Geen afbeelding beschikbaar

De fatale natuur

Wordt de geschiedenis bepaald door klassenstrijd, goddelijke beschikking of machtshonger van de menselijke soort? Allemaal zijn ze vaak genoemd. Weinig genoemd wordt een nog algemenere categorie: de natuur. De afhankelijkheid van de natuur wordt vaak pas beseft bij uitzonderlijke rampen, wanneer de natuur zich van haar fatale kant laat zien.

Petra van Dam

De natuur kan overweldigend zijn, groots en meeslepend, en ons ontroeren, maar ze heeft ook zeer gevaarlijke kanten. De natuur als nietsontziende vijand staat in dit themanummer centraal. Bij natuurrampen wordt dit fatale karakter van de natuur zichtbaar en voelbaar. En natuurrampen zijn recent weer diep in ons geheugen gegrift, dankzij de grote overstromingen in Midden-Europa en in het Nederlandse rivierengebied in de jaren negentig, gevolgd door de tsunami in 2004 en de orkaan Katrina in 2005.

Sinds eind 20ste eeuw is er in Europa een ware natuurrampengeschiedschrijving op gang gekomen. Het fenomeen natuurramp wordt breed opgevat: aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, lawines, overstromingen, plagen, astrologische merkwaardigheden en een heel scala aan extreme weersoorten (onweer, hagel, storm). De nieuwe rampengeschiedschrijving presenteert zich nadrukkelijk als culturele geschiedenis van de relatie mens-natuur. Het gaat om waarneming, betekenisgeving en beheersing van extreme natuurlijke fenomenen. Beheersing van rampen vindt plaats op materieel en spiritueel niveau: zowel de aanleg van beschermende constructies als het uitvoeren van religieuze ceremoniën behoren tot het object van de nieuwe rampengeschiedschrijving.

Drie fasen

Geschiedschrijvers zijn altijd gefascineerd geweest door natuurrampen. Een van de bekendste verhalen is de gewelddadige uitbarsting van de Vesuvius waarbij Pompeji ten onder ging en 10 000 mensen omkwamen. Plinius de Jongere geeft hiervan een ooggetuigenverslag in een brief aan Tacitus. Uit de middeleeuwse kronieken zijn opsommingen van lokale natuurrampen zoals kometen en hagelstenen zo groot als duiveneieren bekend. Met de beroemde 20ste-eeuwse Franse Annales-school begon de meer wetenschappelijke geschiedschrijving van natuurrampen, waarbij het accent aanvankelijk geheel op het klimaat lag. Een klassieker is het pionierswerk van Emmanuel LeRoy Ladurie, Histoire du climat depuis l’an mil (1967). Andere wortels van de culturele rampengeschiedenis liggen in de sociale wetenschappen en de milieugeschiedenis. Een bekend voorbeeld van dit laatste is Plagues and peoples (1977) van William McNeill, een grensverleggend boek over de catastrofale effecten van epidemieën op de inheemse bevolking die binnengebracht werden door koloniserende (West- Europese) volkeren in Zuid-Amerika.

De Duitse historicus Rolf Sprandel heeft een model gemaakt met drie fasen van natuurbegrip. Hij was een van de eersten in Duitsland die de ideeën over structuur- en mentaliteitsgeschiedenis voor de ontsluiting van de middeleeuwen aanwendde in Mentalitäten und Systeme. Neue Zugänge zur Mittelalteriche Geschichte (1972).

Aan zijn model kunnen we de interpretatie van natuurrampen vastkoppelen. In de eerste fase van natuurwaarneming past de mens mythen, bovennatuurlijke wezens en goddelijke invloed toe bij de verklaring van zijn zwakheid tegenover de natuur. De natuur is een goddelijk werktuig en is voor de mens een teken. Moraliserende interpretaties van natuurfenomenen zijn dominant. In deze fase ziet de mens extreme natuurlijke gebeurtenissen als bedreigend. Hij vermijdt het contact met gevaarlijke plaatsen. Komt hij onverwachts in een extreme situatie, dan wordt die algauw als ramp gekarakteriseerd en in religieus-moraliserende termen geduid.

In de tweede fase van natuurwaarneming ziet de mens de natuur als wild en onvoorspelbaar, maar hij ontdekt toch talrijke regelmatigheden. De mens kan daarom natuurlijke gevaren vermijden of risico’s bewust tegemoet treden met gebruikmaking van techniek. De mens gaat de natuur meer benutten, bijvoorbeeld door het opwekken van water- of windenergie. De mens kent de gevaren van extreme natuurlijke fenomenen en bereidt zich erop voor. Hij legt waterkeringen aan, slaat voedsel op en stelt waarschuwingssystemen in. Religieuze verklaringen zijn overbodig. In de derde fase van natuurwaarneming krijgt de natuur een esthetische waarde. De natuur schenkt vreugde. De natuurbeleving doet haar intrede, als plaats van romantische ontmoeting, voor plezierjacht, voor amateurnatuurobservatie of in welke vorm dan ook. De mens ziet extreme natuurlijke fenomenen als amusement en voelt er nauwelijks meer de dreiging van. Ramptoerisme hoort in deze fase thuis.

Zondige natuur

Bovenstaande fasen lijken elkaar op te volgen, maar in de historische werkelijkheid traden ze vaak tegelijk op. Bij de Allerheiligenvloed in 1570 in de Nederlanden werden bijvoorbeeld zowel natuurwetenschappelijke als religieuze verklaringen en duidingen gegeven. Ook uit de Oudheid is dat bekend.

Toch zijn er interessante veranderingen door de tijd heen te herkennen. In de waarneming van natuurrampen traden aan het eind van de Middeleeuwen en in de periode van de Verlichting opvallende veranderingen op. Opmerkelijk is dat na de Middeleeuwen natuurrampen zoals stormvloeden veel vaker als straf van God werden gezien dan voorheen. Dit hangt samen met de nieuwe betekenis die de natuur in de Reformatie kreeg. Luther stelde dat de natuur ook betrokken was bij de zondeval zoals die in het boek Genesis verteld wordt. Naarmate de zonden van de mens zich vermeerderden, zo ging ook de natuur steeds verder ten onder, met lange perioden van strenge vorst (de zogeheten Kleine IJstijd), onweer en aardbevingen. Dit beeld gaat enigszins in tegen het intuïtieve beeld van de donkere Middeleeuwen, waarin natuurrampen als straf of beproeving van God werden gezien, waarna het humanisme bevrijding bracht van bijgeloof en een antropocentrisch wereldbeeld schiep.

Een dergelijke ontdekking door historici is echter eerder gebeurd: in de geschiedenis van de hekserij. Aanvankelijk dacht men met een typisch (achterlijk) middeleeuws fenomeen te maken te hebben. De huidige geschiedschrijving meldt evenwel dat het grootste deel van de heksenvervolging in de 16de en 17de eeuw plaatsvond. Al voor de Verlichting begonnen de tijdgenoten minder belang toe te kennen aan God als veroorzaker van natuurrampen. Het idee van God als horlogemaker is door de Franse Verlichtingsfilosofen bedacht. Hij schiep de aarde inclusief de natuurwetten, maar daarna bemoeide hij zich niet meer met de uitwerking ervan. Hij was niet constant bezig met stormvloeden en andere natuurrampen de mens te straffen voor begane zonden of te waarschuwen voor het einde der tijden. God had de mens met de rede begiftigd, juist om hem in staat te stellen om met techniek en wetenschap de strijd aan te gaan met de natuurwetten. Zo brengt de nieuwe rampengeschiedenis vele nuanceringen aan in het beeld van de relatie mens-natuur dat is overgeleverd.

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel: Geschiedenis Magazine
Jaargang: 2008
Nummer: 5
Uitgever: Virtumedia

Meer weten

Tijdschriften: