De decembermoorden als excuus

De ontwikkelingsrelatie tussen Nederland en Suriname. Tegen de dit jaar verkozen Surinaamse president Desi Bouterse loopt nog altijd een strafzaak vanwege de executie van vijftien tegenstanders op 8 december 1982, de zogeheten decembermoorden. Voor Nederland was dat destijds reden om de ontwikkelingsrelatie met Suriname op te schorten. Althans, zo werd beweerd. De vraag is of de mensenrechtenschendingen de werkelijke reden waren.  

Leon van Damme

Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 zou het land via een Meerjaren Ontwikkelingsplan (MOP) binnen vijftien jaar  economisch zelfstandig moeten zijn. Nederland  zette hiervoor een bedrag van 3,5 miljard gulden  opzij. Afspraken werden vastgelegd in het ‘Verdrag betreffende de Ontwikkelingssamenwerking  tussen Nederland en Suriname’. Desondanks  ontstond al snel tussen beide landen onenigheid  over de vraag hoe de verplichtingen over en weer  dienden te worden geïnterpreteerd.

De situatie werd door de ambassadeur van  Nederland in Paramaribo, H. Leopold, kernachtig verwoord in een brief die hij in februari 1978 aan het ministerie van Buitenlandse Zaken  stuurde. Hierin stelde hij dat van ontwikkelingshulp weinig terecht kwam vanwege  Surinaamse politici en ambtenaren  die lak hadden aan de afspraken en  de 3,5 miljard gulden beschouwden  als ‘een afkoopsom voor het leed en  de eenzijdige economische verrijking  waarmee de koloniale verhouding  gepaard is gegaan’. Volgens Leopold  zag Suriname het verdrag als een  overeenkomst waarbij slechts één  partij verplichtingen had, namelijk  Nederland. De ambassadeur riep  daarom Buitenlandse Zaken op om  de ontwikkelingsrelatie met Suriname ingrijpend te herzien, wilde  het MOP niet worden ‘bijgezet in het  omvangrijke archief van plannen en  adviezen die in Suriname met zorg,  liefde, idealisme en soms met een  mate van demagogie zijn uitge-  bracht, en hetzij nooit zijn gelezen  dan wel nooit worden uitgevoerd, of beide’.

Hoewel deze bezorgde signalen leidden tot ambtelijke adviezen aan de  toenmalige minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan de Koning om te komen tot een  ingrijpende beleidswijziging, bleven maatregelen  in eerste instantie uit. Pogingen van Nederlandse  diplomaten om de Surinaamse counterparts aan  de gemaakte afspraken te houden, stuitten op  grote weerstand en ergernis bij Surinamers die  Nederland neokoloniaal gedrag verweten. Voor  Nederland zat er weinig anders op dan een  geschikt moment af te wachten om aan deze  situatie een eind te maken. Deze leek in eerste  instantie te zijn gevonden toen Desi Bouterse in  februari 1980 via een staatsgreep aan de macht  kwam. Op instigatie van Arie Pais, minister van  Onderwijs en getrouwd met de latere minister  voor Ontwikkelingssamenwerking Eegje Schoo,  besloot de ministerraad te onderzoeken of het  juridisch gezien mogelijk was de ontwikkelingshulp aan Suriname op te schorten. Juridisch  adviseur van Buitenlandse Zaken W. Riphagen  concludeerde echter al snel dat ‘onder de huidige  omstandigheden éénzijdige stopzetting door  Nederland van de ontwikkelingssamenwerkingsovereenkomst met Suriname volkenrechtelijk  niet geoorloofd’ is. Het enige criterium voor  stopzetting van de hulp was volgens Riphagen gelegen in ‘de vraag of de fundamentele mensenrechten op grove wijze voortdurend en stelselmatig worden geschonden’ en dat kon in de ogen van juristen van ‘Suriname bepaald (nog) niet worden gezegd’.

Maar niet voor lang. Op 8 december 1982 liet Bouterse vijftien tegenstanders executeren vanwege een vermeende couppoging. Met steun  van de ministerraad schortte Eegje Schoo, die in 1982 Cees van Dijk was opgevolgd als minister voor Ontwikkelingssamenwerking, met onmiddellijke ingang de hulp aan Suriname op. In een brief aan het Militair Gezag te Suriname  motiveerde de Nederlandse regering dit besluit  door te wijzen op de grove schending van de mensenrechten. Het Militair Gezag reageerde in een brief aan de Nederlandse ambassade  in Paramaribo furieus op deze maatregelen en beschuldigde Den Haag ervan de stopzetting van ontwikkelingshulp te gebruiken als ‘pressiemiddel om de interne situatie naar Nederlandse denkbeelden te voegen’.

Motivatie 

Het Surinaamse verwijt was niet helemaal bezijden de waarheid. De Nederlandse regering motiveerde de stopzetting van de hulp door te  wijzen op de mensenrechtenschendingen, maar  in het besluitvormingsproces speelden deze een  ondergeschikte rol. Uiteraard was de Nederlandse regering oprecht verontwaardigd over wat in  Paramaribo had plaatsgevonden, maar tegelijkertijd waren de executies voor Nederland een  bruikbaar middel om het ontwikkelingsverdrag  met Suriname ingrijpend te herzien. Dit heeft  Eegje Schoo recentelijk in een interview bevestigd: ‘Ik persoonlijk dacht al aan de mogelijkheid  te zijner tijd het verdrag te heronderhandelen,  want we zaten eigenlijk met een onmogelijke  situatie met Suriname. Het verdrag werkte niet  en veroorzaakte een steeds grotere afhankelijkheid van Nederland in plaats van grotere  financieel-economische zelfstandigheid. De  toen circulerende projectenmap leek wel geheel  samengesteld door het Ministerie van Cultuur,  Recreatie en Maatschappelijk Werk. Het was  geheel tegen de bedoelingen in een welzijnsland  geworden wat bijdroeg aan een zeer ongezonde  verhouding tussen Suriname en Nederland en  waarbij de regering van Suriname zijn verplichtingen steeds minder nakwam.’

De opschorting van de hulp was beleidsmatig en  juridisch gezien niet logisch. In de eerste plaats  vonden niet alleen in Suriname, maar ook in andere ontwikkelingslanden mensenrechtenschendingen plaats zonder dat Nederland hieraan  consequenties verbond. Dat werd destijds ook  opgemerkt door hoge ambtenaren van Buitenlandse Zaken. Zo wees chef van de Directie  Ontwikkelingshulp Azië M. Damme in een   memorandum op Indonesië: ofschoon er in  Oost-Timor en West-Irian regelmatig wille-  keurige executies plaatsvonden, onderhield  Nederland een nauwe ontwikkelingsrelatie met  Indonesië. Damme: ‘De parallel met Suriname   ligt voor de hand en men hoort deze vaak  bediscussiëren: Vijftien doden in Suriname zijn  voldoende voor opschorting, maar alle schendingen in Indonesië tezamen zijn kennelijk nog niet  genoeg voor enige maatregel.’

In de tweede plaats vonden juristen van Buitenlandse Zaken de opschorting een voorbeeld  waarin ‘de regering besluit tot een gedragslijn,  deze uitvoert en dan later aan JURA [juridisch adviseur, LvD] vraagt dit goed te praten’. De eventuele hervatting van de hulp afhankelijk stellen  van de terugkeer naar de democratie werd al  even problematisch gevonden, omdat vóór de  decembermoorden er immers net zo min sprake  was van een democratisch bestel.

Ongemakkelijke positie

Over de hervatting van de hulp werd op het  departement van Buitenlandse Zaken pas hardop  nagedacht nadat Bouterse in 1987 het veld had  geruimd. Via nota’s en memoranda passeerden  verschillende opties de revue, maar duidelijk was  dat Nederland hoe dan ook niet de relatie op  oude voet wilde voortzetten. In een notitie getiteld ‘De ontwikkeling met Suriname. Een nieuw  perspectief’, werd geconcludeerd dat ‘de draad  uit het verleden niet zonder meer opgepakt  [kan] worden en gezocht [moet] worden naar  een andersoortige relatie waarbij de bezwaren  tegen de gang van zaken in het verleden kunnen  worden ondervangen. (...) Daarbij lijkt beëindiging van de overeenkomst in goed overleg de  meest geëigende optie, waarna met Suriname  een normale bilaterale relatie kan worden aangegaan.’

Verder diende de nieuwe hulprelatie geconcentreerd te zijn op de agrarische sector, de lichte  en middelgrote industrie, de gezondheidszorg en  het onderwijs. Projecten die voor 1982 waren  opgestart, mochten niet worden voortgezet en  nieuwe projecten moesten voortaan zorgvuldig  getoetst worden. Omdat Nederland als grootste  geldschieter zich in ‘een vrij ongemakkelijke positie’ had bevonden, was het nodig om de hulp  via multilaterale kanalen te laten stromen.

Van Surinaamse zijde was beëindiging van de  overeenkomst uiteraard niet bespreekbaar. Wel  waren minister-president van Suriname, Henck  Arron, en minister van Financiën S.C. Mungra  bereid te kijken naar nieuwe vormen van samenwerking. Uiteindelijk werd afgesproken dat het  verdrag met Suriname uit 1975 weer onverkort in  werking zou treden, zij het dat beide partijen een  gemeenschappelijke verklaring ondertekenden.  In de praktijk betekende dit een belangrijke  koerswijziging. Voortaan kwam er een halfjaarlijks beleidsoverleg en nieuwe procedureregels,  projecten werden voortaan getoetst aan de hand  van financiële, economische, technische en institutionele criteria, er kwam een duidelijker verdeling van verantwoordelijkheden en het geld werd  voortaan direct overgemaakt aan de leverancier  van goederen en diensten. Ondanks de nieuwe  afspraken verliep de samenwerking tussen   Nederland en Suriname uiterst stroef. Beide landen bleven het oneens over de verplichtingen.  Waar Suriname vond dat Nederland het geld  zonder meer diende over te maken, stelde   Nederland dat het onverkort aan het verdrag  wilde vasthouden, maar dan wel conform de  gemeenschappelijke verklaring waarin de nieuwe  procedureregels waren vastgelegd.

Nogmaals opschorting

Nog tweemaal werd de hulp aan Suriname opgeschort, de eerste keer in december 1990 nadat  het Surinaamse leger opnieuw een staatsgreep  had gepleegd, waarbij de regering-Shankar was  afgezet. In 1997 werd de hulprelatie weer hersteld, wat opnieuw gepaard ging met nieuwe afspraken. In het zogeheten Bonaire-akkoord werd  vastgelegd dat de verantwoordelijke Surinaamse  en Nederlandse ministers zich meer met de  hoofdlijnen gingen bezighouden en de invulling  van het beleid meer zouden overlaten aan de  Nederlandse en Surinaamse diplomaten.

Het akkoord hield echter niet lang stand. Aanleiding was het internationaal opsporingsbevel dat  Nederland in 1997 liet uitgaan tegen Desi Bouterse wegens drugshandel. Suriname reageerde  onmiddellijk door minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk – juist onderweg naar  Paramaribo – de toegang tot het land te ontzeggen, waarna de ontwikkelingsrelatie opnieuw  werd bevroren.

Drie jaar later werd de hulprelatie weer hervat.  Nederland beloofde de resterende 350 miljoen  gulden te zullen committeren, waarbij Suriname  mocht beslissen aan welke sectoren de hulp zou  worden besteed. Het kwam de moeizame relatie  echter niet meer ten goede. In 2004 werd het  uiterst kritische rapport ‘Een belaste relatie.   25 jaar ontwikkelingssamenwerking NederlandSuriname’ openbaar gemaakt. De opstellers van  dit rapport concludeerden dat de ontwikkelingshulp aan Suriname onvoldoende heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het land. Vanwege  het koloniale verleden was het voor Nederland  moeilijk om tot zakelijke en heldere afspraken  te komen, terwijl Suriname niet in staat bleek  het geld effectief te besteden. Minister voor  Ontwikkelingssamenwerking Agnes van Ardenne  besloot vervolgens de speciale ontwikkelingsrelatie met Suriname op afzienbare termijn te  beëindigen. Daarmee kwam een einde aan de  moeizame relatie die sinds de Surinaamse onafhankelijkheid was ontstaan.

Het in 1975 gesloten ‘Verdrag betreffende de  Ontwikkelingssamenwerking tussen Nederland  en Suriname’ leidde vanaf het begin tot irritaties  en onbegrip over en weer, hetgeen resulteerde in  een uiterst moeizame relatie. Suriname verweet  Nederland neokoloniaal gedrag, terwijl Nederland vond dat de Surinamers zich niet hielden  aan de gemaakte afspraken en het geld verkeerd  besteedden. Nederland probeerde dan ook van  meet af aan te komen tot een herziening van  het verdrag. Hoewel Nederland juridisch gezien  uiterst zwak stond, lukte het de Nederlandse  regering uiteindelijk te komen tot een andere  ontwikkelingsrelatie door Surinaamse crises als  de decembermoorden aan te grijpen om de hulp  op te schorten en aan de hervatting ervan steeds  nieuwe voorwaarden te stellen.

Leon van Damme (1982) studeerde geschiedenis  en internationale betrekkingen aan de Universiteit  Utrecht. Van 2006 tot en met 2008 was hij verbonden  aan het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis voor de bronnenpublicatie Nederlandse  Ontwikkelingssamenwerking.

Leestip:

decembermoordenSurinaams onbehagen – Een sociale en politieke geschiedenis van Suriname 1865-2015
Auteurs: Hans Ramsoedh
ISBN: 978 90 8704 748 1
Uitgever: Verloren
Prijs: €25,–

Bestel Surinaams onbehagen

Dit artikel is afkomstig uit:

 

Titel Geschiedenis Magazine
Jaargang: 2010
Nummer: 8

 

 

Meer weten