Visies op de akkerwet van Tiberius Gracchus

Het is de tweede eeuw voor Christus, kleine zelfstandige Romeinse boeren hebben het zwaar. Sociale en politieke spanningen nemen toe door de groei van Rome van stadstaat naar wereldmacht. De kloof tussen arm en rijk wordt groter doordat de rijken steeds meer land in handen krijgen ten koste van de kleinere boeren. Tevens komen er meer slaven en ook daardoor neemt het proletariaat in omvang toe. De politiek raakt intern verdeeld over de juiste oplossing voor de achteruitgang van de kleine boeren stand. Een verkleining van deze groep heeft mogelijk rekruteringproblemen voor het leger tot gevolg. De spanningen lopen zelfs zo hoog op dat twee leden van de Senaat, de gebroeders Gracchus, worden vermoord.

Pascal Meester

 

Bij een studie naar de gebroeders Gracchus en de motieven voor hun politiek handelen krijg je al snel met tegenstrijdigheden te maken. De meeste historici zijn het er wel over eens dat er daadwerkelijk sprake was van een crisis in de tweede eeuw. Maar over de omvang van bepaalde elementen ervan is veel discussie. Hadden de kleine boeren werkelijk zo te lijden onder het grootgrondbezit, dat zij in omvang afnamen? Werd hun plaats grotendeels ingenomen door de geïmporteerde slaven, die sterk in aantal toenamen, of was er nog altijd ruimte voor pachtboeren? Was er sprake van een slaveneconomie? Onderzoek naar deze aspecten kan leiden tot een dieper inzicht in de motieven van de verschillende politieke spelers, die zich met de crisis bemoeid hebben, met in het bijzonder die van de Gracchi.

 

De Bronnen

Hebben de gebroeders Gracchus de kleine boeren stand willen helpen, of hadden zij meer egoïstische motieven? Zoals het dat wel vaker, zo niet altijd, het geval is bij de oude geschiedenis is het lastig om een één duidend antwoord te geven. Aan de ene kant heeft men de literaire bronnen, waarvan Appianus, Plutarchus en Livius de belangrijkste zijn. Met aan de andere kant de archeologische opgravingen. U raadt het waarschijnlijk al, deze lijken elkaar fundamenteel tegen te spreken. Althans de archeologische bewijsvoering lijkt niet te correleren met de interpretatie van de voornaamste teksten. Zo wordt er in de traditionele visie van uit gegaan dat de populatie sterk afneemt na de Punische oorlogen, waarbij deze voor tachtig procent op het land gevestigd was. De archeologie laat echter zien dat het land lang niet zo ruim bezet was en dat er juist sprake was van een toename na de Punische oorlogen!

Centraal in het debat staan de zogenaamde censuslijsten. Deze lijsten werden op regelmatige basis opgesteld en zijn voornamelijk aan ons overgeleverd via Livius. De censor organiseerde elke vijf jaar een ‘reinigingsfeest’ (lustrum), waarbij ook een telling van de Romeinse burgers (cives Romani) werd gehouden. Deze burgers zouden hierbij ingedeeld zijn in hun tribus en centuria op basis van vermogen. Dit was van belang voor diverse volksvergaderingen, waarover de Romeinen beschikten. De censuslijsten zijn door diverse auteurs opgemaakt, onder andere door P. A. Brunt in zijn boek Italian Manpower 225 B.C. –A. D. 14. Brunt geldt als een van de belangrijkste aanhangers van de traditionele visie. Hij gebruikt de censusgetallen dan ook om aan te tonen dat het aantal burgers tijdens de tweede eeuw langzaam daalt, maar dat zij na de akkerwet van Tiberius Gracchus plotseling snel toenemen. De stijging wordt aan de ingreep van Tiberius toegeschreven, die met zijn akkerwet opnieuw een beperking stelde op de hoeveelheid te bezitten staatsland (500 iugara =ca. 125 hectare).

Het probleem is echter dat niet iedereen het eens is over de betrouwbaarheid van deze lijsten. Het is niet geheel duidelijk wat er nou precies geteld werd. Ging het bijvoorbeeld om alle burgers of alleen die burgers van minimaal de vijfde klasse uit de comitia centuriata, die in aanraking kwamen voor het leger, of zoals Livius het uitdrukte: ‘zij die de wapens kunnen dragen.’ Als het laatste het geval is, dan is het inderdaad logisch om de stijging aan het succes van Tiberius Gracchus toe te schrijven. De proletariërs kregen land waardoor zij weer aan de censuskwalificatie van de vijfde vermogensklasse konden voldoen. Als de cijfers iets anders voorstellen, dan zeggen zij niets over de demografische ontwikkeling van de Romeinse populatie tijdens de tweede eeuw.

 

Twee visies

De auteurs die zich met de Gracchen bezig hebben gehouden zijn grofweg in twee stromingen te verdelen, de traditionele stroming (Brunt – Hopkins scenario) en de revisionisten. De eersten gaan uit van de bovengenoemde kenmerken van de tweede eeuw. De revisionisten stellen echter dat helemaal geen sprake was van een socio-economische crisis en dat de landverdeling een politiek machtsmiddel was. Zij stellen dat de literaire bronnen ideologisch gekleurd zijn, en beroepen zich daarom vooral op niet gekleurde bronnen, de archeologie. Over de gekleurdheid van de bronnen valt wel iets te zeggen. Ten eerste stammen de belangrijkste aan ons overgeleverde literaire bronnen uit een later tijdstip dan de tweede eeuw. Ten tweede moet men rekening houden met de motieven van Plutarchus en Appianus. Plutarchus heeft vooral de levens van personen beschreven waarbij hij op zoek ging naar moral virtues. Dit zou kunnen betekenen dat hij Tiberius Gracchus als een groter man heeft willen doen voorkomen, dan hij werkelijk was. Appianus zet de Gracchen in de introductie van zijn boek over de burgeroorlogen. Hij werkt als het ware naar deze oorlogen toe, en het kan daarom zijn, dat hij een verhaal over de Gracchen heeft gebruikt dat het beste binnen deze visie past en dus mogelijk niet volledig juist is.

Er zijn vele aspecten aan de twee visies, zoals bijvoorbeeld de werking van de villa-economie. Maar grofweg kun je stellen dat de traditionele stroming zich min of meer achter Appianus en Plutarchus schaart, en dat Tiberius zijn hervormingen zou hebben gedaan in het belang van het volk. Volgens de genoemde klassieke auteurs, was het een man die de verloedering van de boerenstand niet langer aan kon zien en daarom heeft ingegrepen. De revisionisten zeggen dus dat hij het uit eigen politieke motieven zou hebben gedaan, en wat hierbij interessant is, is dat Tiberius zijn wet eerst zonder advies van de senaat heeft ingediend. Als hij werkelijk iets goeds wilde doen voor de Romeinse burgerij dan zou hij brede steun moeten hebben gehad, ook onder de hogere klassen van de Romeinse samenleving. Maar de elite kan op zijn beurt weer op zijn gekomen voor haar eigen belang, vele senatoren beschikten immers over grote stukken land. Zo zijn er vele pro en contra argumenten, die het onderwerp zo interessant maken.

 

De eeuw van de Gracchen

In mijn ervaring met de studie geschiedenis, zijn de leukste vakken, de vakken die een actieve inbreng aan het actuele historisch debat vragen. Vakken waarbij de student zich als het ware op de frontline begeeft. De docent is bezig met een onderzoek, en poogt daarbij de actieve inbreng van zijn/haar studenten te gebruiken. Ik heb dat met een aantal vakken gehad, maar het vak ‘de eeuw van de Gracchen’ vond ik toch wel het meest interessant. De traditionele visie op de crisis in de tweede eeuw raakt steeds verder teruggedrongen door de argumenten van de revisionisten. Maar ook binnen deze laatste groep heerst er onenigheid. Over wat de censusgetallen precies voorstellen is men het nog altijd niet eens. Wel is duidelijk dat het literaire bewijsmateriaal vanuit de traditionele visie niet valt te rijmen met de vondsten in de archeologie, daar valt ten slotte geen teleurgang van het aantal bewoners op het platte land waar te nemen. Misschien kan Dhr. Pelgrom de discussie doorbreken. Wordt vervolgd.

 

 

 

 

 

 

 

Meer weten

Tijdschriften: