Ieder zijn eigen oorlog - Egodocumenten over de Tweede Wereldoorlog

De oorlog is bijna drie generaties geleden. We bevinden ons op een breukvlak tussen geschiedenis en herinnering. ‘De laatste overlevenden van de holocaust en van de verdrijving van het Europese jodendom zullen spoedig zijn verstomd.’ Is dat de reden voor de stroom aan publicaties met memoires over die tijd?

Eva Moraal

[caption id="attachment_47600" align="alignright" width="197" caption="Een gezin tijdens de Hongerwinter. Foto Ad Windig. (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine)[/caption]

'Who would you have saved’ kopte het BBC History Magazine in oktober 2007 boven een artikel waarin zes ‘gewone mensen met onmogelijke keuzen’ werden geïnterviewd over hún oorlog en de keuzes die zij moesten maken. Het was een poging van het in Groot-Brittannië populaire tijdschrift om geschiedenis van gewone mensen te schrijven en, zo meende hoofdredacteur David Musgrove, ‘history seems very real as a result’.

Musgroves opmerking is typerend voor onze tijd. Geschiedenis wordt pas ‘echt’ als het gaat om mensen zoals u en ik, mensen in wie we ons kunnen verplaatsen. Op de middelbare school is geschiedenis een saai vak en pas als een overlevende van de holocaust zijn of haar verhaal in de klas komt vertellen, begint het verleden voor de kinderen te ‘leven’. Documentaires als Westerbork girl over de belevenissen van de joodse Hannelore Eisinger-Kahn en Blind spot: Hitler’s secretary over Traudl Jünge houden velen gekluisterd aan de buis en worden in de pers bejubeld. In Nederland gaan de persoonlijke boeken van amateurhistoricus Geert Mak als warme broodjes over de toonbank. ‘In Europa’ is een van de meest bekeken geschiedenisprogramma’s van de afgelopen jaren. In onze Westerse wereld is geschiedenis hot, maar alleen zolang ze een persoonlijk element weet toe te voegen. De Tweede Wereldoorlog geeft daartoe nog steeds veel aanleiding.

Eenvoudige stukken

De oorlog neemt in onze geschiedbeleving een unieke plaats in. Over geen enkele andere historische gebeurtenis wordt zoveel geschreven. Het lijkt wel alsof ieder jaar dat we er verder van verwijderd zijn er meer boeken over verschijnen. Veel ervan zijn egodocumenten − in de definitie van de joodse historicus Jacques Presser zijn dat documenten ‘waarin een ego zich opzettelijk of onopzettelijk onthult − of verbergt’, of ‘waarin de gebruiker zich gesteld ziet tegenover een “ik” (...) als schrijvend en beschrijvend subject’.

Presser gebruikte voor zijn boeken veelvuldig egodocumenten. Deze waren immers vaak de enige bron over de vreselijke gebeurtenissen uit de oorlog. De nazi’s trachtten hun sporen zo goed als mogelijk uit te wissen; alleen overlevenden konden vertellen wat er was gebeurd en deden dit dan ook in groten getale, in de oorlog en net erna. Op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, nu NIOD), kort na de oorlog opgericht, beseften ze dit maar al te goed. RIOD-medewerkers R.C. Broek en A. Hiemstra- Timmenga namen honderden verklaringen af, voorlopers van de vele interviews die tot op de dag van vandaag worden afgenomen.

[caption id="attachment_47601" align="alignnone" width="376" caption="De Amsterdamse kunstschilder Ies Jacobs was in 1942 dwangarbeider in het Drentse Rijkswerkkamp de Kremboong. Hier en in een aantal andere werkkampen moesten joodse mannen de heide ontginnen en paden aanleggen. Het waren voorportalen van Westerbork, ze werden in oktober 1942 allemaal ontruimd en de meeste bewoners werden in de Poolse concentratiekampen vermoord. Ies Jacobs, die uit De Kremboong ontsnapte en onderdook, is een van de zeer weinigen die uit eigen ervaring over het kamp kunnen vertellen. Boven de arbeiders van barak 15 van De Kremboong, met rechts Ies Jacobs. Uit: Ies Jacobs, Overleven een kunst (Amsterdam 2007)  (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine[/caption] [caption id="attachment_47602" align="alignleft" width="151" caption="De potloodschets hierboven van Hilbert Pekel achter het harmonium, bij wie hij ondergedoken is geweest, en andere tekeningen maakte Jacobs tijdens de oorlog. Uit: Ies Jacobs, Overleven een kunst (Amsterdam 2007). (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine)[/caption]

Het besef van de waarde van persoonlijke bronnen gold echter niet alleen voor de jodenvervolging. De beroemd geworden oproep van minister G. Bolkestein van Onderwijs op Radio Oranje zette bijvoorbeeld Anne Frank aan tot het redigeren van haar dagboek, en leidde na de oorlog ook tot een inzameling van honderden persoonlijke geschriften van andere Nederlanders. ‘Wil het nageslacht ten volle beseffen wat wij als volk in deze dagen hebben doorstaan en zijn te boven gekomen, dan hebben wij juist de eenvoudige stukken nodig − een dagboek, brieven van een arbeider uit Duitsland, een reeks toespraken van een predikant of priester,’ sprak Bolkestein het Nederlandse volk toe.

Helaas verdwenen de meeste egodocumenten, van gewone mensen en van joodse overlevenden, snel na de oorlog al achter de deuren van archieven, of werden vergeten op zolders. Er moest immers een land worden opgebouwd.

Authenticiteit

Het was de nieuwe, jonge generatie van de jaren zestig die zich begon af te vragen wat er nu werkelijk was gebeurd in de oorlog en die het heroïsche verzetsbeeld van een eensgezinde natie doorbrak. De langverwachte geschiedschrijving van de jodenvervolging sloot zich hier naadloos bij aan. Presser publiceerde in 1965 het standaardwerk Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. Het sloeg in als een bom. Pressers boek, Loe de Jongs televisieserie De bezetting, het Eichmann-proces, het waren allemaal signalen van en aanzetten tot een ander begrip van de oorlog. Overlevenden mochten eindelijk gehoord worden en lieten ook steeds meer van zich horen.

[caption id="attachment_47603" align="alignright" width="199" caption="Bladzijde uit het dagboek van de dertienjarige Praagse jongen Petr Ginz. Het is zijn eerste aantekening, gedateerd 19 september 1941. Boven de davidsster staat: ‘Een mistige dag. De Joden moeten een kenteken dragen dat er ongeveer als volgt uitziet’. En dan: ‘Op weg naar school heb ik al 69 “sheriffs” geteld, mama had er toen al meer dan honderd gezien…’ (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine[/caption]

Daarnaast trad er nog een verandering in de geschiedschrijving op. De zogenoemde microgeschiedenis kwam op de voorgrond, die pleitte voor een herwaardering van het egodocument en het vertellen van de geschiedenis van de gewone man. De emancipatie van minderheden en het postmoderne besef dat een grote overkoepelende geschiedenis onmogelijk was, zorgden voor een wantrouwen ten opzichte van de traditionele ‘grote mannen’-geschiedenis. De eensgezinde natiestaat bleek na de oorlog een illusie en zelfs als er al geschiedenis geschreven kon worden, was dit een geschiedenis van vele mitsen en maren. De egodocumenten werden weer van de stoffige archiefplanken gehaald en kinderen gingen op zoek op de zolders van hun ouderlijk huis.

Het is de vraag of deze waardering van de persoonlijke beleving de enige reden is dat er elk jaar meer memoires van ooggetuigen en lang verloren gewaande dagboeken uit de oorlog verschijnen. ‘Langzaam breidt zich een schaduw uit over de herinnering,’ schrijft Martin Doerry in zijn bundel interviews met overlevenden van de holocaust. ‘De laatste overlevenden van de holocaust en van de verdrijving van het Europese jodendom zullen spoedig zijn verstomd.’

Dit besef dat de ooggetuigen uitsterven, geldt ook voor niet-joden. Anna Timmerman constateert in het nawoord van haar verzameling interviews getiteld Machteloos? Ooggetuigen van de Jodenvervolging: ‘Over enkele jaren zullen er geen Nederlanders meer zijn die de oorlog zelf hebben meegemaakt.’ In veel van de recent verschenen boeken over dit onderwerp wordt dit besef verwoord. Dit is meer dan een nuchtere constatering. Het is eerder vrees voor het verliezen van overlevers en overlevenden, en daarmee het verliezen van authenticiteit. Alleen zíj kunnen immers weten hoe het was, zíj waren erbij.

Dit idee van het verlies van authenticiteit wordt versterkt doordat we het gevoel hebben ons verleden niet meer te kennen. Meer dan zestig jaar scheidt ons van de oorlog, maar het voelt eerder aan als zeshónderd jaar. Steeds snellere ontwikkelingen hebben de oorlog eindeloos ver weg doen lijken. En geen boek of tv-programma kan dan op tegen een persoon die het werkelijk allemaal zelf heeft meegemaakt.

We bevinden ons op een breukvlak tussen geschiedenis en herinnering en blijkbaar beangstigt dit ons. Elk jaar weer wordt op of rond 5 mei de vraag gesteld waarom we die dag nog in ere houden nu de oorlog al zo lang geleden is. De vraag is of we alléén de oorlog herdenken, of dat de herdenking voor nog iets anders staat. De uitvoerige aandacht van de media voor de Marokkaanse jongeren die enkele jaren geleden voetbalden met herdenkingskransen, laat zien hoe 4 en 5 mei verbonden zijn met de actualiteit. Ook in de egodocumenten die nu aan de lopende band gepubliceerd worden, komt dit tot uiting. ‘“Dat nooit meer”, en wees tolerant en respectvol voor anderen, dat is de boodschap die Ies door middel van het boek wil uitdragen’, schrijft Tiny Kuiper in de inleiding van Overleven een kunst. De joodse Ies Jacobs ontsnapte uit het Drentse Rijkswerkkamp De Kremboong bij Hoogeveen, voordat dit werd leeggehaald en de joodse inwoners via Westerbork werden gedeporteerd. Daarna dook hij onder en wist zo de oorlog te overleven.

 Geschiedenis Magazine

Niet alleen de afschuw over wat gebeurd is en de wens de mensheid voor herhaling ervan te waarschuwen door erover vertellen, spelen een rol. Ook de kwestie van het ingrijpen is een actuele zaak. Als er werkelijk toenemende vreemdelingenhaat en islamofobie in ons land is, moeten we dan niet nú handelen? In de jaren dertig liet men dit na; het zou wel loslopen. De aandacht die de wetenschap en de media besteden aan de zogenaamde toeschouwers in de Tweede Wereldoorlog, is zowel een uiting van deze vragen als een antwoord erop. De mooi getroffen bundel interviews met deze omstanders, Machteloos?, is een product van deze tijd. Het gaat over de vraag wat gewone mensen zoals u en ik zouden doen in soortgelijke omstandigheden; een vraag die de laatste jaren wellicht nog iets actueler is geworden.

Rijker beeld

Ons tanende historische besef proberen we angstvallig aan te vullen met een overdaad aan geschiedenis en dan meest persoonlijke geschiedenis. Alleen het persoonlijke document lijkt ons iets dichter bij toen te kunnen brengen. Statistische gegevens zeggen weinig, maar een dag uit het leven van een veertienjarige jongen in bezet Praag geeft ons dat inkijkje waar we zo naar zoeken. In haar voorwoord bij het dagboek van haar in oktober 1944 in Auschwitz vermoorde broer Petr Ginz schrijft Mirjam Pressler: ‘Het is gewoon mooi dat er voor onze ogen − door ons bezig te houden met de achtergelaten dagboeknotities en tekeningen − een gezicht opdoemt.’ Het is een gezicht dat wij allemaal kunnen herkennen.

Het genre van het persoonlijke historische document heeft nog nooit zulke glorietijden gekend. De egodocumentenmarkt over de Tweede Wereldoorlog is zeer gedifferentieerd geworden en, zeker de laatste tien jaar, geprofessionaliseerd. Veel egodocumenten zijn nu niet meer op eigen initiatief gepubliceerde integrale herinneringen of dagboeken, maar boeken met een wetenschappelijk verantwoorde inleiding van journalisten of historici die het oorspronkelijke document in een historische context plaatsen.

[caption id="attachment_47604" align="alignnone" width="376" caption="Welke beslissingen namen gewone mensen in de oorlog? Soms besloten ouders dat het voor hun kind het beste was, zich aan te sluiten bij de Nationale Jeugdstorm njs, opgericht door de nsb’er C. van Geelkerken. Advertentie voor de njs uit 1943, die de verdorven slapjanussen uit de ‘oude tijd’ plaatst tegenover de energieke jeugd van de ‘nieuwe tijd’.                 (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine[/caption]

Ook worden verschillende soorten egodocumenten van eenzelfde persoon of familie samengebracht. Geschiedschrijving wordt gecombineerd met weergaven van de originele bronnen, zoals brieven uit de oorlog, dagboeken en interviews. Frieda. Verslag van een gelijmd leven (over Holocaust-overlevende Frieda Menco, uitgegeven door het Herinneringscentrum Kamp Westerbork) van Ad van Liempt is hiervan een voorbeeld, net als de dagboeken en brieven van Helga van Deen. De emancipatie van minderheden en ‘vergeten groepen’ sinds de jaren zeventig heeft er tevens voor gezorgd dat ook hun verhalen in de publicaties zijn vertegenwoordigd. Zo gaat Kind in oorlogstijd van Claudine Landgraf en Rosemarie Pfirschke specifiek over vrouwen en hun jeugd in de Tweede Wereldoorlog.

In het mediatijdperk waarin wij nu leven, heeft het genre van de persoonlijke beleving tot volle wasdom kunnen komen. Verhalen verschijnen op het internet, de tv, radio, in de pers en uitgeverswereld; het is een geval van continue kruisbestuiving. Egodocumenten dienen als basis voor documentaires en andersom. Interviews met overlevenden leiden tot boeken, zoals het project van Steven Spielberg laat zien: geïnspireerd door het maken van zijn oorlogsfilm Schindler’s List besloot Spielberg de Survivors of the Shoah Visual History Foundation op te richten. Het streven was en is een zo volledig mogelijk archief van (video)getuigenissen van overlevenden en andere getuigen van de Holocaust aan te leggen. Voor veel geïnterviewden was dit tevens aanleiding tot het opschrijven van de eigen ervaringen.

Veel overlevenden hebben inmiddels hun eigen website en geven door heel het land ooggetuigenlezingen. Uitgevers hebben hun eigen ‘holocaust’-serie; de Rotterdamse uitgeverij Verbum bijvoorbeeld stelt zich expliciet ten doel de verhalen van overlevenden van de Holocaust uit te geven. Er zijn tientallen organisaties die zich exclusief of gedeeltelijk met de (geschiedenis van) de oorlog bezighouden en boeken hierover publiceren, bovenal persoonlijke verhalen. Het initiatief ligt steeds vaker niet meer bij de overlevende zelf, maar bij een uitgever, een herinneringscentrum, een familielid of een journalist.

Maar wat is nu de waarde van dergelijke documenten, behalve dan dat ze ons nu dichterbij toen kunnen brengen? Bovenal hebben ze een intrinsieke waarde; het zijn bronnen over unieke levens in bijzondere tijden. Maar ook sluit ik aan bij wat historicus Peter Romijn schrijft in de inleiding bij het (oorlogs)dagboek van Kees Tetteroo: ‘De historicus Jacques Presser wees al vroeg op de betekenis van “egodocumenten”. Door deze bronnen kunnen wij ontdekken wat individuen heeft bewogen en hoe zij de historische omstandigheden waarin zij verkeerden, hebben waargenomen.’ De kennis die wij over de beleving van de oorlog bezitten, is geenszins toereikend. Het bestuderen van steeds meer egodocumenten zal wellicht aan een adequater beeld van de oorlog bijdragen, maar zeker aan een rijker beeld.

Eva Moraal studeerde geschiedenis in Rotterdam en werkt bij het Centrum voor Holocaust en Genocide Studies aan een proefschrift over de verschillende generaties van egodocumenten geschreven over kamp Westerbork.

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel: Geschiedenis Magazine
Jaargang: 2008
Nummer: 3
Uitgever: Virtúmedia

 

 

 

 

 

Verder lezen

• Martin Doerry, Overal en nergens thuis, gesprekken met overlevenden van de Holocaust (Amsterdam/Antwerpen 2007)• Petr Ginz, Praags dagboek 1941-1942 (Amsterdam 2007)• Ies Jacobs & Tiny Kuiper, Overleven een kunst, levensschets & oorlogsherinneringen (Amsterdam 2007)• Claudine Landgraf en Rosemarie Pfirschke, Kind in oorlogstijd. 13 Europesevrouwen en hun jeugdherinneringen aan wo-ii (Wormer 2007)• Ad van Liempt e.a., Dit is om nooit meer te vergeten. Dagboek en brieven van Helga Deen 1943 (Amsterdam 2007)• Anna Timmerman, Machteloos? Ooggetuigen van de Jodenvervolging (Amsterdam 2007)• Gemma M.M. van Winden-Tetteroo (red.), Mijn dagboek. Oorlogskroniek van Kees Tetteroo 1936-1945 (Zaltbommel 2007)

Meer weten

Tijdschriften: