Strijd door tegenstrijdigheid

De invloed van het nationaliteitenbeleid van de Sovjet-Unie op het ontstaan van het Tsjetsjeense conflict

Al jaren komt Tsjetsjenië vooral in het nieuws vanwege oorlog en geweld. Vers in het geheugen liggen de gijzeling van honderden theaterbezoekers in Moskou door Tsjetsjeense rebellen en de invasies van Russische troepen in de Tsjetsjeense republiek. Ondanks de verkregen autonomie binnen de Russische federatie blijft de drang naar onafhankelijkheid aanwezig. Dit artikel laat zien in hoeverre het Sovjetbeleid het conflict in de hand gewerkt heeft.

Tom van den Dungen

Tijdens het Sovjettijdperk (1917-1991) kenmerkten de Tsjetsjenen zich door hun grote liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid. Dit stond op gespannen voet met het vanuit Moskou georkestreerde nationaliteitenbeleid, dat werd gekenmerkt door dualiteit en tegenstrijdigheid. Elke leider voerde een totaal ander beleid dan zijn voorganger, met vergaande gevolgen voor de niet-Russische volkeren. In 1944 deporteerde Stalin haast het volledige Tsjetsjeense volk naar Centraal-Azië. Toen Chroesjtsjov in 1953 aan de macht kwam, rekende hij rigoureus af met het Stalinisme en keerden de Tsjetsjenen terug naar hun thuisland in de Kaukasus. Hierna volgde een periode van aanhoudende onderdrukking van het Tsjetsjeense volk totdat Michail Gorbatsjov in 1985 aan de macht kwam. Onder Gorbatsjovs beleid van glasnost en perestrojka greep het volk haar kans en begon de Tsjetsjeense revolutie van 1991. Toen de Sovjet-Unie in hetzelfde jaar uiteen viel, volgde een drie jaar durende ‘koude oorlog’ tussen de Russische Federatie van Boris Jeltsin en de Tsjetsjeense republiek. Uiteindelijk viel het Russische leger op 11 december 1994 Tsjetsjenië binnen. Deze Russische invasie van Tsjetsjenië was het begin van een slepend conflict dat tot op de dag van vandaag voortduurt. De achtergrond van dit conflict ligt voor een groot deel in het Sovjettijdperk. Op welke manier droeg het nationaliteitenbeleid van de Sovjet-Unie bij aan het ontstaan van dit conflict?

Het Sovjetnationaliteitenbeleid

De Bolsjewieken waren in tegenstelling tot hun nationalistische tegenstanders voor het zelfbeschikkingsrecht van de niet-Russische volkeren. In 1917 vaardigden zij de ’Verklaring van de rechten van de volkeren van Rusland’ uit. De vier belangrijkste punten hierin waren de erkenning van de gelijkheid en soevereiniteit van de volken van Rusland, het recht van de volken van Rusland om zich af te scheiden en zelfstandige staten te vormen, de afschaffing van alle nationale en religieuze privileges en beperkingen, en de erkenning van de vrije ontwikkeling van nationale minderheden en etnische groepen. Dit beleid zou een verklaring kunnen zijn voor de aanvankelijke populariteit van de Bolsjewieken bij de niet-Russische volkeren door het hele land.[1] Hoe mooi deze rechten ook klonken, in de praktijk zag men er maar weinig van terug. Tijdens de kunstmatige creatie van republieken en autonome gebieden waren namelijk vooral de politieke en persoonlijke voorkeuren van de leiders in het Kremlin doorslaggevend.

De Tsjetsjenen raakten als gevolg van dit proces enorm getraumatiseerd. De vernederingen en het verlies van de collectieve eigenwaarde zouden samen met territoriale problemen tot de latere etnische spanningen en conflicten leiden. Hoewel de spanningen dus een gevolg waren van nationaal beleid,  is het moeilijk te bewijzen dat de Sovjetautoriteiten bewust etnische tijdbommen creëerden in hun grensgebieden. Het lijkt er meer op dat het proces in de aard lag van de communistische bureaucratie. Het overheersende motief was waarschijnlijk het creëren van economisch rendabele republieken. Vooral in de etnisch sterk gefragmenteerde noordelijke Kaukasus leidde dit tot problemen omdat verschillende bevolkingsgroepen als gevolg van dit streven gedwongen werden om samen in één republiek te leven.

Tegen het einde van het Sovjettijdperk telde de USSR 53 verschillende autonome naties: 15 unierepublieken, 20 autonome republieken, 8 autonome oblasts (provincies) en 10 autonome okrugs (districten). Deze autonome naties werden op hun beurt bevolkt door 128 etnische groepen.  De groepen verschilden in omvang van enkele honderden tot miljoenen personen. Het centrale Sovjetgezag was aanvankelijk sterk genoeg om de nationalistische bewegingen te onderdrukken. Ook kon het gezag belangrijke sociale leiders aan zich binden door het idee van een multinationale staat uit te dragen. De ideologie van macht en vereniging van volkeren verloor echter na verloop van tijd zijn kracht en daarmee kwamen ook de fundamenten van het nationaliteitenbeleid in gevaar.[2]

Het Sovjetnationaliteitenbeleid werd dus gekenmerkt door de enorme kloof tussen verwachting en resultaat. Deze tegenstrijdigheid was tekenend voor het hele Sovjettijdperk, van Stalin tot Gorbatsjov (1922-1991). Het beleid dat lokale gemeenschappen zelfstandig moest maken en economische vooruitgang moest brengen werd juist gebruikt als manier van indirecte overheersing van het centrum over de periferie. Het centrale communistische gezag kon door het verlenen van privileges en het gebruik van repressie decennia lang controle uitoefenen op deze periferie, waaronder ook Tsjetsjenië.[3]

Deportatie: het uitwissen van de Tsjetsjeense natie

Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd het nationaliteitenbeleid van Stalin nog veel radicaler. Het Sovjetregime ging over op het deporteren van hele volkeren naar Siberië en Centraal-Azië. Op 23 februari 1944 waren de Tsjetsjenen aan de beurt. Als reden voor hun deportatie hield Stalin de Tsjetsjenen voor dat zij met de nazi’s hadden gecollaboreerd. Een meer aannemelijke reden voor de deportaties waren de opstandige elementen onder het Tsjetsjeense volk. Zo was er onder Hasan Israilov (1910-1944) voorafgaand aan de oorlog, in 1940, een Tsjetsjeense opstand uitgebroken.[4]

Nog tijdens de Tweede Wereldoorlog begon Stalin met de deportatie van de Tsjetsjenen

Voorafgaand aan de deportatie stroomden enorme hoeveelheden vrachtwagens en soldaten Tsjetsjenië binnen onder het voorwendsel dat deze troepen zouden werken aan de infrastructuur van de regio. De inheemse bevolking moest zich verzamelen bij lokale gebouwen van de Communistische Partij. Hier werd hen verteld dat zij gedeporteerd zouden worden vanwege collaboratie met de Duitsers. De Tsjetsjenen werden verdeeld over 12.000 vrachtwagens en binnen een week werden er 387.229 Tsjetsjenen en 251.250 Ingoesjeten naar Centraal-Azië en Siberië gedeporteerd.[5] De deportaties gingen gepaard met ongekende wreedheden. De vrachtwagens hadden geen sanitaire voorzieningen en de slachtoffers kregen gedurende de reis maar eens per week eten. Dit resulteerde in tyfusepidemieën en sterfte door honger en kou. In sommige transporten kwam 60 procent van de mensen om. De grootste wreedheden werden door leden van het volkscommissariaat van interne zaken (de NKVD) in de Tsjetsjeense hooglanden begaan. In deze gebieden werden ‘niet transporteerbare’ mensen die ziek, oud of slecht ter been waren soms levend verbrand in houten schuren.[6] De man die verantwoordelijk was voor deze gruweldaden, NKVD-generaal Greshani, kreeg later een medaille voor zijn wandaden. Ooggetuigenverslagen laten zien hoe de soldaten en NKVD-leden te werk gingen:

‘Zij kamden de hutten uit om er zeker van te zijn dat niemand was achtergebleven. De soldaat die het huis binnenkwam wilde niet bukken. Hij doorzeefde de hut met een regen van kogels uit zijn tommy gun [sic]. Bloed stroomde onder een bankje vandaan waar een kind zich had verstopt. De moeder schreeuwde het uit en wierp zich op de soldaat, hij schoot haar ook neer. Er was niet genoeg transportmaterieel, degenen die werden achtergelaten werden ook neergeschoten. De lichamen werden slordig met aarde bedekt. Het schieten was ook slordig geweest en mensen kropen onder de aarde vandaan. De NKVD-mannen waren vervolgens de hele nacht bezig geweest hen opnieuw te beschieten.’[7]

Na de komst van de Tsjetsjenen in Kazachstan verslechterde de situatie alleen maar verder. Een kwart van de Tsjetsjenen stierf binnen vijf jaar na de deportaties. Ze ontvingen onvoldoende voedsel en andere primaire levensbenodigdheden. Als gevolg hiervan stierven vooral veel kinderen door ondervoeding en ziektes. De lokale bevolking in Centraal-Azië en Siberië was er door de autoriteiten op voorbereid dat verraders, rebellen en kannibalistische stamvolkeren hun nieuwe buren werden.[8] Dit maakte het erg moeilijk voor de Tsjetsjenen om te integreren in hun nieuwe omgeving.[9] Na enkele maanden had nog maar één zesde van de gedeporteerde families in Kirgizië een permanent huis. In Kazachstan was de situatie nog slechter. Hier waren er nog maar enkele huizen gebouwd in 1946. Het totale dodental als gevolg van deze wreedheden zou ergens tussen de 100.000 en 200.000 liggen, op een totale Tsjetsjeense bevolking van 420.000 mensen.[10] Ondanks dit alles bleven de gedeporteerde Tsjetsjenen mentaal weerbaar. In de woorden van de bekende schrijver en dissident Alexander Solzhenitsyn: ‘Alleen één volk weigerde zich te onderwerpen, dit waren de Tsjetsjenen’.[11]

[caption id="attachment_61295" align="alignleft" width="470"]stalin trotsky Stalin had een streng beleid tegen politieke vijanden. Rechts een foto mét Nikolai Yezhov (welke in 1940 werd geëxecuteerd) en links de bewerkte foto.[/caption]

Rehabilitatie: herstel van de Tsjetsjeens natie

Na de dood van Stalin werden de beperkingen in bewegingsvrijheid van de gedeporteerde Tsjetsjenen geleidelijk opgeheven. Voorheen mochten zij niet meer dan drie kilometer afstand van hun woonplaats reizen. Al snel werd het de Tsjetsjenen toegestaan vrij in Kazachstan te reizen en zelf kranten en radiostations op te richten. Deze maatregelen werden waarschijnlijk genomen om de Tsjetsjenen in Centraal-Azië te houden en te voorkomen dat zij zouden terugkeren naar de Kaukasus. De mogelijkheid van een autonome Tsjetsjeense regio in Kazachstan zou zelfs zijn overwogen.[12]

In 1953 kwam Nikita Chroesjtsjov naar voren als de nieuwe leider van de Sovjet-Unie. In een geheime toespraak aan het 20e congres van de Communistische Partij sprak hij zich in sterke bewoordingen uit tegen de excessen van Stalins bewind, in het bijzonder tegen de deportaties. Terwijl deze toespraak in Stalins geboorteland Georgië werd gezien als een aanval op hun natie, vonden de verbannen Tsjetsjenen er hoop in. Zij begonnen zich de mogelijkheid voor te stellen om naar hun thuisland in de Kaukasus terug te keren.

Al in 1954 reisden de eerste groepen Tsjetsjenen en Ingoesjeten illegaal terug. Veel van hen werden tegengehouden, maar het proces van terugkeer bleek niet meer te stoppen. Alleen al in 1956 keerden tussen de 25.000 en 30.000 mensen terug.[13] Zij brachten zelfs de lichamen mee van familieleden die waren omgekomen tijdens de ballingschap. Het regime volgde deze ontwikkelingen argwanend. Eerst boden ze de Tsjetsjenen autonomie in Oezbekistan, daarna probeerden de Sovjets hen naar andere gebieden in de Kaukasus te laten terugkeren. Uiteindelijk voorzag de regering in een gefaseerde terugkeer naar de nieuw opgerichte Tsjetsjeens-Ingoesjetische autonome Sovjetrepubliek (ASSR). De autoriteiten moesten echter de realiteit accepteren dat de Tsjetsjenen en Ingoesjeten massaal terugkeerden naar hun thuislanden. Al in 1959 was het percentage Tsjetsjenen in de ASSR  41 procent. Daarnaast nam het bevolkingsaantal van de Tsjetsjenen snel toe: de Tsjetsjeense populatie binnen de Sovjet-Unie verdubbelde zelfs tussen 1959 en 1979.[14] In deze periode daalde het percentage Russen in Tsjetsjenië geleidelijk van 50 procent naar 30 procent. Dit was niet alleen een gevolg van de Tsjetsjeense bevolkingsexplosie maar kwam ook doordat duizenden Russen de regio verlieten tussen 1979 en 1989. Het aandeel van de Russische bevolking in Tsjetsjenië daalde volgens een officiële census met meer dan 12 procent.[15]

Deze terugkeer betekende echter niet dat de burgerrechten van de Tsjetsjenen volledig werden hersteld.[16] Ten eerste kwamen de grenzen van de nieuwe Ingoesjetisch-Tsjesjeense republiek niet overeen met die van voor de deportatie. De republiek Noord-Ossetië behield het door Ingoesjeten bewoonde Prigodniy district. Dagestan behield een gebied van voormalig Oost-Tsjetsjenië waar een groep Lakken gedwongen naartoe was verhuisd.

Ten tweede werden de Tsjetsjenen en Ingoesjeten nog steeds gediscrimineerd in hun eigen republiek op gebieden als onderwijs en werkgelegenheid. Het verbod op hoger onderwijs voor gedeporteerde volken werd in de jaren vijftig opgeheven en het aantal Tsjetsjenen met een hoger onderwijsdiploma steeg van haast niemand tot 50.000 in 1960. Dit was echter nog steeds minder dan 5 procent van de bevolking. Daarbij had 15 procent van de Tsjetsjenen helemaal geen toegang tot onderwijs. In het onderwijs werd de Tsjetsjeense identiteit ook onderdrukt. In de meeste autonome republieken konden ouders kiezen tussen een Russische school waar de lokale taal de tweede taal was, of een inheemse school waar de eigen taal de eerste taal was en Russisch als de tweede taal werd onderwezen. In Tsjetsjenië was het daarentegen onmogelijk om onderwijs in de eigen taal te krijgen.[17]

Onderwijs in de eigen taal was onmogelijk

Ten derde beheerste de Russische bevolking van de Tsjetsjeense ASSR het economische en politieke leven. De meeste Tsjetsjenen leefden op het platteland en zij die in de steden woonden hadden moeite om een baan te vinden omdat zij werden gediscrimineerd ten bate van Russen. Dit leidde samen met een bevolkingsexplosie tot massale werkloosheid onder de Tsjetsjenen en Ingoesjeten. Hierdoor werden veel van hen gedwongen seizoensarbeid te zoeken in andere delen van de Sovjet-Unie. Een groot aantal Tsjetsjenen emigreerde samen met andere Noord-Kaukasiërs naar Moskou en Leningrad, waar zij werk vonden in de grijze en zwarte sectoren van de economie.[18] Het gevolg hiervan was dat de Tsjetsjenen werden gestigmatiseerd als criminelen. Ook het politieke leven in de Tsjetsjeens-Ingoesjetische ASSR werd gedomineerd door de Russen. Zij hadden de topposities binnen de lokale Communistische Partij en de ambtenarij van de republiek in handen. Daarnaast werd de functie van Eerste Secretaris van de lokale Communistische Partij, die in de meeste autonome republieken naar een inheems persoon ging, in de ASSR bezet door een Rus.[19] Pas na enkele jaren van perestrojka en democratisering kreeg Doku Zavgayev als eerste Tsjetsjeen de hoogste post in de republiek. De Tsjetsjeense republiek werd ten slotte ook op het gebied van volksgezondheid benadeeld. De sterfte door besmettelijke ziekten was bijna twee keer zo hoog als in de rest van de Sovjet-Unie. Dit werd veroorzaakt door een groot tekort aan artsen en ziekenhuizen.[20]

Als gevolg van de achterstelling van de Tsjetsjenen in hun eigen republiek kenmerkte de periode tussen terugkeer van de Tsjetsjenen naar hun thuisland en de omwentelingen van 1991 zich door sociale onrust. De frustratie van de Tsjetsjenen en de angst van de Russen leidden tot spanningen. Al in 1958 kwamen deze aan de oppervlakte in Grozny. Een gevecht vanwege een persoonlijk geschil liep dodelijk af en ontaardde in etnisch geweld waarbij de Russen de terugkeer van de Tsjetsjenen naar Centraal-Azië eisten. Nadat er werd geplunderd moesten Sovjettroepen de orde komen herstellen. Dit was een van de ernstigste gevallen van sociale onrust in de Sovjet-Unie sinds 1922.[21]

 

Glasnost en Perestrojka: dromen van Tsjetsjeense onafhankelijkheid

In 1987 en 1988 begonnen de effecten van Michail Gorbatsjovs glasnost, perestrojka en demokratizatsjiya voelbaar te worden in de voorheen rigide gecontroleerde ASSR. Tot 1985 werden uitingen van nationalisme onder de Sovjetvolkeren onderdrukt. Gorbatsjov bracht hier verandering in.[22] Glasnost en perestrojka waren aanvankelijk bedoeld om het stagnerende Sovjetsysteem nieuw leven in te blazen maar eenmaal begonnen bleken de in gang gezette ontwikkelingen niet te stoppen - ook niet in Tsjetsjenië. Vanaf 1988 groeiden onder alle volkeren van de Sovjet-Unie de nationalistische emoties die voorheen zo onderdrukt werden. Hiermee kwamen ook nationalistische politieke bewegingen op. Met uitzondering van de etnische Russen richtten haast alle volkeren informele organisaties op die de nationalistische ongenoegens kenbaar moesten maken. Verrassend genoeg begon het met klachten over de milieuproblematiek die ontstaan was door het Sovjetbeleid van ‘extensieve ontwikkeling’, het verhogen van de productie door meer en meer grondstoffen te gebruiken. Hierna werd de invoering van nationale symbolen als de staatsvlag en het volkslied, en een hogere status voor de nationale taal geëist. Daarnaast werden de zogenaamde ‘witte vlekken’ in de nationale geschiedschrijving ingevuld. Dit betrof meestal misdaden uit de Stalintijd zoals de deportaties van de Tsjetsjenen. Ook werden vermeende onrechtmatigheden in het vastleggen van de grenzen van de unierepublieken en kleinere autonome republieken aangevochten.[23]

Tsjetsjenië kenmerkte zich als natie in de Kaukasus door omstandigheden die gunstig waren voor onafhankelijkheid. De Tsjetsjenen waren de meest omvangrijke bevolkingsgroep van de noordelijke Kaukasus, met een bevolking van 957.000 waarvan er in 1989 734.000 in de ASSR leefden. Het aantal Russen in de ASSR was relatief laag, rond de 300.000. Er leefden rond de 164.000 Ingoesjeten in de gemeenschappelijke republiek. Er was dus een duidelijk genoeg Tsjetsjeens demografisch overwicht om een onafhankelijk beleid na te streven. Het overwicht van de Tsjetsjenen op de Ingoesjeten was zelfs zo groot dat zij gedurende de perestrojka haast een monopolie kregen binnen de politiek.[24] Een belangrijk gevolg van deze demografische situatie was dat in tegenstelling tot andere Noord-Kaukasische republieken één etnische groep een strijd voor onafhankelijkheid kon voeren. Omdat de andere Noord-Kaukasische republieken etnisch zo divers waren en het etnisch homogene Noord-Ossetië geen onafhankelijkheidsstreven had, ontstonden er verder geen levensvatbare onafhankelijkheidsbewegingen. Hierdoor kon geen gezamenlijke Noord-Kaukasische afscheidingsbeweging ontstaan. Ten slotte heeft Tsjetsjenië veel natuurlijke hulpbronnen, zoals olie en gas, in tegenstelling tot andere autonome republieken in de noordelijke Kaukasus. Ook dit maakte Tsjetsjenië, meer dan de andere Noord-Kaukasische republieken, een levensvatbare kandidaat voor afscheiding.[25] Het is dan ook niet verrassend dat de Tsjetsjeense roep om autonomie en onafhankelijkheid luider werd.

In Tsjetsjenië werd tijdens de door Gorbatsjov ingezette omwenteling gewerkt aan een steeds grotere soevereiniteit. Jonge Tsjetsjenen verenigden zich in de radicale ‘Democratische Partij’. Zij wilden een onafhankelijke Tsjetsjeense republiek tot stand brengen. Ook waren zij tegen het atheïsme als beginsel van de staat en de onderdrukking van moslims. Daarbij wilden zij traditionele Tsjetsjeense instituties, zoals de raad van ouderen, heroprichten.[26] In de zomer van 1990 pleitten Tsjetsjeense intellectuelen voor de oprichting van een Tsjetsjeens nationaal congres. Er werd een soevereine Tsjetsjeense republiek uitgeroepen die op gelijke voet stond met de unierepublieken binnen de Sovjet-Unie. Het nationale congres dat de nieuwe Tsjetsjeense republiek moest leiden, bestond uit drie fracties: de officiële communistische autoriteiten onder Eerste Secretaris Doku Zavgajev, een gematigde middenfractie die een volledig onafhankelijke republiek wilde en een radicale fractie die een islamitische staat nastreefde. Deze fracties wilden alle drie op zijn minst volledige soevereiniteit voor Tsjetsjenië.[27]

Zavgajev probeerde de leiding over de gebeurtenissen te nemen. Uiteindelijk trok echter de radicale fractie aan het langste eind. De Sovjetluchtmachtmajoor Dzhokhar Dudajev kwam naar voren als hun leider. Net als Chroesjtsjov maakte hij indruk met een krachtige eerste toespraak voor het nationale congres.[28] Op 1 december 1991, toen hij nog steeds in dienst van de Sovjetluchtmacht was, werd hij tot voorzitter van de Ispolkom gekozen. Dit was het uitvoerende orgaan van het nationale congres. Dudajev had de taak gekregen de Tsjetsjeense natie te herstellen en de Tsjetsjeense taal en cultuur te restaureren. Snel na zijn aanstelling nam hij ontslag bij de Sovjetluchtmacht en verhuisde hij naar Grozny. Toen de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek (RSFSR) in april 1991 een wet voor de rehabilitatie van onderdrukte volkeren uitvaardigde, greep Dudajev zijn kans. Hij gebruikte de nieuwe wet om de Opperste Sovjet van de republiek aan de kant te schuiven. Hij gaf de Ispolkom en zichzelf tijdens de overgangsperiode naar onafhankelijkheid vergaande bevoegdheden. De door Zavgajev voorgezeten Opperste Sovjet bood geen weerstand. Dudajev sloot nu verdragen met buurland Georgië om de isolatie van Tsjetsjenië te doorbreken.[29]

Tijdens de aanloop naar de verkiezingen voor het Russische presidentschap op 12 juni 1991 beloofde Boris Jeltsin maximale autonomie aan de niet-Russische volkeren binnen de Russische Federatie. Deze tactiek wierp voor hem op korte termijn in Tsjetsjenië zijn vruchten af. Jeltsin behaalde 80% van de stemmen in Tsjetsjenië en Ingoesjetië, waarschijnlijk door de anti-imperialistische en anticommunistische toon van zijn campagne.[30]

In Tsjetsjenie diende de Ispolkom van Dudajev in de periode van juni 1991 tot de coup in Moskou van 18 augustus 1991 als het centrum van de radicale oppositie tegen het communistische leiderschap van Zavgajev. De leden van de Ispolkom werden echter voortdurend lastiggevallen door de communistische autoriteiten en werden gedwongen om hun kranten en pamfletten buiten de republiek, in de Baltische staten en Georgië, te publiceren. Dudajev vergrootte zijn machtsbasis in alle districten van de Tsjetsjeense republiek door lokale afdelingen van de Ispolkom op te richten. Vanuit deze lokale afdelingen legde hij de basis voor de Tsjetsjeense revolutie, die op 1 november 1991 plaatsvond.[31]

De hoop op een Tsjetsjeense natie werd na deze revolutie snel de kop ingedrukt

De hoop op een Tsjetsjeense natie werd na deze revolutie snel de kop ingedrukt. Toen Boris Jeltsin stevig in het zadel zat, richtte hij zich op separatistische tendensen in de nieuwe Russische Federatie. Na het tekenen van een verdrag in februari 1994, waarmee Tatarstan binnen de Federatie bleef, restte alleen Tsjetsjenië nog als separatistische regio. De Russische regering begon in de lente van 1994 met het actief destabiliseren en ondermijnen van de Tsjetsjeense regering, met als doel Dudajev af te zetten. Tegelijkertijd verleende de Russische regering steun aan de Tsjetsjeense oppositie. Dit had een burgeroorlog tot gevolg. Op 23 november vaardigde Jeltsin een ultimatum van 48 uur uit, waarin hij de Tsjetsjeense regering opriep een wapenstilstand met de oppositie te sluiten. Dit ultimatum werd door de Tsjetsjenen genegeerd. In de ochtend van 11 december 1994 vielen Russische troepen van het ministerie van Defensie en het ministerie van Binnenlandse Zaken Tsjetsjenië binnen met 23.700 man, 80 tanks en 208 pantservoertuigen.[32] De oorlog tussen Rusland en Tsjetsjenië was een feit.

Conclusie

Het nationaliteitenbeleid van de Sovjet-Unie droeg door haar inherente dualiteit en tegenstrijdigheid bij aan het ontstaan van een bloedig conflict in 1994. Het Sovjettijdperk bestond voor veel Tsjetsjenen uit een aaneenschakeling van beloftes en deceptie. Toen de Bolsjewieken aan de macht kwamen, hielden zij zelfbeschikking voor aan de Tsjetsjenen, maar hier kwam niets van terecht. Wat volgde was de deportatie van het Tsjetsjeense volk in 1944, gedeeltelijke rehabilitatie in 1953 en een onsuccesvolle revolutie in 1991. Keer op keer werd de mythe van een onafhankelijke Tsjetsjeense natie gevoed, maar deze bleek uiteindelijk onhaalbaar. Dit proces ging gepaard met veel leed, met als climax de deportatie in 1944 van grote delen van het Tsjetsjeense volk naar Centraal-Azië. De rehabilitatie van het Tsjetsjeense volk onder leiding van Nikita Chroesjtsjov in 1953 gaf veel Tsjetsjenen nieuwe hoop. Deze hoop bleek echter tevergeefs omdat teruggekeerde Tsjetsjenen als tweederangs burgers werden behandeld in hun heropgerichte republiek. Tijdens de val van de Sovjet-Unie gebruikten Gorbatsjov en Jeltsin Tsjetsjenië als wapen in hun machtsstrijd. Jeltsin beloofde de Tsjetsjenen aanvankelijk verregaande autonomie. Toen de Sovjet-Unie was gevallen en Jeltsin zelf eenmaal stevig in het zadel zat, kwam ook hij terug op zijn beloften. Het Tsjetsjeense leiderschap was echter vastbesloten. De weg naar natievorming en onafhankelijkheid was deze keer onomkeerbaar. Na enkele jaren van ‘koude oorlog’ tussen de Russische Federatie en Tsjetsjenië, ging Rusland op 11 december 1994 tot de aanval over.


Tom van den Dungen (25) studeerde Geschiedenis en Conflict Studies in Utrecht. Hij houdt zich met name bezig met de geschiedenis van nationalisme en conflict, in het bijzonder in het Midden-Oosten. De gepresenteerde bevindingen komen voort uit onderzoek verricht in het kader van het vak Onderzoeksseminar II binnen de Bachelor Geschiedenis.

Afkomstig uit:

Titel:  Historisch Tijdschrift Aanzet
Nummer:  2
Jaargang:  29

 Kijk voor meer informatie op onze website::

Voetnoten

[1] V. Tishkov, Ethnicity, nationalism and conflict in and after the Sovjet Union. The mind aflame, (London 1997) 29.

[2] Ibidem 45.

[3] S.E. Cornell, Small nations and great powers. A study of ethnopolitical conflict in the Caucasus (Surrey 2001) 42-44.

[4] Ibidem, 200.

[5] Cornell, Small nations and great powers, 198.

[6] J. B. Dunlop, Russia confronts Chechnya. Roots of a seperatist Conflict (Cambridge 1998) 65.

[7] J. Burds, ´The Soviet War against “Fifth Columnists”: The Case of Chechnya, 1942–4´, Journal of Contemporary History 42 (2007) 39 (vertaald uit het Engels).

[8] Cornell, Small Nations And Great Powers, 199.

[9] Er zijn echter ook voorbeelden van Kazachen en Kirgiziërs die hun nieuwe buren zoveel mogelijk hielpen door hun bezit en vee met de Tsjetsjenen te delen.

[10] Ibidem 199.

[11] Zoals geciteerd door S.E. Cornell in: Ibidem.

[12] Dunlop, Russia confronts Chechnya, 76.

[13] Cornell, Small nations and great powers, 202.

[14] Dunlop, Russia confronts Chechnya, 77-80.

[15] Tishkov, Ethnicity, nationalism and conflict in and after the Sovjet Union, 40.

[16] Dunlop, Russia confronts Chechnya, 86.

[17] Gail W. Lapidus, “Contested sovereignty: the tragedy of Chechnya”, International security 23 (1998) 9.

[18] Lapidus, “Contested sovereignty: the tragedy of Chechnya”, 9.

[19] Cornell, Small nations and great powers, 203.

[20] Ibidem 204.

[21] Ibidem.

[22] R. Does, Etnisch separatisme in de voormalige Sovjet-Unie. Nederlands Instituut Voor Internationale Betrekkingen Clingendael (2009) 9.

[23] Ibidem 10.

[24] D.V. Trenin, A.V. Malashenko en A. Lieven, Russia’s restless frontier. The Chechnya factor in post-Sovjet Russia (Washington 2004) 16.

[25] Cornell, Small nations and great powers, 205.

[26] Dunlop, Russia confronts Chechnya, 91-93.

[27] Ibidem 93.

[28] Ibidem 94.

[29] Cornell, Small nations and great powers, 208.

[30] Lapidus, “Contested sovereignty: The tragedy of Chechnya”, 11.

[31] Dunlop, Russia confronts Chechnya, 100.

[32] Cornell, Small nations and great powers, 225.

Meer weten