Tegen het feminisme uit ‘modezucht’ Anna de Savornin Lohman (1868-1930) - een eigenzinnige freule

Catharina Anna Maria de Savornin Lohman behoort tot de meest opvallende feministes van de periode rond 1900. Zelf zou ze het met deze kwalificatie maar gedeeltelijk eens zijn geweest. Zij was weliswaar graag opvallend, maar had een ambivalente relatie tot de vrouwenbeweging. Ze was zeer onafhankelijk en voorzag als schrijfster en journaliste in haar levensonderhoud. Tegelijk vond zij dat een vrouw alleen gelukkig kon worden door zich geheel op te offeren aan een man, het liefst in een huwelijk, maar desnoods ook in de vrije liefde. 

Tekst: Inge De Wilde

Anna de Savornin Lohman werd in 1868 geboren in Assen in een voorname en welgestelde familie. Haar ouders kwamen beiden uit Groningen. Haar moeder was jonkvrouwe Florentina Johanna Alberda van Ekenstein, haar vader, de jurist jonkheer Maurits Adriaan de Savornin Lohman, was officier van justitie en werd in 1884 advocaat-generaal bij de Hoge Raad, reden voor het gezin naar Den Haag te verhuizen. Haar oom was de anti-revolutionaire staatsman A.F. de Savornin Lohman. In Anna’s jeugd leek alles zich te ontwikkelen zoals voor een meisje van haar stand verwacht mocht worden: ze ging naar een meisjesschool en leerde zich elegant kleden en bewegen.

Haar leven nam echter een radicale wending toen haar vader in 1889 tot gouverneur van Suriname werd benoemd. Enkele maanden na aankomst overleed Anna’s moeder met het gevolg dat zijzelf als negentienjarige de rol van first lady op zich moest nemen. Deze rol lag haar niet erg. Tot overmaat van ramp raakte haar vader – een man met een star karakter – in een aantal conflicten verzeild die leidden tot een volksoproer. Hij was niet langer te handhaven en werd (eervol) ontslagen. Berooid kwamen hij en Anna in 1891 terug naar Europa, waar zij enige tijd in vrij povere omstandigheden woonden in een pension in Berlijn. Hun gefortuneerde familie in Nederland liet hen aan hun lot over en Anna werd gedwongen een baan als lerares op een schooltje in Schotland aan te nemen Ze was toen 24 jaar.

Deze ervaringen moeten Anna de Savornin Lohman hebben vervreemd van haar familie en vooral van hun strenge orthodox- protestantisme. Ze keerde zich af van christenen die de naastenliefde proclaimeerden, maar zich in het dagelijks leven daar niet naar gedroegen. Haar schrijverscarrière begon in Batavia, waar haar vader voor een Duitse firma naartoe was gezonden. Haar eerste roman, Miserere, verscheen in 1895, ze werd medewerkster aan het Soerabaiaasch Handelsblad en later verzorgde zij enige tijd de rubriek toneel en letteren van De Telegraaf.

Na 1895 zouden tot 1921 nog 27 boeken volgen, waarvan haar roman Vragensmoede (1896) de bekendste werd en zes herdrukken beleefde. Behalve romans schreef ze literaire beschouwingen, Herinneringen (1909) en publiceerde zij vertalingen, onder meer van het werk van de Zweedse schrijfster Laura Marholm. Op de geruchtmakende tendensroman Hilda van Suylenburg (1897) van Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk, waarin een vrouwelijke ongetrouwde arts de hoofdpersoon is, reageerde Anna de Savornin Lohman in haar brochure De liefde in de vrouwenquaestie (1898). Ze betoogde dat gelijkstelling tussen man en vrouw onmogelijk was, omdat ze nu eenmaal naar lichaam en geest van elkaar verschilden.

De Hollandsche Lelie

Behalve in haar romans vond de freule in het weekblad De Hollandsche Lelie een belangrijk platform voor haar meningen. Het blad, in 1887 opgericht door de katholieke Catharina Alberdingk Thijm, richtte zich op jonge en later ook op oudere dames en had een hoog huiselijkheidgehalte, totdat in 1902 Anna de Savornin Lohman als redactrice aantrad. Het kan niet anders of uitgever L.J. Veen had geconstateerd dat het aantal abonnees van De Hollandsche Lelie drastisch was teruggelopen en dat het blad, zoals we nu zouden zeggen, best een nieuwe impuls kon gebruiken.

Ook het satirische tijdschrift De Ware Jacob voorzag dat van nu af aan toon en inhoud van het weekblad drastisch zouden veranderen. Op een spotprent van Willy Sluiter in De Ware Jacob valt te zien dat Anna de Savornin Lohman driftig met een bezem de vloer aanveegt en Hysterie, Onnatuurlijkheid en Sentimentaliteit aan de kant schuift. ‘Bravo, Ant’, luidt het onderschrift, ‘je doet goed werk met dezen Hollandschen Lelie-stal eens uit te vegen.’

De jonkvrouw drukte op het tijdschrift inderdaad een krachtig stempel, nam zelden een blad voor de mond en maakte daardoor veel vrienden en vooral vriendinnen, maar ook vele vijanden, wat het weekblad de bijnaam De Hollandsche Distel bezorgde. Het merendeel van de kopij verzorgde ze zelf, waarbij ze een voorkeur had voor het propageren van de dierenbescherming, het attaqueren van gescheiden vrouwen en het afkeuren van reformkleding, want ze bleef een grande dame die hield van ruisende japonnen en niet van hobbezakken.

De toon waarop zij haar bezwaren tegen feministes kenbaar maakte was hard. Het blad Evolutie van Wilhelmina Drucker verdween, ‘met kruisband en al onmidde-lijk ongeopend in de papiermand. (...) Dergelijke bladen reken ik tot de vuile lectuur. Die dat Blad redigeeren worden in mijn huis niet ontvangen; ook niet hun geestespoducten!’ schreef ze op 22 juli 1903. De ‘moderne man-wijven’ wilden volgens haar dat elke vrouw, gehuwd of ongehuwd, buitenshuis ging werken. Maar als daarvoor geen financiële noodzaak bestond, was Anna de Savornin Lohman er mordicus tegen dat een vrouw anderen beroofde van hun inkomen door goedkopere lessen te geven of door mede te solliciteren naar karigbezoldigde betrekkingen. Anders gezegd, ze maakte een verschil tussen de vrouw die, zoals zijzelf ‘door den nooddwang van zelf-onderhoud, werkt voor dagelijksch brood, en de feministe-leegloopster, kunstdoenster, of quasi geleerde-vrouw, voor wie óók haar feminisme maar spielerei, modezucht is’.

Scherp veroordeelde ze vrouwen die om ‘binnen’ te zijn een huwelijk uit berekening aangingen. Dat vond zij een vorm van prostitutie. Nee, dan gaf ze de voorkeur aan de echte prostituee, die tenminste zonder schijnheiligheid van het huwelijk haar lichaam om den brode aanbood. Zij gaf ook andersdenkenden de ruimte hun mening te geven, omdat ze een ‘onafhankelijk, vrijmoedig, eerlijk orgaan’ wilde redigeren, maar in een naschrift gaf ze meteen haar – nooit mis te verstane – commentaar.

Op een serie artikelen van een socialist reageerde ze met haar afkeer van deze politieke stroming en de feministe Welmoet Wijnaendt Francken- Dyserinck, die pleitte voor de oprichting van een vakbond voor dienstbodes, kreeg te horen dat dit een dwaas idee was, want Anna zelf en haar dienstbode Marie konden het ook zonder vakbond prima met elkaar vinden. Ook haar familie spaarde ze niet. A.F. de Savornin Lohman had bij de behandeling van de staatsbegroting in 1915 in de Tweede Kamer gezegd dat ons land ‘lamlendig en onwaardig’ was, wat de freule het bitse commentaar ontlokte: ‘Ik wou dat mijn oom altijd zoo verstandig en onpartijdig uit den hoek was gekomen als deze keer. Dan had hij in zijn lange leven veel nut kunnen stichten’.

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ontpopte Anna zich als een gedreven antimilitariste. Zij complimenteerde het vrouwenvredescongres dat eind april 1915 in Den Haag werd gehouden, maar van de vrouwen die daar aanwezig waren, noemde ze wel Lida Heymann en Rosika Schwimmer, maar niet initiatiefneemster Aletta Jacobs. Deze was ook in de voorgaande jaargangen van De Hollandsche Lelie onbesproken gebleven. Kennelijk had de freule voor deze grote feministe te veel respect had om haar direct aan te vallen, hoewel zij medicijnen had gestudeerd en had gepleit voor uitbreiding van de werkkring van de vrouw, zaken die in Anna’s ogen nauwelijks door de beugel konden. Behalve tegen de oorlog was Anna, altijd in de contramine, ook pro- Duits. Haar sympathie ging meer uit naar het Duitse dan naar het Nederlandse volk en ze hoopte dan ook dat Duitsland de oorlog zou winnen en Nederland bij Duitsland zou worden ingelijfd. Maar: ‘liever nog vrede, hoe dan ook, en ten nadeele van ‘t Duitsche rijk, dan voortzetting van den oorlogsgruwel’.

Liefde

Hadden haar lezeressen oog voor de tragiek in het leven van Anna de Savornin Lohman zelf? Zij die hunkerde naar liefde, maar het lange tijd niet vond. Eens schijnt zij hevig verliefd te zijn geweest, maar de man naar wie haar hart uitging, keerde zich van haar af. Vanaf 1901 woonde Anna de Savornin Lohman samen met een vriendin en zij meende dat deze situatie zou voortduren tot de dood hen zou scheiden. Maar plots op middelbare leeftijd – ze was 47 jaar – trad Anna de Savornin Lohman alsnog in het huwelijk. Haar echtgenoot was Hendrikus Theodorus Spoor, tien jaar ouder dan zijzelf, tot dan toe vrijgezel en voormalig ontvanger der registratie en domeinen. Was hij de man naar wie zij altijd had verlangd en koesterde zij voor hem de grote liefde die zij als noodzakelijke voorwaarde voor het huwelijk zag? Men blijft daarover in het ongewisse, maar in De Hollandsche Lelie schreef ze in ieder geval blij te zijn haar ‘vrijheid en zelfstandigheid’ kwijt te zijn, ‘omdat ik mij van heeler harte voortaan toevertrouw aan den man, die ik waardig weet mij in mijn leven tot dien steun te zijn, waaraan m.i. elke waarlijk normale vrouw innerlijk behoefte gevoelt, al is zij uiterlijk nog zoo zelfstandig in haar optreden’.

Lang huwelijksgeluk was het paar niet beschoren. Hendrik Spoor overleed al na vier jaar – in 1919 – en de weduwe nam noodgedwongen weer de pen ter hand. Het resulteerde in 1921 in haar roman Levensraadselen, nu onder de naam Anna Spoor-de Savornin Lohman. Ze schreef ‘noch uit kunstdrang, noch uit zucht opnieuw op den voorgrond te treden’, maar alleen uit financiële noodzaak, zoals ze haar lezers in het voorwoord verzekerde. De revenuen leverden niet voldoende op om in haar levensonderhoud te voorzien, want de laatste jaren van haar leven was zij tevens collectrice voor de staatsloterij. Hoe diep kan een De Savornin Lohman zinken?

Gebrek aan talent

De feministes in haar tijd hadden weinig op met Anna de Savornin Lohman, maar bij veel tijdgenotes heeft haar werk weerklank gevonden. Het bleek uit de gretigheid waarmee haar boeken werden gelezen en uit de waarderende woorden in de correspondentierubriek in De Hollandsche Lelie. Zij was een steun voor hen die hun leven hadden gewijd aan huishouden en moederschap, maar nu ten tijde van de eerste feministische golf te horen kregen dat ze moesten veranderen en een werkkring dienden te aanvaarden. Ze waren er niet tegen en wilden ook graag over nieuwe opvattingen worden geïnformeerd, maar hechtten tegelijk aan oude waarden en gewoontes. In beide behoeftes voorzag de freule ruimschoots. Haar werk overleefde de tijd echter niet en is uitsluitend nog antiquarisch te krijgen. Dat is in dit geval geen schande, want een groot schrijfster was Anna de Savornin Lohman niet. De romans vloeiden haar in hoog tempo uit de pen en haar uitweidingen, kromme zinnen en barok taalgebruik wijzen niet op grote gaven op literair vlak. Bovendien raakt de hedendaagse lezer al snel vermoeid van haar vooroordelen en voorliefdes, haar stormachtige opinies en tegendraadsheid.

In bepaalde opzichten leek Anna de Savornin Lohman op Mina Kruseman (1839-1922), vriendin van Multatuli, wier carrière als schrijfster eveneens in Nederlands- Indië was begonnen. Ook Mina Kruseman was een eigenzinnige persoonlijkheid die het zelden met iemand eens was en er niet tegen opzag mensen tegen de haren in te strijken. Ze schreef net als de freule al vroeg haar memoires, was tegen vrouwenkiesrecht en vóór het pacifisme en had een grote afkeer van burgermansfatsoen. Groot verschil tussen beide dames was dat Mina Kruseman, hoewel jarenlang getrouwd, geen hoge dunk van mannen had, terwijl voor Anna de Savornin Lohman de alles opofferende liefde van de zwakke vrouw voor de sterke man een van de hoofdthema’s in haar leven en werk was.

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel Spiegel Historiael
Jaargang 2005
Nummer 7/8

 

 

 

 

Meer weten