Donatio Constantini

Hoe een vervalst document de paus absolute macht gaf

In de middeleeuwen beschikte de paus over een ongekende religieuze én politieke macht. Juist toen die positie onder druk kwam te staan, dook er een eeuwenoud document op: de Donatio Constantini, oftewel de Schenking van Constantijn. In dit document stond dat keizer Constantijn de macht over het westen van het Romeinse Rijk aan de paus had overgedragen toen hij zijn hoofdstad naar Constantinopel verplaatste. De tekst versterkte de aanspraken van de paus op wereldlijke macht, maar er bleek al snel iets niet helemaal te kloppen. 

De eerste christelijke keizer 

Om het belang van de Donatio Constantini te begrijpen, is vooral de positie van keizer Constantijn de Grote van belang. Volgens de christelijke traditie kreeg Constantijn in 312, aan de vooravond van een belangrijke veldslag, een goddelijk visioen. Hij zou daarbij een teken van Christus hebben gezien. Na zijn overwinning bij de Slag bij de Milvische Brug koos Constantijn openlijk voor de bescherming van het christendom, iets wat enkele jaren eerder nog nauwelijks denkbaar was. 

Een jaar later, in 313, vaardigden Constantijn en zijn medekeizer Licinius het Edict van Milaan uit. Daarmee kregen christenen en andere religieuze groepen in het Romeinse Rijk meer vrijheid om hun geloof te praktiseren. Constantijn liet zich pas op zijn sterfbed, in 337, dopen. Daarmee geldt hij doorgaans als de eerste Romeinse keizer die zich openlijk tot het christendom bekeerde. 

Constantijn groeide daardoor uit tot een van de belangrijkste historische figuren uit het christendom. Zijn steun aan de christelijke kerk droeg sterk bij aan de groei en verspreiding ervan binnen het Romeinse Rijk. Constantijn werd steeds populairder bij de christelijke bevolking door zijn inzet als beschermer van het geloof en een bijzondere legende rondom zijn doop. 

De legende van de Donatio Constantini 

In de vijfde eeuw ontstond de desbetreffende legende die zich snel verspreidde in christelijke kringen. Volgens dit verhaal was Constantijn niet pas op zijn sterfbed gedoopt, maar al veel eerder in zijn leven. 

Volgens de legende van Sint-Silvester leed Constantijn aan lepra. In een droom zouden de apostelen Paulus en Petrus aan hem zijn verschenen en hem opgedragen hebben om paus Silvester op te zoeken. Constantijn volgde zijn advies en op miraculeuze wijze wist de paus hem van zijn lepra te genezen. Vervolgens liet Constantijn, overtuigd van het christelijke geloof, zichzelf direct dopen door Silvester. 

Uit dankbaarheid zou Constantijn daarna Rome en zijn wereldlijke macht aan de kerk hebben overgedragen. Dat verhaal vormde eeuwen later de basis voor een veel verdergaande claim. 

In de achtste eeuw verscheen namelijk een document onder de naam Donatio Constantini. Daarmee was er niet alleen schriftelijk bewijs voor de legende, deze werd ook nog eens flink uitgebreid. Constantijn zou, ter voorbereiding op zijn verhuizing naar Constantinopel, zijn macht over Rome en grote delen van het westen van het Romeinse Rijk aan de kerk hebben geschonken. 

De tekst kende de paus bovendien een uitzonderlijk hoge positie toe binnen de christelijke wereld. Zo werd de paus boven andere kerkelijke leiders geplaatst en kreeg hij volgens het document vergaande wereldlijke bevoegdheden. Ook zou de paus het recht hebben om wereldlijke heersers in hun positie te bevestigen of juist af te zetten. Daarmee bood de Donatio Constantini de paus een krachtig argument om zijn politieke invloed te rechtvaardigen. 


Het beste van IsGeschiedenis in je inbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief! Helemaal niks missen? Volg ons op Facebook!


Hoe werd dit document gebruikt? 

Opvallend genoeg duurde het enige tijd voordat de Donatio Constantini daadwerkelijk een belangrijke rol ging spelen. Een van de bekendste vroege toepassingen vond plaats in 1054, toen paus Leo IX het document gebruikte in zijn correspondentie met de Byzantijnse patriarch Michael I Cerularius. De briefwisseling speelde een rol in het conflict tussen de Westerse en Oosterse Kerk dat uiteindelijk uitmondde in het Grote Schisma van 1054. 

Ook tijdens de investituurstrijd konden de aanspraken uit de Donatio goed van pas komen. In het conflict tussen pausen en keizers van het Heilige Roomse Rijk draaide het onder meer om de vraag wie het recht had om bisschoppen te benoemen. Een document waarin een figuur als Constantijn de kerk deze verregaande bevoegdheden zou hebben toegekend, maakte hun argument een stuk sterker.  

Zelfs al voor het gebruik waren er al twijfels over de authenticiteit van het document. Rond het jaar 1000 behoorden de Duitse koning en latere keizer Otto III tot degenen die vraagtekens bij de Donatio plaatsten. Dat betekende echter niet dat de vervalsing daarmee al was ontmaskerd. Daarvoor was veel grondiger onderzoek nodig. 

Kritisch historisch onderzoek 

In de eeuwen daarna nam de kritiek op de Donatio Constantini langzaam toe. De bekende Italiaanse dichter Dante Alighieri besprak het document in zijn werk De Monarchia. Hij richtte zich daarbij vooral op de vraag of Constantijn überhaupt het recht had gehad om het Romeinse Rijk aan de kerk over te dragen. Ook de theoloog en filosoof Nicolaas van Cusa stelde in de vijftiende eeuw de echtheid van het document ter discussie. 

De beslissende stap werd gezet door de Italiaanse priester en humanist Lorenzo Valla. Rond 1439-1440 onderwierp hij de Donatio Constantini aan een nauwkeurige taalkundige en historische analyse. Zijn conclusie was vernietigend: het document kon onmogelijk uit de tijd van Constantijn stammen en moest een latere vervalsing zijn. 

Valla's sterkste argument was de taal. Het Latijn van de Donatio paste niet bij het Latijn dat in de vierde eeuw werd gebruikt. De tekst bevatte woorden en grammaticale constructies die pas eeuwen later gangbaar werden. Voor een document dat zogenaamd door Constantijn was opgesteld, waren zulke taalverschillen moeilijk te verklaren. 

Ook inhoudelijk bevatte de tekst opvallende tegenstrijdigheden. Zo wordt Constantinopel in de Donatio voorgesteld als de stad waar Constantijn zijn nieuwe machtscentrum zou vestigen. Het probleem is dat de stad op het moment waarop het document zich afspeelt nog niet bestond in de vorm waarin de tekst haar beschrijft. Constantijn begon pas in 324 met de grootschalige ontwikkeling van Byzantium tot zijn nieuwe hoofdstad; de stad werd in 330 officieel als Constantinopel ingewijd. Bovendien bevat de Donatio verwijzingen naar instellingen en kerken die niet bij de vierde eeuw passen. 

Daar kwam nog een ander probleem bij. Als Constantijn daadwerkelijk zijn wereldlijke macht over het westen aan de paus had overgedragen, zou zo'n ingrijpende gebeurtenis vrijwel zeker sporen in andere historische bronnen hebben nagelaten. Die ontbreken. Ook de machtspositie van Constantijns opvolgers laat zien dat de keizerlijke wereldlijke macht gewoon bleef bestaan. 

Voor Valla vormden al deze aanwijzingen samen een overtuigend bewijs. De Donatio Constantini was geen document uit de tijd van Constantijn, maar een middeleeuwse vervalsing die eeuwenlang als authentiek was gepresenteerd. De theorie is daardoor ontstaan dat het document rond 750 opgesteld werd door paus Stefanus II voor onderhandelingen met Pepijn de Korte, koning van de Franken. 

Toch verdween het document daarmee niet onmiddellijk uit de geschiedenis. De kerk bleef de Donatio nog lange tijd behandelen als een belangrijk document, terwijl geleerden steeds verder onderbouwden dat het om een vervalsing ging. Aan het einde van de zestiende eeuw erkende kardinaal Cesare Baronius de tekst in zijn Annales Ecclesiastici als bedrog. 

Het zou uiteindelijk tot de negentiende eeuw duren voordat de katholieke kerk het document officieel erkende als vervalsing. 

Bronnen:

Afbeelding:

Ook interessant: 

Personen: 

Religie: 

Tijdperken: 

Onderwerpen: 

Ga mee op ontdekkingstocht naar archeologische vindplaatsen in binnen- en buitenland!

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief.