Heian-periode Vertelling van Ganji

De Heian-periode (794-1185) als spiegel voor het moderne Japan

IJkpunt van verfijning. In de 19de eeuw had Japan, evenals West-Europese landen, behoefte aan een duidelijk omschreven culturele identiteit. De keizerlijke hofcultuur in de Heian-periode (794-1185) bleek de juiste identificatie te bieden voor het moderniserende Japan. Met name in de literatuur uit deze periode, met als hoogtepunt De vertelling van Genji, werd het authentieke Japan herkend.

Ivo Smits

2008 was het jaar dat Japan in het teken stond van de herdenking van een duizend jaar oude tekst. De vertelling van Genji is zonder twijfel het beroemdste meesterwerk uit de Japanse literatuurgeschiedenis. Tien eeuwen geleden maakte de schrijfster van dit klassieke verhaal in haar dagboek voor het eerst melding van haar Genji, de ‘schitterende prins’ aan het keizerlijk hof. Een jaar lang waren in het hele land tentoonstellingen en programma’s rondom deze tekst en zijn auteur te zien.

De hype rondom De vertelling van Genji bevestigt dat de klassieke hofcultuur uit de Heian-periode (794-1185) in Japan veelvuldig gebruikt wordt om de ‘Japansheid’ van Japan te definiëren. Dat in 2000 de Nationale Bank van Japan voor het nieuwe bankbiljet van tweeduizend yen een scène uit dit Heian-epos koos, is geen toeval.

Culturele canon

De moderne canon van Japans cultureel erfgoed kreeg vorm aan het eind van de 19de eeuw en culmineerde onder meer in de eerste moderne literatuurgeschiedenissen in 1890. Boeken als Leesboek nationale literatuur (Kokubungaku tokuhon) van Haga Yaichi (1867-1927), hoogleraar aan de keizerlijke Universiteit van Tokio, en Geschiedenis van de Japanse literatuur (Nihon bungakushi) van Mikami Sanji (1865- 1939), onder meer directeur van het Historiografisch Bureau aan diezelfde universiteit, gaven invulling aan beide samenstellende delen van het begrip ‘Japanse literatuur’.

Ten eerste was er de nieuwe gedachte dat ‘literatuur’ begrepen moest worden in analogie met Westerse ideeën over artistieke teksten waarin fictie hoog werd aangeslagen. Met andere woorden: teksten die de innerlijke en uiterlijke werelden met de nodige verbeelding wisten weer te geven. Om dit voor Oost-Azië vrij revolutionaire idee uit te drukken werd onder meer een nieuwe term gemunt: bungaku, oftewel ‘literatuur’. Het element ‘Japans’ werd uitgelegd als: geschreven in het Japans. Sinds zijn eerste kennismaking met het schrift had Japan altijd ook geschreven in het klassiek Chinees, het Latijn van Oost-Azië. Nu werd deze taal gezien als een barrière voor de uitdrukking van de volksgeest en dus losgelaten. ‘Japanse’ literatuur stond gelijk aan ‘nationale’ literatuur en die was uiteraard geschreven in de ‘nationale taal’ (kokugo).

Met deze oriëntatie, die een niet zo verrassend voortvloeisel was van een veel grotere beweging om ‘Japan’ als moderne natiestaat te definiëren, werd het eigen culturele verleden uitgespit om een canon te creëren die aan de eisen van ‘Japanse literatuur’ kon voldoen. Het zal duidelijk zijn dat de huidige politieke behoefte aan een culturele canon van Nederland in feite geworteld is in het wijdverbreide 19de-eeuwse besef dat het verleden vooral de functie heeft om het heden vorm te geven.

Het keizerlijk hof van Heian

Toen rond 1890 de eerste culturele canon van Japan werd vastgesteld, bleek het keizerlijk hof van de Heian-periode (794-1185) een belangrijke producent te zijn van vroege voorbeelden van ‘Japanse literatuur’. Dit was op zich geen verrassing, aangezien al in de 18de eeuw het Heian-hof een belangrijke focus van nationale identiteit begon te worden. Debatten over de betekenis en definitie van ‘Japans-zijn’ grepen toen al vaak terug naar deze hofcultuur.

Een belangrijke rol in deze debatten was weggelegd voor de ‘nationale studiën’(kokugaku)-beweging uit de 18de eeuw. Deze probeerde de studie van ‘eigen’ Japanse tradities, in tegenstelling tot geïmporteerde Chinese culturele invloeden, in religie, geschiedenis en literatuur te doen herleven. Kokugaku putte zijn inspiratie voor een groot deel uit Japanse klassieke werken uit met name de 8ste eeuw als vertegenwoordigers van een primitief Japans gouden tijdperk, vrij van de invloeden van confucianisme, boeddhisme en andere niet-Japanse geloven en gebruiken, dat wil zeggen uit een tijd vóór de Heian-periode.

Toch was er ook grote belangstelling onder kokugakugeleerden voor werken uit de 10de en 11de eeuw. Boven aan hun lijst stonden De vertelling van Genji en vroege poëtica’s en hun opvattingen over de ‘essentie’ van Japanstalige poëzie, en die stamden nu eenmaal voornamelijk uit de Heian-periode. De in de moderne tijd tot ultiem cliché van Japanse esthetiek verheven idee dat Japanners een bijzondere gevoeligheid bezitten voor mono no aware (de pathos der dingen) gaat bijvoorbeeld terug op analyses van De vertelling van Genji én van mono no aware als motor voor poëzieproductie, door Motoori Norinaga (1730- 1801), een van de voormannen van kokugaku.

Daarmee werd de hofcultuur die deze canonieke werken had voortgebracht, in de late 19de eeuw een belangrijk vroeg identificatiepunt voor het moderne Japan. Het land wilde zich vanaf het midden van de 19de eeuw een plaats in de wereld veroveren naast Westerse imperia als het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk of de Verenigde Staten. De uitdaging bestond erin te leren concurreren met het Westen door ook een moderne natiestaat te worden met alles wat daarbij hoorde, inclusief een eigen culturele identiteit.

Hofkostuum

Deze dubbelheid, de wens zowel het Westen te imiteren als de eigen traditie als gelijkwaardig te beschouwen, uitte zich op allerlei manieren. Eén in het oogspringende manifestatie was het moderne keizerlijke hofkostuum. In 1868, het eerste jaar van de Meiji-periode, werd de figuur van de keizer ‘gerestaureerd’ als waarachtig hoofd van de natie en kwam er een eind aan tweeënhalve eeuw van shogun-bewind. Gepoogd werd zowel de krijgsadel van samoerai als de oude hofadel samen te voegen tot een adellijke groep die de nieuwe positie van de keizer als symbool van nationale eenheid zou moeten onderstrepen. Deze nieuwe adel had een protocollair voorgeschreven hofkostuum nodig. De keuze viel op een reconstructie van het hofkostuum uit de Heian-periode. In november 1872 werd er een modern, Westers galakostuum aan toegevoegd. Vandaar dat de twee vroege bekende portretten van de Meiji-keizer en -keizerin hen zowel in Heian-kostuum als in Westerse galadracht tonen.

Sindsdien is er veel veranderd. Maar nog steeds is De vertelling van Genji een icoon van Japansheid en nog steeds draagt de keizer bij speciale, traditioneel ‘Japanse’ ceremoniën zoals zijn huwelijk of troonsbestijging het kostuum dat de hofcultuur van de Heianperiode voorstelt als ijkpunt van alles wat verfijnd is aan Japans adeldom.

Afbeeldingen:

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel: Geschiedenis Magazine
Jaargang: 2009
Nummer: 2
Uitgever: Virtumedia

Meer weten

Tijdschriften: