Advertentie van Bayer voor aspirine en heroïne.

De Gouden Eeuw der Zelfmedicatie

In de decennia rond 1900 zocht men graag zelf naar zalfjes en medicijnen om allerlei kwaaltjes op te lossen. Deze periode wordt ook wel de ‘Gouden Eeuw der zelfmedicatie’ genoemd. Tussen 1880 en 1920 stonden de Nederlandse kranten en tijdschriften vol advertenties voor zalfjes, drankjes en pillen. Maar hielpen deze aangeprezen geneesmiddelen wel? En sterker nog, waren ze eigenlijk wel gezond?

Weinig verschil tussen drugs en medicijnen

In de negentiende eeuw was men nog niet op de hoogte van de negatieve effecten van middelengebruik. Opium was bijvoorbeeld een populair middel. Omdat opium de stofwisseling vertraagt en honger stillend werkt was het voornamelijk onder de armoedige lagere klassen een veelgebruikt product. Maar ook in de hogere klassen was het in trek. Zo werden kinderen ermee kalm gehouden en artsen schreven het vaak voor tegen slapeloosheid.

Het middelengebruik nam ook toe dankzij de voortschrijdende techniek, bijvoorbeeld omdat het steeds beter lukte om uit een plant of andere grondstof, een specifieke werkzame stof te isoleren. Het duurde dan ook niet lang voordat cocaïne uit cocabladeren werd onttrokken. In Nederland kon je voor twee gulden een aantal coca-pillen krijgen. En al die mensen die dat deden, volgden belangrijke voorbeelden. Naar verluid dronken koningin Victoria en de paus graag wijn met coca. Ook Sigmund Freud was een fervent cocaïnegebruiker en in zijn artikel ‘Über Coca’ prees hij de therapeutische effecten er zelfs van aan. Het is nu lastig voor te stellen, maar ook het oorspronkelijke recept van Coca Cola bevatte cocaïne, waarnaar het drankje zelfs vernoemd is.

Verder werd uit opium morfine onttrokken en een chemische bewerking van morfine leidde weer tot heroïne. Heroïne werd gezien als geneesmiddel. Het werd gebruikt om een morfineverslaving tegen te gaan, met als gevolg een heroïneverslaving. In 1857 was de injectienaald bedacht, waarmee morfine, cocaïne en heroïne makkelijk konden worden toegediend.

Tegenwoordig zijn heroïne, cocaïne en opium verboden drugs, maar in de negentiende eeuw waren ze volstrekt legaal en veelgebruikt. Met de ‘geneesmiddelen’ werden verschillende kwaaltjes bestreden. In die tijd werd er namelijk minder onderscheid gemaakt tussen zulke drugs en daadwerkelijke medicatie. De middelen waren zonder doktersvoorschrift bij de apotheker verkrijgbaar en daardoor kon men zichzelf behandelen.

Geneesmiddelenreclames

Een van de factoren die de gouden eeuw der zelfmedicatie in de hand speelden was het veelvuldig gebruik van geneesmiddelenreclames. Al in de achttiende eeuw werd er voor geneesmiddelen geadverteerd. Tegenwoordig mag er voor medicijnen op recept niet worden geadverteerd bij het grote publiek, maar in de achttiende eeuw was daar geen bezwaar tegen. Maar ze gaven de ingrediënten van hun ‘geheimmiddelen’ niet prijs. Vanaf de negentiende eeuw werden er steeds meer marketingtrucs toegepast om het publiek te overtuigen van de wonderbaarlijke werking van hun producten. Aan het einde van deze eeuw werd het publiek overspoeld door reclames en advertenties voor geneesmiddelen tegen allerlei ziektes en kwaaltjes. Dit werkte op grote schaal zelfmedicatie in de hand.


Het beste van IsGeschiedenis in je inbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief! Helemaal niks missen? Volg ons op Facebook!


Pink Pillen

Sommige producenten zagen ook in psychische aandoeningen een verdienmodel. Zo bracht de Canadese George Fulford de Pink Pillen van dr. Williams op de markt, die de klachten van bijvoorbeeld neurasthenie (zenuwzwakte) volledig zouden verhelpen. Er werd voor Pink Pillen enorm veel geadverteerd in de Nederlandse kranten. De advertenties oogsten geloofwaardigheid door hun journalistieke karakter. Zo waren er interviews met ervaringsdeskundigen die door het slikken van Pink Pillen beweerden compleet genezen te zijn van neurasthenie.

De advertenties van Pink Pillen speelden in op de behoefte aan lotgenotencontact. Iemand die moeite had om zich staande te houden in het dagelijks leven, kon zich zo identificeren met de mensen uit de reclames. Zo zagen ze dat er nog vele anderen waren die zich ook lusteloos, uitgeput, zenuwachtig of gejaagd voelden. Het schiep herkenbaarheid bij de mensen die hier ook last van hadden. Maar niet alleen degenen die daadwerkelijk last hadden van neurasthenie maakten de pillen zich eigen. Doordat de advertenties het publiek informeerden over de symptomen en oorzaken van neurasthenie, gingen veel mensen zichzelf met deze term diagnosticeren. Omdat de advertenties de verantwoordelijkheid voor het eigen welzijn bij de patiënt zelf legden, werd bij patiënten de drang om zelf achter medicatie aan te gaan sterker, waardoor de trend van zelfmedicatie groeide. De Pink Pillen vonden gretig aftrek, het werd zelfs chique om Pink Pillen te gebruiken. Zo werden de pillen een commercieel succes en een aandoening als neurasthenie een lucratieve business. Of de pillen ook werkten valt te betwijfelen, ze bestonden uit niets meer dan suiker, droppoeder, ijzer, kalium, magnesium en zink.

Zorgen

Maar artsen en apothekers maakten zich zorgen over de onbekende ingrediënten van alle geneesmiddelen die aan de lopende band op de markt kwamen. Doordat er geen controle was konden de geneesmiddelen gevaarlijk zijn voor de consument. Ze begonnen zich uit te spreken om de mensen te waarschuwen.

Opiumwet

Tegelijkertijd groeide de kennis over de bijwerkingen van middelen als opium, cocaïne en heroïne. Zo kwam men erachter dat de middelen zeer verslavend zijn. In Den Haag werden er Internationale Opiumconferenties gehouden om de handel, die inmiddels enorm was, te verbieden. De afspraken werden vastgelegd in het Opiumverdrag. Op basis daarvan werd in Nederland de eerste Opiumwet in 1919 ingevoerd, die het telen, maken, hebben en vervoeren van opium en andere verdovende middelen verbood. Wel mochten de middelen door medici en apothekers voor medische doeleinden worden gebruikt.

Farmaceutische industrie

De gouden eeuw der zelfmedicatie was na 1920 voorbij haar hoogtepunt, maar het aanprijzen van allerlei middeltjes ging onverminderd door. Begin twintigste eeuw waren de chemisch-farmaceutische bedrijven opgekomen. Zij hadden een nieuwe strategie: ethische marketing. Dit houdt in dat hun advertenties in tegenstelling tot de gebruikelijke geheimmiddelen juist wel openheid gaven over de inhoud van hun producten en dat de werking ervan werd aangetoond. Ook richtten deze bedrijven zich meer op de arts en apotheker dan op het grote publiek. Het reclameoffensief van de farmaceutische industrie maakte het echter zo lastig voor apothekers om orde te scheppen in alle aangeprezen producten dat in 1950 een centraal georganiseerd geneesmiddeleninformatiesysteem werd ingesteld. Tegenwoordig mag er voor het grote publiek alleen nog reclame worden gemaakt voor niet-recept geneesmiddelen.

Bronnen

Ook interessant: 

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief. Het is gratis!

Ontdek Geschiedenis Magazine!

Ga mee op ontdekkingstocht naar archeologische vindplaatsen in binnen- en buitenland!

Lees Ons Amsterdam

Iedere maand meeslepende en prachtig geïllusteerde verhalen over de de geschiedenis van Amsterdam.