Sailing Letters

De correspondentie van en met Nederlandse zeevarenden in de 17de en 18de eeuw

Brieven uit zee. In Londen bevindt zich een collectie van vele honderden in het Nederlands geschreven brieven uit de 17de en 18de eeuw. Tijdens de vier oorlogen tussen Engeland en de Republiek hebben Engelsen Hollandse schepen in beslag genomen en de daar aangetroffen brieven sindsdien keurig bewaard. Voor een onderzoeker zijn ze een goudmijn. De brieven geven een authentiek beeld van het leven van matrozen en hun families uit die tijd. ‘Het is zulke lieve hartje, het is al in de kleertjes en ik wenste wel om een lief ding dat gij uw zoon eens zien mocht’, schreef een vrouw in 1672 aan haar man op zee.

Rudolf Dekker

Een van de grootste problemen van historici die zich met de sociaal-culturele geschiedenis van pre-industrieel Europa bezighouden, is dat van de zwijgende meerderheid, dat wil zeggen de mensen die niet konden schrijven. De stemmen die we uit het verleden horen, zijn bijna uitsluitend die van de ontwikkelde elite. Soms komen vertegenwoordigers van de culturele bovenlaag zelfs heel direct aan het woord in egodocumenten, zoals in een dagboek, een autobiografie of brieven. De stem van ongeletterden is niet meer te horen, of hoogstens een enkele keer in buitengewone omstandigheden, zoals rechterlijke verhoren. Over de nieten halfgeletterden worden we hoogstens indirect geïnformeerd door bemiddeling van de minderheid die wel kon schrijven in dit geval rechters en hun klerken. In dit artikel zullen enkele mensen uit de 17de en 18de eeuw die de schrijfkunst niet of nauwelijks meester waren, toch zelf rechtstreeks aan het woord komen. Dat kan dankzij de grote verzameling gedicteerde of moeizaam zelf geschreven brieven van eenvoudige Nederlandse mannen en vrouwen die bewaard zijn gebleven. Het zijn brieven die tijdens de vier oorlogen tussen Engeland en de Republiek (1652- 1654, 1665-1667, 1672-1674, 1780-1784) in beslag zijn genomen door de Engelsen en nu berusten in het Public Record Office in Londen. Ze zijn geschreven door matrozen aan hun familie op de wal, of door hun vrouwen en andere familieleden. In beide gevallen hebben ze de geadresseerde nooit bereikt en daardoor kunnen we nu, bijna vier eeuwen later, op een heel bijzondere manier, van binnenuit, kennisnemen van het particuliere leven van deze mannen en vrouwen via deze kleine egodocumenten, die bij de lezer thans een bijzondere historische sensatie teweegbrengen.

‘Niet wel ter pen’

De kans op een schriftelijke nalatenschap van gewone mensen uit de 17de eeuw is in Nederland misschien groter dan elders in Europa, waar het percentage ongeletterden rond de negentig lag. In de Republiek der Verenigde Nederlanden bezat in 1630 meer dan de helft van de mannelijke en eenderde van de vrouwelijke bevolking enige lees- en schrijfvaardigheid. Toch hadden ook volstrekt ongeletterden toegang tot het medium schrift, namelijk via de zogeheten ‘mediated literacy’. Zij wendden zich tot mensen die wel konden schrijven en die hen wilden helpen, voor niets, voor een fooi of, als het om beroepsschrijvers ging, voor een vast tarief. In de Europese steden waren zulke klerken te vinden en hun ‘kantoor’ was de straat of een kroeg. Incidenteel zijn in Nederland gegevens te vinden die erop wijzen dat het laten schrijven van een brief heel gewoon was. In Amsterdam waren beroepsschrijvers te vinden, zoals de in 1742 gearresteerde Pieter Ribbens. Hij was ‘bladschrijver’, had een uithangbord aan zijn huis en een bordje bij de Beurs. Hij werd ervan beschuldigd samen te wonen met een hoerenwaardin. Het bewijsmateriaal is een boekje waarin hij de verdiensten van alle hoeren had opgetekend, wat hij, naar eigen zeggen, deed als vriendendienst, omdat ‘de vrouw niet wel ter pen is’. Bij een andere gelegenheid zei een in een bordeel gearresteerde vrouw dat ze daar alleen was omdat ze gevraagd was een brief te schrijven. Er bestaat, kortom, onderscheid tussen ‘literacy’ en ‘skills of communication’, wie niet over het eerste beschikte, kon wel degelijk over het tweede beschikken. Geletterden hielpen anderen om iets op schrift te krijgen, maar omgekeerd moesten zij ook schriftelijke informatie overbrengen aan ongeletterden. De Nederlandse 17de-eeuwse theoloog Gisbertus Voetius vond dat iemand die het lezen niet machtig was, zich door een van zijn buren uit de bijbel moest laten voorlezen. Iets laten voorlezen door beroepsgeletterden zal trouwens goedkoper zijn geweest dan ze te laten schrijven. Het ging sneller, kostte geen inkt en papier en het lezen was bovendien een kunst die veel wijder verspreid was dan die van het schrijven. Verreweg het grootste deel van de schriftelijke nalatenschap van half- en ongeletterden moet hebben bestaan uit kleine briefjes met vooral praktische informatie, zoals levenstekens van reizenden of bestellingen door kleine handelaren. Dergelijke brieven zijn slechts bij uitzondering overgeleverd. Middeleeuws en vroeg-modern Europa maakte een overgang van een orale cultuur naar een schriftelijke cultuur mee, met grote consequenties. Orale culturen hebben, zoals Walter Ong het noemde, ‘structureel geheugenverlies’, het verleden wordt snel vergeten, of beter gezegd, het verleden wordt herinnerd alsof het het heden is. In een schriftelijke cultuur is de scheiding tussen heden en verleden veel scherper. Volgens David Olsen verschilt de ‘literate mind’ fundamenteel van die van ongeletterden. Het schrift heeft het denken van de mens veranderd, onder meer doordat kennis anders georganiseerd kan worden en doordat meer abstract en kritisch denken mogelijk wordt. In de laatste jaren is de veronderstelde grote kloof tussen de orale en de geletterde wereld echter ter discussie gesteld of op zijn minst genuanceerd, waarbij wordt uitgegaan van verschillende vormen van geletterdheid die naast elkaar kunnen bestaan, bijvoorbeeld binnen het domein van de godsdienst en dat van de handel. Gezien het belang dat hoe dan ook aan de grote overgang wordt gehecht, is het echter opmerkelijk hoe weinig aandachtig het breukvlak tussen beide culturen tot op heden bestudeerd is.

Ongesorteerd

Volgens de Engelse wet mochten alle papieren die waren aangetroffen op de Hollandse buitgemaakte schepen, geconfisqueerd worden. Uiteraard was men vooral op zoek naar informatie die van strategisch belang kon zijn. De meeste papieren waren dat niet, maar deze werden toch bewaard en belandden in pakketten op de zolders van het High Court of Admiralty. Hier bleven ze eeuwenlang liggen, gebundeld per schip. Ongesorteerd liggen deze bundels nu ter inzage voor historici. Wie ze aanvraagt en opent, wordt overspoeld door een golf van commissies, aanbevelingsbrieven, cognossementen, ladingboekjes, kwitanties, zeebrieven, vrijgeleides en handelsbrieven. Af en toe rolt er een almanak uit de in elkaar gerolde papieren, of een liedboek, waarmee de matrozen zich amuseerden, of een wastabletje waarop de bootsman notities maakte, met de stift eraan bungelend aan een leren veter. Soms zitten de brieven nog in de leren brieventasjes waarin ze getransporteerd werden, of in blikken brievenbusjes. De meeste papieren, vele honderden, zijn brieven van gewone zeelieden naar huis of van familieleden aan hen. De Engelsen hebben de opgebrachte schepen kennelijk grondig doorzocht en de matrozen vermoedelijk zelfs gefouilleerd. Zowel vorm als inhoud van de brieven verdient aandacht. Zo is er een groot aantal brieven dat geschreven is eind 1664 door opvarenden van de oorlogsvloot van Michiel de Ruyter, die toen in de Middellandse Zee kruiste. Veel daarvan zijn van dezelfde hand, vermoedelijk een matroos of zeeman met hogere rang die kon schrijven. Ze zijn kort en bevatten veel standaardfrasen, zoals ‘ik laat ulieve weten als dat ik nog kloek en gezond ben, ende verhope [hoop] dat het ulieve ook alzo is; waar ‘t anders het zou mij van harte leed zijn om te horen’. Ze eindigen vaak met de melding ‘Verder weet ik niet te schrijven.’ Veel matrozen schrijven dat ze over een paar weken weer thuis zullen zijn. Maar niet alleen zouden hun brieven nooit aankomen, omdat het schip dat de brieven vervoerde door de Engelsen werd aangehouden, maar zonder dat ze het wisten had admiraal De Ruyter al enkele weken eerder een geheime opdracht gekregen die heel anders luidde: de vloot zette koers naar Amerika om daar de Nederlandse belangen veilig te stellen. Het bevel van de Staten-Generaal was overgebracht door speciale snelkoeriers. Bij uitzondering was dit in het geheim geschied. Er gingen wel vaker koeriers naar de vloot, maar dan werden als regel de vrouwen van de vlootcommandanten op de hoogte gebracht. Dat was een bekend gegeven en de familie van de opvarenden kon dan via hen brieven meegeven aan opvarenden. Nu kwamen de echtgenotes van de matrozen het nieuws pas veel later te weten, zo blijkt uit brieven die in dezelfde tijd aan boord van uitgaande schepen werden aangetroffen. Hun reacties zijn eveneens te vinden in een pakket in het Public Record Office, want ook het schip waarop deze vervoerd werden, hebben de Engelsen opgebracht. Deze brieven, meestal van echtgenoten of moeders, zijn wat inhoud betreft veel gevarieerder. Uit een brief blijkt dat de contacten inderdaad veelal liepen via de vrouwen van de scheepsofficieren. De man van Orseltie Pieters had haar gevraagd ‘goed’ te sturen, maar dat kon niet antwoordde ze, want De Ruyters vrouw is niet thuis, die is in Zeeland, zo ik niet weet heen te krijgen’. Uit een andere brief wordt duidelijk dat – misschien vanwege de oorlog, misschien ook onder gewone omstandigheden – veel brieven de geadresseerde niet bereiken. Een vrouw schrijft haar man: ‘Ik heb mijn beminde al 6 brieven geschreven en dat ze niet besteld worden dat en is mijn schuld niet.’ Een andere brief toont de beperkingen wanneer ongeletterden elkaar schrijven: ze zijn zich bewust van de schrijver die bemiddelt, mogelijk ook van het feit dat de geadresseerde ook analfabeet is en de brief moet laten voorlezen, misschien zelfs in publiek. Ze zijn daarom terughoudend. Wanneer Aeryaentgen Dirckx haar man laat weten dat ze wilde dat hij al thuis was ‘om reden wil dat ik u niet mag schrijven, maar kost gij zelf lezen, ik meen ik zou u wel meer schrijven, gij kunt evenwel verstaan wat ik meen; ik wenste wel dat ik ook schrijven kon, ik zou u mijn hart wel openbaren, doch ‘t kan anders niet wezen’. IJemteen Leender uit Amsterdam probeerde zelf te schrijven, wat resulteerde in een meer persoonlijke brief, waarin ze haar man vraagt een brief te schrijven en haar twijfels uit of hij nog veel om haar geeft: ‘...en schrijft mij toch een brief met den ersten [zo snel mogelijk], het doet mij zo’n pijn dat de liefde zoveel niet vermag, daar ik het u zo hard beloofd heb, doch gij weg ging, dat gij mij een brief schrijven zou, maar gij denkt uit het oog uit het hart, maar ik heb u al even lief als mijn alderliefste, maar overkomt van de zomer, want ik zozeer naar u, mijn liefste, verlang om bij u te wezen, maar het kan niet baten, de tijd duurt mij zo lang, ik geloof niet dat gij zo naar mij verlangt als ik naar u, ik laat zo menige uur slaap om u, mijn alderliefste, en weest van mij gekust met een vriendelijke kus.’ Dat ook de matrozen soms een meer persoonlijke toon aansloegen, blijkt uit een brief in het handschrift van een beroepsof althans geoefend schrijver, die wel begint met de traditionele aanhef: ‘Looft God in Mallegem [Málaga], den 19 van December 1664’, maar ook tal van grapjes en toespelingen bevat. De opmerking ‘je weet wel welke kleren ik meenam’ verwijst naar de verlate thuisreis in de winter, en als de schrijver zelf misschien eerder thuis is dan zijn brief, ‘dan ben ik zelf de brief’. Jan Nijvaer schrijft zijn moeder dat hij vanwege tegenwind in Oran in Noord- Afrika is beland, en vandaar zeil zette naar Calais. Hij vraagt haar voor hem te bidden aangezien ‘het hier ongezond is van de Turk’. En hij besluit met een zalig nieuwjaar te wensen, ‘hoewel dat het nog niet en is’.

Grote pijn in het rampjaar

De volgende oorlog met Engeland van 1672 tot 1674 resulteerde opnieuw in een aantal pakken. Daartussen zijn weer vele brieven van schepelingen en hun familie aan de wal. Ook deze brieven zitten vol informatie over het brievenschrijven zelf. De vrouw van Jan Jansoon Slooper, aan boord van het schip Sparndam, noteerde – of liet noteren – in de rechterbovenhoek: ‘Dit is onse 9e brief’. De toestand in Holland is slechter dan tijdens de vorige oorlogen; ze schrijft: ‘Ik kan niet één brief schrijven of het is met grote pijn’ en ‘daar zijn al veel goede vrienden in het kort [in korte tijd] begraven’. De Republiek moest zich in deze jaren verdedigen tegen een coalitie waarvan behalve Engeland ook Frankrijk deel uitmaakte. Het jaar 1672 is de geschiedenis ingegaan als het ‘rampjaar’. De brieven weerspiegelen dit op het persoonlijke niveau. Een zwager van de schrijfster, kennelijk ook zeeman, was tijdens een storm verdronken in het Nieuwe Diep. Ook andere vrouwen melden expliciet dat ze al eerder brieven schreven. Annetje Elias schrijft haar man: ‘verder laat ik ulieve weten als dat ik al veel brieven geschreven hebbe ende darin geschreven als dat ik verhuist ben’, waarna haar nieuwe adres volgt. Omgekeerd schreef Charel Belleman aan zijn vrouw te Oostende vanuit Málaga dat hij onderweg in de haven van Calais helaas zijn broer Jan, ook zeeman, was misgelopen, die vandaar acht dagen eerder was vertrokken. De schrijvers maken meestal deel uit van bredere familie- en vriendennetwerken van zeevarenden. De thuisblijvers melden in hun brieven dikwijls de trajecten van andere zeelieden in familie en omgeving. Lijntje Pieters bericht haar man op Korfu dat de broer van zijn zwager op een schip door de Engelsen is opgepakt en in Engeland is gestorven. Ze klaagt verder dat ze door de oorlog verstoken blijft van brieven: ‘Ik hoop dat ik u lieve brieven wel krijg, maar ik en kan geen brieven krijgen, daardoor dat die schepen van de Engelsen genomen worden.’ Ze eindigt met ‘Ik verlang zo naar een brief, ik kan het niet… hoe ‘t al met u lieve gaat en hoe ulieve de reis aanstaat’. Veel thuisblijvers dringen er bij hun verwanten op aan regelmatig een teken van leven te geven, zoals in de brief van Hendrik Franssen uit Middelburg aan zijn zoon. Zelf weet hij overigens niet veel te schrijven, want zijn zoon is nog maar net vertrokken, en hij beperkt zich tot goede raadgevingen, zoals ‘houd u van kwaad gezelschap af’. Zijn vrouw schrijft aan Jochem Hanssen, ‘want ik zozeer naar u mijn liefste man verlange of naar een brief ’.‘Dat weet ons God hoe ik na u mijn liefste man verlange naar een brief...’ schrijft een andere vrouw eigenhandig. Veel brieven zijn geschreven door redelijk geoefende handen. In sommige pakketten zitten brieven in handschriften die meermaals terugkeren en hier gaat het kennelijk om gedicteerde brieven. Maar er zijn ook zelfgeschreven brieven, soms vrij netjes, soms amper leesbaar. Ook halfgeletterden proberen regelmatig iets op papier te krijgen. Willem Jacobs Verlaen schreef in een net handschrift een brief aan zijn broer, daaronder staan enkele regels in handschrift van diens echtgenote, het zijn onbeholpen letters, maar wel zelf geschreven, en dat had duidelijk een emotionele meerwaarde. Wel moeten voor mensen die misschien zelf slechts moeizaam konden lezen, brieven in zulke hanenpoten extra lastige puzzels zijn geweest. Bij de adressen van deze en andere brieven valt op dat die vaak over twee of meer schakels verlopen. Dikwijls zijn ze in eerste instantie gericht aan een van de officieren aan boord, kennelijk een betrouwbaarder bestemming met meer garantie op aflevering dan slechts de naam van een gewone matroos. Een echtgenote meldt haar man: ‘Zo laat ik u lieve weten als dat ik de 24e maart ben in de kraam gekomen van een jonge zoon en heb hem laten dopen Arijan Lambertsz, en het is zulke lieve hartje, het is al in de kleertjes en ik wenste wel om een lief ding dat gij uw zoon eens zien mocht; ik wenste wel dat de tijd al om ware dat gij met lief al thuis was.’ Ze vervolgt somberder: ‘maar wie weet of wij malkander ons leven wel weer zien zullen, want wij zitte hier in de grote benauwdheid van de Fransman, want hij komt hier hard en sterk op ons af met een machtig leger en hij vermoordt al waar hij kom’.

Communicatierevolutie

Het is een gemeenplaats de uitvinding van de boekdrukkunst als een revolutie te beschouwen. Er zijn echter ook historici die liever spreken van een revolutie in de communicatie, waarbij niet het drukwerk, maar de brief centraal staat (zie Wolfgang Behringer, Im Zeichen des Merkur). De these van de communicatierevolutie is al in 1916 geformuleerd door Werner Sombart, maar is in feite de herformulering van een ouder idee. Zoals Gutenberg geldt als de uitvinder van de drukkunst, zo wordt Francisco de Tassis (Franz von Taxis, 1459- 1519) gezien als de uitvinder van het postwezen. In elk geval was hij het die in de late 16de eeuw regelmatige postverbin- dingen opzette die de hoofdsteden van Europa met elkaar verbonden. De consequenties zouden nog belangrijker zijn dan de uitvinding van de boekdrukkunst, omdat drukwerk eenrichtingverkeer is en correspondentie interactief. Er kan een vergelijking getrokken worden met de relatie tussen het nieuwe, maar eenzijdige medium televisie en het nog nieuwere medium internet, dat interactief is. De communicatie-revolutie van de 16de eeuw leidde ertoe dat het besef van tijd en ruimte van Europeanen veranderde. Het maakte contacten buiten de eigen kring veel gemakkelijker, de praktijk van het briefschrijven droeg veel bij tot een zich ontwikkelend individualiteitsbesef, zo wordt vaak verondersteld. De culturele uitwisseling werd door het briefcontact bevorderd, en ook de economie profiteerde van het nieuwe systeem. Ondanks het grote belang is er nog weinig aandacht uitgegaan naar de geschiedenis van het postverkeer, en daarbij alleen naar de officiële postwegen. De inofficiële en soms illegale wegen die het postverkeer nam zijn onontgonnen terrein. En als de praktijk van het brieven schrijven al is onderzocht, dan keek men voornamelijk naar de elite, de schrijvers van literaire brieven en politieke brieven, en naar de invloed van modelboeken op de schrijfpraktijk. Er wordt altijd van uitgegaan dat de verbreiding van de kunst en de gewoonte van briefschrijven een indicatie is van de ontwikkeling van de beschaving van een land of volk. De politieke discussie die in Engeland in de 19de eeuw werd gevoerd over de posttarieven, vloeide voort uit de overtuiging van velen dat het stimuleren van het schrijven van brieven zou leiden tot verheffing van de arbeidende klasse. Zij zou zich hierdoor losmaken uit haar orale cultuur, maar het schrijven van brieven was een luxe die zij zich door de hoge tarieven niet konden veroorloven. Progressieve politici pleitten daarom voor de ‘penny post’. Als argument brachten zij onder meer in dat er onder het gewone volk een enorm potentieel van brievenschrijvers bestond. Misschien wisten zij niet dat inofficiële kanalen al eeuwenlang mogelijk even belangrijk waren voor het overbrengen van brieven, ook die van ongeletterde, arme mensen. Uit de brieven van scheepvarenden aan boord van Nederlandse schepen en hun verwanten en vrienden aan de wal blijkt dat al in het midden van de 17de eeuw een bloeiende schriftelijke communicatie bestond binnen een van de meest eenvoudige sectoren van de samenleving. Corresponderen blijkt een wijd verspreide vaardigheid te zijn. De brieven van deze eenvoudige zeelieden en hun naasten waren soms zeer persoonlijk en, hoewel ook vaste formuleringen gebruikt werden, niet beïnvloed door de etiquette van het schrijven zoals die in de burgerij heerste of het idioom dat geleerden in hun correspondenties gebruikten. Hoe groot de invloed hiervan is geweest op de mentaliteit en cultuur van de lagere groepen in de samenleving, zou verder onderzocht moeten worden. Dankzij de Londense brievencollectie kunnen we een mentale wereld oproepen die anders voorgoed verloren zou zijn gegaan. Naast allerlei inzichten in de schrijfpraktijk binnen deze kring valt op dat er een groot vertrouwen bestond in de werking van het officieuze postverkeer. Dit verkeer was geheel gebaseerd op vertrouwen, op het systeem van dienst en wederdienst. Het grote vertrouwen valt op in een wereld waarover men in tot nu toe gebruikte bronnen, zoals rechterlijke archieven, meer de indruk krijgt van een ruwe omgeving waarin diefstal en fysiek geweld eerder regel dan uitzondering waren. Het belang van vertrouwen binnen groepen is de laatste jaren aangewezen als een belangrijke factor binnen diverse ontwikkelingen in de Europese geschiedenis; de handel kon zich bijvoorbeeld slechts ontwikkelen dankzij onderling vertrouwen (de wisselbief). Wellicht is de ontdekking dat communicatie per brief in alle sociale lagen in West-Europa belangrijk was, een nieuwe factor in de verklaring van het proces van modernisering.

Artikel afkomstig uit:

 

Titel Spiegel Historiael
Jaargang: 2005
Nummer: 3

 

 

Meer weten