Machtsvertoon op het IJ

Het Nederlands Scheepvaartmuseum kocht onlangs een schilderij van Ludolf Backhuysen. De voorstelling, het oorlogsschip Vrijheid op het IJ voor Amsterdam, is een schitterende illustratie van de maritieme bewapeningswedloop waarin ons land kort na 1650 was verwikkeld. Het vestigt bovendien de aandacht op de rol die de stad Amsterdam daarin speelde.

Remmelt Daalder

Kort na het midden van de 17de eeuw behoorde de Republiek der Verenigde Nederlanden tot de belangrijkste mogendheden van Europa, en dus van de wereld. Die macht lag vooral op zee. In onze tijd zijn we gewend om bij een oorlogsvloot te denken aan schepen die zijn ingedeeld in bepaalde klassen – kruisers, fregatten, onderzeeboten –, gebouwd volgens standaardontwerpen. In de 17de eeuw, zeker in de eerste helft, was daar in Nederland nauwelijks sprake van.

[caption id="attachment_48237" align="alignnone" width="376"] Geschiedenis Magazine) Het oorlogsschip de Vrijheid en andere schepen op het IJ voor Amsterdam, ca 1660. Dit is een kort geleden door het Nederlands Scheepvaartmuseum verworven penschilderij op paneel door Ludolf Backhuysen (1630-1708). Een penschilderij is eigenlijk een verduurzaamde tekening. De voorstelling is met een pen aangebracht op een paneel of doek dat is voorzien van een witte ondergrond. Door de tekening te vernissen kan het ‘schilderij’ lange tijd aan de muur worden gehangen, wat met een gewone tekening op papier niet mogelijk is. (Bron: Geschiedenis Magazine)[/caption]

In de eerste plaats was er niet één nationale marine, maar er waren er vijf. Die regionale admiraliteiten – drie in Holland, de andere twee in Friesland en Zeeland – hadden elk hun eigen scheepswerven en scheepsbouwmeesters. En die hadden ieder zo hun eigen opvattingen. Bovendien bouwde men nooit volgens een tekening. Wie een schip bestelde, gaf alleen de belangrijkste kenmerken op: type, lengte, breedte, holte en bewapening. En daar wisten de scheepstimmerlieden in Harlingen, Rotterdam of Middelburg dan wel raad mee, vertrouwend op hun ervaring en lokale tradities.

In tijden van oorlog had de Nederlandse vloot nog meer het karakter van een samengeraapt zootje. Tijdens de zeeslag bij Duins in 1639 moest Maerten Harpertszoon Tromp het met meer dan honderd uiteenlopende schepen opnemen tegen de Spaanse vloot. Een paar Nederlandse vaartuigen waren inderdaad gebouwd als oorlogsschepen, maar er voeren ook allerlei koopvaarders mee die in allerijl waren voorzien van wat bewapening. De meeste hulp kon Tromp nog verwachten van de grote retourschepen van de voc. Dat waren grote schepen, die met hun zware geschut in Azië de territoriale belangen van de Compagnie moesten kunnen verdedigen. Ze waren vaak nauwelijks te onderscheiden van oorlogsschepen van de admiraliteiten.

Tromps schepen waren veel kleiner dan die van de Spanjaarden: zijn vlaggenschip Aemilia was een fregat van 600 ton, terwijl het admiraalsschip van zijn Spaanse collega d’Oquendo maar liefst 1600 ton mat. Ter vergelijking: het voc-schip Amsterdam, waarvan een replica bij het Nederlands Scheepvaartmuseum ligt, heeft een lengte van 42,5 meter tegen de Aemilia 37,4 meter (132 voet). Klein als het was, gold de Aemilia wel als een ‘uitmuntend bezeild’ schip, dat werd geroemd om zijn ‘makheid’.

Zeeslagen als die bij Duins zijn talloze malen vereeuwigd op schilderijen, penningen en prenten. De dagelijkse activiteiten van de admiraliteiten worden daardoor een beetje aan het oog onttrokken.

Toch was dit routinewerk, het beschermen van koopvaarders en vissers, van groot belang voor de Nederlandse economie. Vooral de Duinkerker kapers vormden een bedreiging van de welvaart van het land. Schepen die door het Nauw van Calais voeren, liepen voortdurend gevaar in hun handen te vallen en zelfs bij Noorwegen waren de Nederlandse schepen niet veilig. Daarom patrouilleerde er permanent een blokkadevloot voor de Vlaamse kust. Afdoende was deze maatregel overigens niet. In de periode 1627-1634 maakten de Vlamingen maar liefst 1500 schepen buit en brachten ze er 150 tot zinken.

Oorlog met Engeland

Kort voor 1650 leken de zeeën voor de Nederlanders een stuk veiliger geworden. Met de verovering van Duinkerken door de Franse koning in 1646 was een belangrijk gevaar bedwongen. De Vrede van Munster maakte twee jaar later een eind aan de oorlog met Spanje en was het sein tot flinke bezuinigingen. Schepen werden verkocht, gesloopt of overgedaan aan de West-Indische Compagnie. In Europa was er immers vrede en weinigen verwachtten dat er snel een nieuwe oorlog zou uitbreken.

[caption id="attachment_48238" align="alignleft" width="189"]Schilderij scheepvaartmuseum Vooraanzicht van een oorlogsschip uit ca 1660, detail van het schilderij van Ludolf Backhuysen. Scheepvaartmuseum, Amsterdam. (Bron: Geschiedenis Magazine)[/caption]

In 1652 was het echter alweer raak. Ditmaal had de Nederlandse oorlogsvloot te maken met een veel sterkere tegenstander dan de Spanjaarden: Engeland. Dat was eigenlijk een verrassing, want aan de overkant van de Noordzee had juist zes jaar lang een burgeroorlog gewoed. En toen het parlement onder leiding van Oliver Cromwell in 1649 de koningspartij had verslagen, was de Engelse oorlogsvloot nog geen veertig schepen groot. Een indrukwekkend vlootbouwprogramma stelde de Engelsen echter al in korte tijd in staat om hun grootste handelsconcurrent een lesje te leren. Op papier leek de Nederlandse zeemacht aardig opgewassen tegen de Engelse. In april 1653 kon de Republiek beschikken over 226 ‘zeilen’ (schepen). Helaas, 150 daarvan waren koopvaarders, voor het merendeel ‘vrijwel waardelooze huurschepen’, naar de mening van de historicus Johan Elias, dé autoriteit op het gebied van de scheepsbouw in de 17de eeuw.

De gevolgen bleven niet uit. De Eerste Engelse Oorlog verliep rampzalig. In een aantal zeeslagen leed de Republiek gevoelige nederlagen. Engelse schepen waren niet alleen talrijker, maar ook groter en beter bewapend. Zelfs een min of meer onbesliste zeeslag als die bij Terheijde – de Engelsen spreken van de Battle of Scheveningen – in de zomer van 1653 kon de Nederlandse zwakte niet verhullen. Tromp sneuvelde tijdens deze zeeslag, en zijn plaats werd overgenomen door vice-admiraal Witte de With, die opereerde vanaf zijn vlaggenschip de Vrijheid. Dit schip was tevens het grootste van de Nederlandse zeemacht, twee voet langer zelfs dan Tromps vlaggenschip de Brederode.

Het treurige verloop van de oorlog was reden om allerwegen aan te dringen op snelle bouw van nieuwe schepen. Tromp had er al op gewezen dat de Vrijheid een van de weinige goede oorlogsbodems was. Het was in 1651 gebouwd in Amsterdam, gelijktijdig met het zusterschip Vrede. Het zijn toepasselijke scheepsnamen in het korte interbellum tussen de Vrede van Munster en het uitbreken van de Eerste Engelse Oorlog. Beide oorlogsbodems, respectievelijk 131,5 en 134 Amsterdamse voet (28,3 cm), hadden een kleine vijftig stukken geschut aan boord.

[caption id="attachment_48239" align="alignnone" width="423"] Geschiedenis Magazine Reinier Nooms maakte ten tijde van de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654) deze ets van twee van de zestig nieuwe oorlogsschepen die in allerijl werden gebouwd om het Engelse ‘Parlement’ het hoofd te bieden, zoals het onderschrift luidt. In Engeland was op dat moment, na het afzetten (en onthoofden) van koning Karel i, het parlement onder leiding van Oliver Cromwell aan de macht. Scheepvaartmuseum Amsterdam. (Bron: Geschiedenis Magazine)[/caption]

Het ontwerp van de schepen was de uitkomst van een proces dat al langer gaande was: de ‘fregattering’ van het Nederlandse oorlogsschip. Dat betekende dat de driemasters een steeds meer gestrekte, vlakke rompvorm kregen, zonder de hoge voor- en achterkastelen die eerder gebruikelijk waren. In zijn zeemanswoordenboek uit 1681 beschrijft Wigardus à Winschooten het fregat als ‘een soort van groote scheepen, gelijk pijnassen [pinas: een driemastschip met platte spiegel], dog meer met haar agterkasteel agter oover hangende: waar om sij ook van sommige hanggatten genaamd werden’. Het formaat – Winschooten vermeldt het al – was een tweede kenmerk van fregatten als de Vrijheid. Het waren niet alleen de modernste, maar ook de grootste en schepen van de vloot.

Professionalisering

De penibele situatie van de landsverdediging leidde tot een verstrekkend besluit. De Staten-Generaal, het hoogste gezag in de Republiek, gaf in 1653 opdracht om dertig grote oorlogsschepen op stapel te zetten. Het bestek van de Vrijheid vormde het uitgangspunt voor de bouw. Later in dat jaar bestelde de regering er nog eens dertig. Voor een groot deel waren deze schepen nog in aanbouw toen in 1654 vrede werd gesloten. Mede door deze grootscheepse nieuwbouw kon de oorlogsvloot een wezenlijke verandering, een sterke professionalisering, ondergaan. Het accent kwam voortaan te liggen op speciaal voor de oorlogvoering gebouwde oorlogsschepen, volgens vaste voorschriften ontworpen. Men moet zich trouwens van deze standaardisering geen overdreven voorstelling maken. Ook al stonden de specificaties vast, elke scheepswerf bouwde toch naar eigen inzicht. Bovendien was het nog steeds zo dat aangekochte, gehuurde of buitgemaakte schepen aan de oorlogsvloot werden toegevoegd. Mede door deze nieuwe sterke oorlogsvloot was de Republiek in het derde kwart van de 17de eeuw een van de belangrijkste mogendheden van de wereld. De stad en de admiraliteit van Amsterdam waren, vanwege de bescherming van de handel, grote voorstanders van een sterke staande vloot, ook in vredestijd. Om die vloot optimaal te kunnen inzetten was ook een moderne walorganisatie nodig. Daarom werd in dezelfde tijd besloten een grote vlootbasis te bouwen aan het IJ. Een groot deel van het net aangeplempte eiland Kattenburg werd bestemd voor de marine.

Behalve een uitgebreid werfterrein, waar verscheidene oorlogsschepen tegelijk konden worden gebouwd en uitgerust, kwam er een enorm Zeemagazijn. Hier werden zeilen, touwwerk, wapens, vaten en metalen onderdelen van schepen opgeslagen. Ook was er ruimte voor het slachten en inzouten van varkens en koeien. Bij de bouw had stadsbouwmeester Daniel Stalpaert rekening gehouden met de behoefte aan goed drinkwater. In ondergrondse bassins werd regenwater opgevangen dat met pompen in houten watertonnen kon worden overgeheveld. Bijzonder is dat dit complex na 350 jaar nog altijd een maritieme bestemming heeft: de Koninklijke Marine is nog steeds gevestigd op het voormalige werfterrein, en het Zeemagazijn is tegenwoordig het Nederlands Scheepvaartmuseum.

In dit museum hangt nu dus het schilderij van Backhuysen dat het begin van de bewapeningswedloop en de Amsterdamse rol erin zo mooi in beeld brengt. Backhuysen moet dit werk omstreeks 1660 hebben gemaakt voor iemand uit Amsterdamse marinekringen. Wellicht was het een opdracht van een van de kapiteins van de Vrijheid, misschien wel de latere vice-admiraal Abraham van der Hulst, of van een hoge functionaris van de admiraliteit. Helemaal links is het Zeemagazijn te onderscheiden, toen nog hooguit een paar jaar oud.

 Geschiedenis Magazine

De hoofdrol op dit getekende penschilderij is weggelegd voor de Vrijheid, links van het midden afgebeeld aan bakboordszijde. Op de spiegel staat een vrouwenfiguur met in haar hand een lange staf met daarop een hoed: de allegorische voorstelling van de vrijheid. Hoe een soortgelijk fregat er van voren uitziet, laat Backhuysen zien aan de rechterkant van het paneel. Het drukke gewoel aan dek van een schip dat bezig is het anker te lichten, bood de kunstenaar de kans om zijn virtuositeit als tekenaar te bewijzen.

De Vrijheid is op dit schilderij het symbool van de militaire macht van de Republiek en van Amsterdam in het bijzonder. Toen Backhuysen de opdracht kreeg het schip te vereeuwigen, had het al een bijzondere carrière achter de rug, als kortstondig admiraalsschip in 1653 en als voorbeeld voor de ‘standaardfregatten’ van de vernieuwde oorlogsvloot. Maar er lag nog een langere loopbaan in het verschiet, een uitzonderlijk lange zelfs. In de Tweede Engelse Oorlog was de Vrijheid present bij grote zeeslagen zoals die bij Lowestoft in 1665, en de Vierdaagse Zeeslag, een jaar later. In 1676 nam de Vrijheid deel aan de laatste expeditie van Michiel de Ruyter naar de Middellandse Zee. Het vocht op 22 april van dat jaar mee in de zeeslag bij de Etna, waarbij De Ruyter het leven liet. Op 1 juni, 25 jaar na de stapelloop, kwam er een definitief einde aan de actieve dienst, en wel op een nogal onnozele manier. Tijdens een gevecht met Franse schepen voor Palermo kwam de Vrijheid in aanvaring met de Steenbergen, die brandend ronddreef. Ook de Vrijheid vlatte vlam. Een ontploffing in de kruitkamer volgde en de Vrijheid zonk kort daarop naar de bodem van de Tyrrheense Zee. De wrakstukken moet er nog liggen.

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel: Geschiedenis Magazine
Jaargang: 2006
Nummer: 2
Uitgever: Virtùmedia

Meer weten

Tijdschriften: