ (Gita Deneckere), die ook kan worden omschreven als het voortschrijdend amalgaam van historisch onderzoek en erfgoedstudies, tot een vruchtbaar resultaat in de optiek van onderzoekers en publiek? Kunnen we onbezorgd spreken van een verrijking of vormt het verschuiven van de aandacht naar de materiële en immateriële artefacten als bron voor omgang met het verleden veeleer een versmalling? En, wanneer we terugkoppelen naar het tweede thema van dit congres, in welke onderzoeksagenda past de erfgoedbenadering als een integrerend onderdeel?

Het thema van oorlog, massaal geweld en samenleving spreekt door zijn dramatische impact extra tot de verbeelding. Er lijkt vooralsnog sprake te zijn van groeiende maatschappelijke vraag naar verhalen en zogeheten experiences terwijl onduidelijk is in hoeverre deze wens qua publieke vertolkingen een rol speelt bij de allocatie van middelen en het bepalen van wetenschappelijke keuzes? Veroordeling is niet steeds gerechtvaardigd. Het creëren van experiences kan immers behalve vanuit een commercieel perspectief ook inhoudelijk worden gezien als een neo-hermeneutisch project dat burgers (ook onderzoekers) kan leren over het verleden. Op dezelfde manier kan ook de gebruikelijke afwijzing van counterfactual analysis en if-history worden overkomen door ze te verstaan als optimaal geïnformeerde simulaties met het doel situaties uit het verleden te verstaan en handelingsspeelruimte van actoren beter te begrijpen.

Zulke vragen hebben ook direct betrekking op de communicatie over het oorlogsverleden in de oude en nieuwe media. Historici weten dat ze hier een wereld te winnen hebben en doen dat ook, zoals ze in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog geleerd hebben gebruik te maken van de audiovisuele media. Nu door de tot voor kort ongekende mogelijkheden van digitalisering heel nieuwe omgang met de historische en virtuele realiteit (games, grote databestanden, multimedialiteit) mogelijk maken worden historici uitgenodigd publieksgeschiedenis onderdeel van hun onderzoeksagenda te maken en nieuwe vormen van interactiviteit en publieksparticipatie te scheppen. Die handschoen verdient het alleszins te worden opgepakt.

Thema 4: Blijvende integratie of verzelfstandiging? Collecties en publieksfuncties

De archiefwereld is sinds twee decennia vergaand in beweging; zij vernieuwt haar thematiek, vraagstellingen en methoden vermoedelijk in hoger tempo dan de geschiedschrijving, de wetenschap die zij ooit had te dienen. Op het gebied van de Tweede Wereldoorlog hebben de specialistische instituties (NIOD en CEGESOMA) lange tijd een voorsprong genoten die overigens nooit helemaal tot een monopolie positie heeft geleid. Wat ze uniek maakt is de nauwe verwevenheid van wetenschap, publieksfunctie en archiefbeheer.

Inmiddels staan deze instellingen voor de opdracht om vanuit deze achtergrond mee te draaien in de nieuwe ontwikkelingen van de (post-)moderne archiefwetenschap. Het EHRI-project (European Holocaust Research Infrastructure) over de ontsluiting van Europese collecties over de Holocaust laat zien dat ze dit als kerntaak beschouwen, maar de verantwoordelijkheid strekt zich uit over het hele werkterrein en vereist keuzes voor nieuwe vormen van omgang met de eigen collecties, voor digitale ontsluiting en toegankelijkheid, respectievelijk beschikbaarheid van relevante collecties in binnen- en buitenland. Gezien het grote belang dat deze instellingen aan publiekswerking in ruimere zin hechten, zou het mogelijk moeten zijn ook in dit opzicht nieuwe standaarden van interactiviteit met het publiek te bereiken.

In Nederland laat het voorbeeld van Netwerk Oorlogsbronnen niet alleen zien hoe groot en divers het aantal archiefinstellingen is dat bronnenmateriaal over de Tweede Wereldoorlog beheert. Het gegeven dat een belangstellende zodoende relatief eenvoudig een overzicht kan krijgen van dit vele, en doorgaans elkaar aanvullende materiaal versterkt ook de wens van een verdere ontsluiting die tegemoet komt aan de individuele belangstelling van professionele en niet-professionele onderzoekers. In België creëert de WOI-hype momenteel een enorme beweging van collectievergaring en digitale ontsluiting, die enerzijds van onderuit wordt aangestuurd en anderzijds door veel verschillende soorten spelers wordt opgezet (zowel professioneel en niet-professioneel). We kunnen veronderstellen dat veel van de ervaring die hier wordt opgedaan door (lokale) Belgische actoren een duurzaam effect zal hebben en daarom na 2018 ook een impact zal hebben op de manier waarop WOII-collecties ontsloten zullen worden.

Gevolg van dit soort agenda’s is wel dat de instellingen die tot op heden als zeer karakteristieke stenen gebouwen het straatbeeld van de oorlogsgeschiedenis domineren steeds meer virtuele instellingen worden, waarbij ook hun zingevende binding met de natie zal kunnen gaan vervagen. Discussiepunt is of het vervagen van de grenzen (in disciplinair opzicht, als archiefbeheerinstelling, en als nationaal geïnspireerd fundament van zingeving van het oorlogsverleden) een nastrevenswaardig of een betreurenswaardig resultaat is. Wat willen we van het oude behouden, wat willen we (gecontroleerd) vernieuwen?

HP, KR, PR,RvD, NW

Meer weten

Tijdschriften: