Tijdperk van de pijn

Een kenmerk voor de moderne tijd is, althans in het Westen, het terugdringen van fysieke pijn. Verbeterde anesthesie maakte pijnloze chirurgie mogelijk. Op politiek niveau werden folteringen en lijfstraffen afgeschaft. Toch werd de beleving van pijn juist sterker. In de 19de eeuw kwam de opvatting op dat naarmate de mens beschaafder werd hij gevoeliger werd voor pijn. Pijn was overal. Wie daar het meest aan leed werd als de meest beschaafde mens beschouwd.

Amanda Kluveld

[caption id="attachment_47352" align="alignnone" width="376" caption="‘Na het bad’, schilderij van Edgar Degas (ca 1896). Philadelphia Museum of Art. (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine)[/caption]

In de Boston Public Garden is het in 1866 opgerichte Ether Monument te bewonderen. Het beeld is meer dan twaalf meter hoog. Op de top staat de Barmhartige Samaritaan die de wonden van een lijdende man verzorgt. De sokkel wordt gesierd door afbeeldingen van de Engel der Barmhartigheid, het interieur van een veldhospitaal, een operatie en de allegorische figuur van de triomf van de wetenschap. Er is een inscriptie aangebracht, ontleend aan het Boek der Openbaringen: ‘Neither shall there be any more pain.’ Het Ether Monument is het enige beeld in het park dat aan een gebeurtenis is gewijd en niet aan een persoon. Het voorval ter ere waarvan het monument is opgericht vond plaats in 1846. In het Massachusetts General Hospital werd toen ten overstaan van een zaal gevuld met vooraanstaande medici de eerste volledig pijnloze operatie met ether als anesthesie uitgevoerd.

[caption id="attachment_47353" align="alignnone" width="329" caption="Inscriptie op het Ether Monument in Boston. Foto Marja Roholl. (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine)[/caption]

Het nieuws over de anesthesie verspreidde zich razendsnel over de Verenigde Staten en Europa. De kranten kopten triomfantelijk ‘Wij hebben de pijn overwonnen’ en dat bericht was zeer welkom. Lichamelijke pijn werd destijds als een van de belangrijkste individuele en maatschappelijke problemen beschouwd, een ontwikkeling die in de loop van de 18de eeuw in gang was gezet. Voor een deel hing deze samen met een bezinning op nieuwe ontdekkingen in de zich snel ontwikkelende en professionaliserende medische wetenschappen. Daarnaast was er sprake van een toenemende neiging tot zelfreflectie, waarbij de aanname centraal stond dat zowel het persoonlijk als het maatschappelijk leven daadkrachtig in eigen hand moest worden genomen. Door de veranderende verhouding tussen het christendom en de wetenschap werd het steeds minder vanzelfsprekend dat het aardse leed in het hiernamaals zou worden vergoed. Sterker nog, pijn en lijden leken eerder in te gaan tegen de wil van een liefdevolle God en lichamelijke leed werd steeds vaker gezien als een kwaad dat men vreesde en waar men van griezelde.

Pijnvorsers

Dat was nog niet alles. De hoeveelheid pijn in de wereld leek volgens sommigen zelfs toe te nemen. Zo meende de Amerikaanse filosoof Charles Peirce (1839-1914) dat de tijd waarin hij leefde gekenmerkt werd door een groeiende nervositeit, sociale ellende en gevoeligheid voor lichamelijk lijden. Hij sprak in dit verband over de 19de eeuw als ‘the age of pain’. Peirce sprak niet alleen over de eeuw waarin hij geboren was maar ook over zijn eigen leven. Hij leed aan een nerveuze aandoening en aangezichtspijn. Om deze kwalen te verlichten gebruikte hij een scala aan verdovende middelen. Zoals veel intellectuele tijdgenoten was hij verslaafd aan ether, morfine, opium en cocaïne.

[caption id="attachment_47354" align="alignnone" width="376" caption="Door het toebrengen van stroomstoten probeerde de Franse medicus Duchenne de Boulogne halverwege de 19de eeuw gelaatsuitdrukkingen teweeg te brengen bij iemand wiens gezicht gevoelloos was geworden. (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine)[/caption]

De Amerikaanse medicus Weir Mitchell (1829-1914) deelde Peirce’s visie op het tijdperk van de pijn. In 1892 gaf Mitchell een verklaring voor de toename van het leed in de wereld. Hij stelde dat de pijn die zijn 19de-eeuwse tijdgenoten voelden vele malen groter was dan de pijn die de oermens had ervaren. Volgens Mitchell was dit alles het product van een beschavingsproces. Hoe beschaafder de mens, hoe groter zijn gevoeligheid voor pijn. Deze visie maakte deel uit van een omvangrijk 19de-eeuws vertoog waarin de mate waarin men gevoelig was voor fysieke pijn, fungeerde als een manier om een scherp onderscheid te maken tussen normaal en abnormaal, beschaafd en onbeschaafd, blank en gekleurd, menselijk en dierlijk. Aangenomen werd dat inzicht in de pijngevoeligheid bij mensen en dieren, inzicht gaf in de mentale evolutie van de mens.

In de lijn van de in de 18de eeuw opgekomen belangstelling voor de werking van de zintuigen en het gevoel werd er in de 19de eeuw nogal wat onderzoek verricht naar pijngevoeligheid en uitingen van pijn. De pijnvorsers die onderzoek deden naar gezichtsuitdrukkingen, seksualiteit en criminaliteit leverden aan het onderzoek van deze geleerden een eigen bijdrage en pasten daarbij de modernste technieken toe. Zo maakte de Franse medicus Duchenne de Boulogne in 1862 gebruik van fotografie voor zijn boek over de menselijke gezichtsuitdrukking Méchanisme de la Physionomie Humaine ou Analyse électro-physiologique de l’expression des Passions en zijn Album De Photographies Pathologiques. Hij rekruteerde mensen uit een armenhuis die hij onderwierp aan proeven met elektriciteit. Hij wilde weten wat er gebeurde met het gezicht van iemand als hij pijn leed. Van zijn proeven liet Duchenne foto’s nemen door de in die tijd beroemde fotograaf Adrien Tournachon. Een bekende foto die Duchenne liet maken is die van een oude man van wie bekend was dat hij geen gevoel meer in zijn gezicht had. Duchenne bracht elektroden op het gezicht van de man aan en probeerde door het toebrengen van stroom op de gelaatsspieren van de man, de gezichtsuitdrukking die hoorde bij angst (voor marteling), blijdschap, verdriet en andere menselijke emoties te vangen. Hij hoopte uiteindelijk aan te tonen dat gezichtsuitdrukkingen universeel in plaats van individueel waren. Darwin zou later gebruik maken van Duchennes werk voor zijn studie over menselijke en dierlijke emoties, The expressions of the emotions in man and animals (1872).

Criminelen en wilden

Pijn werd gezien als een belangrijke sleutel tot de vraag wie wij zijn, waar wij vandaan komen en hoe de mensheid zich zal ontwikkelen. De Italiaanse fysioloog Paolo Mantegazza was daarom geïnteresseerd in de meting van pijngevoeligheid. Hij probeerde een algometer uit te vinden, een instrument waardoor je alle pijn zou kunnen meten die een individu in de verschillende delen van zijn lichaam kon voelen. Hij beweerde dat dit idee werd overgenomen door zijn grote tegenstander Cesare Lombroso die een algometer ontwikkelde. Met het apparaat werden elektrische schokken aan proefpersonen gegeven en Lombroso meende dat hij van het apparaat kon aflezen hoeveel pijn er geleden werd. Mantegazza was het niet met hem eens. Hij vond de onderzoeken van Lombroso niet verfijnd genoeg om werkelijk de pijnervaring te kunnen vastleggen.

Bij andere collega’s wekten Lombroso’s onderzoeken naar pijngevoeligheid wel veel enthousiasme op. Vooral zijn conclusie dat criminelen veel minder pijn voelden dan normale mensen en dat zij in dat opzicht met de als dierlijk en achterlijk beschouwde zwarten en indianen vergeleken konden worden, werd goed ontvangen. Lombrose stelde dat ‘wilden’ tijdens hun riten martelingen konden verdragen die een beschaafde blanke man nooit zou kunnen doorstaan. Dat criminelen even ongevoelig voor pijn waren als de wilden leidde Lombroso af uit het feit dat zij evenals primitieve volkeren tatoeages lieten aanbrengen en daar geen last van hadden. Tijdgenoot en seksuoloog Havelock Ellis volgde hem in die redenering. Tekenend voor de gebrekkige gevoeligheid voor pijn van criminelen vond Havelock Ellis het gegeven dat misdadigers zich zelfs op de zo gevoelige geslachtsorganen lieten tatoeëren. Behalve met de leden van de zogenaamde lagere rassen vergeleek Havelock Ellis criminelen met idioten. Hij verwees daarbij naar een andere onderzoeker, die had geconstateerd dat idioten pijn vooral als een welkome verrassing ervoeren.

Mantegazza kwam tot ongeveer dezelfde conclusie als zijn tijdgenoten. Volgens hem werd er meer pijn gevoeld door mensen met een grote gevoeligheid en een hoog intellect, mensen van voorname afkomst, mensen met een hoge beschaving, vrouwen, jongeren en door mensen die te veel koffie dronken. Minder pijn werd gevoeld door mensen met een afgestompt gevoel, een lage beschaving en een klein verstand, kinderen en oude mensen en door mensen die in een koud klimaat woonden. ‘Indien het waar is, dat het Arabisch vierhonderd woorden heeft welke de een meer, de ander minder een pijnlijke toestand omschrijven, dan telt onze taal er heel wat minder. Toch lijden wij aan vele pijnen, die de Arabieren onbekend zijn gebleven, omdat ze heden ten dage minder beschaafd zijn dan wij.’

Criminelen, zogenaamde lagere rassen en krankzinnigen hoorden volgens de meeste denkers tot een lagere trap in de evolutie. Bij de criminelen was sprake van een terugval in gedrag dat bij een lager evolutionair stadium hoorde, een zogenoemd atavisme. Bij de zwarten en indianen ging het om mensen die nog moesten evolueren en zich in het kinderstadium van de mensheid bevonden. Deze manier van denken was wijdverbreid. Zo werd de ongevoeligheid voor pijn van slaven in Amerika in vele geschriften uiteengezet en verklaard. Volgens medicus Samuel Cartwright leden de slaven die volgens hem niets of nauwelijks iets merkten van de fysieke straffen die hen werd opgelegd, aan de onder zwarten erfelijke ziekte dysaethesia aethiopica. Cartwright ‘ontdekte’ nog een andere ziekte die onder slaven heerste, drapetomania, met als belangrijkste symptoom de oncontroleerbare neiging om weg te lopen van hun meesters. De beste behandeling voor deze ziekte was het toebrengen van pijn oftewel ‘whipping the devil out of them’, zoals hij het beeldend beschreef.

Gevoeligheid voor pijn

Dat fysiologen onderscheid maakten tussen mensen van verschillende rassen, sekse, opleiding en maatschappelijke positie had grote gevolgen voor het gebruik van anesthesie tijdens operaties. Na de demonstratie 1846 verspreidde het gebruik van anesthesie zich in vergelijking tot andere medische ontdekkingen, bijzonder snel over de Verenigde Staten en Europa. Toch kreeg niet iedereen die een operatie moest ondergaan anesthesie. Chirurgen keken naar de soort patiënt die zij moesten opereren en bepaalden vervolgens of deze anesthesie nodig had.

[caption id="attachment_47355" align="alignnone" width="376" caption="Een operatie aan het eind van de 19de eeuw. De patiënt krijgt als verdoving een gaasje met chloroform voor de mond en neus gehouden. Sinds het midden van de 19de eeuw had chloroform ether vervangen als verdovingsmiddel. (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine) [/caption]

Dat had soms dramatische consequenties. In de Verenigde Staten werd de arbeider en immigrant McGonical niet verdoofd nadat bij hem door een ongelukkige val in dronkenschap een voet moest worden geamputeerd. Twee dagen na de operatie stierf hij aan een shock. Het was dan zestien jaar na de ontdekking van de anesthesie.

Meestal kregen vrouwen wel anesthesie. Zij waren volgens de toen gangbare opvattingen bijzonder gevoelig voor pijn, al meende men dat dit niet opging voor vrouwen uit de lagere klassen of van een ander ras. Kinderen werden wat betreft gevoeligheid voor pijn aan vrouwen gelijkgesteld, al werd over baby’s weer gedacht dat die in het geheel geen pijn konden voelen. Interessant genoeg werden mensen van gemengd ras, de zogenoemde mulatten, gelijkgesteld aan kinderen en vrouwen. Zij zouden juist weer overgevoelig zijn voor pijn omdat zij verwijfd waren. Dit weer in tegenstelling tot oude mensen, die minder pijn zouden voelen. Omdat de dood een staat was waarin men niets meer voelde, ging men ervan uit dat mensen die het levenseinde naderen, steeds minder voelen. Mantegazza dacht daar anders over. Hij meende dat de mens naarmate hij ouder werd, beter pijn kon verdragen maar constateerde tegelijkertijd dat de pijnen en lasten bij het afdalen van de levenstrap toenamen.

‘Vaak wordt de hele existentie een losgetornd kleed gelijk, waarin de pijnen elkaar opvolgen, de ene al heviger dan de andere, en welke slechts van vorm verschillen. Als in de laatste levensperiodes, bij de vervlogen illusies, bij de onvatbaarheid voor genot, de verveling zich voegt en de gebreken van de ouderdom komen, dan kan alles in pijn verkeren.’

[caption id="attachment_47356" align="alignleft" width="202" caption="Volgens onderzoeker Cesare Lombroso waren criminelen, net als ‘wilden’ en zwarten, minder gevoelig voor pijn, waardoor zij de pijn bij het aanbrengen van tatoeages beter konden doorstaan. Foto van een anonieme man uit ca 1920. (Bron: Geschiedenis Magazine)"] Geschiedenis Magazine)[/caption]

Overgevoeligheid voor pijn werd in de 19de eeuw, net als ongevoeligheid, gezien als een teken dat er iets mis was met iemand. Het werd gekoppeld aan decadentie, verwijfdheid, rasonzuiverheid (zoals bij de mulatten) en degeneratie. In The Fall of the House of Usher (1839), een verhaal van de Amerikaanse schrijver Edgar Allen Poe, representeren de beide hoofdpersonen Roderick en zijn tweelingzuster Madeline, de laatste telgen van de eens zo gerespecteerde familie Usher. Allebei lijden zij aan een vreemde ziekte die door inteelt en degeneratie wordt veroorzaakt. Roderick lijdt aan een ‘morbide acuteness of the senses’ terwijl Madelines ziekte bestaat uit apathie en het verlies van bewustzijn en gevoel waardoor haar lichaam een ‘deathlike rigidity’ krijgt.

Beschavingsproces

Een belangrijk onderdeel van de discussie over gevoeligheid voor pijn in de 19de eeuw was de vraag of bepaalde mensen geen pijn voelden of dat ze beter waren in het verdragen van pijn. Die vraag leverde nogal wat problemen op omdat pijn kunnen verdragen, zoals nu nog altijd het geval is, ook als een te prijzen karaktereigenschap en teken van viriliteit werd beschouwd als het om mannen ging. In de Verenigde Staten pochten zakenmannen dat Amerikanen veel beter waren in het verdragen van de pijn die gepaard ging met allerlei industriële rampen, ontploffingen van stoommachines en ongelukken met treinen en fabrieken. Amerikanen presenteerden zichzelf als robuuster en stoerder dan Europeanen en waren van mening dat het harde pioniersleven in het westen, een fysieke en karakterologische verandering in hen had bewerkstelligd die hen in staat stelde meer pijn te verdragen. Dit zou hen uiteindelijk helpen om de decadent gevoelige Europeanen op ieder gebied, maar vooral in economisch opzicht, te verslaan. Indianen werden door veel Amerikaanse schrijvers en denkers onder wie Thomas Jefferson en Walt Whitman, beschreven als een volk dat veel pijn kon verdragen. Zij reageerden daarmee op de 18de-eeuwse Franse natuurvorser Georges Buffon die eens had beweerd dat de fauna van Amerika gedegenereerd was.

Voorstanders van de slavernij typeerden slaven als ongevoelig voor pijn terwijl tegenstanders zoals de schrijfster van Uncle Tom’s Cabin, Harriet Beecher Stowe, van mening waren dat slaven pijn juist lijdzaam verdroegen uit een soort christelijke dapperheid en vertrouwen in God. In feite vergeleek men daarmee de zwarten met blanke vrouwen, bij wie het goed kunnen verdragen van veel pijn werd gezien als een teken van hoog ontwikkelde spiritualiteit, zoals het bij mannen een teken van viriliteit was. Beecher Stowe probeerde de christelijke wereld ervan te overtuigen dat slaven medechristenen en menselijk waren en daarom compassie en vrijheid verdienden. Dit alles door te wijzen op de manier waarop ze pijn voelden en verdroegen.

De 19de eeuw is de tijd waarin de opvatting dat de mensheid steeds beschaafder en gevoeliger werd, werd gekoppeld aan de steeds problematischer wordende houding ten opzichte van pijn. Een goed voorbeeld is de eerder genoemde Amerikaanse neurofysioloog Weir Mitchell, die in 1892 constateerde dat het beschavingsproces er weliswaar voor had gezorgd dat de mens folteringen had afgeschaft, maar dat deze humanisering er tevens voor had gezorgd dat het vermogen om te lijden was toegenomen.

Zijn wij sinds de 19de eeuw daadwerkelijk minder goed in staat om lichamelijke pijn te verdragen dan hun voorouders in vroegere tijdperken? Een dergelijke stelling valt te bewijzen noch te ontkrachten. Wel is aantoonbaar dat pijn nog altijd op een bepaalde manier een rol speelt bij het beoordelen van anderen en onszelf. Pijn maakt ons menselijk. Zij maakt deel uit van de manier waarop wij onszelf definiëren en van hoe wij onze moraal vormgeven. De wijze waarop dit gebeurt en de manier waarop wij die omgang met pijn beoordelen is tijdgebonden. Dat wij ons tot de pijn van onszelf en van anderen (waaronder ook dieren) moeten verhouden, is en blijft universeel menselijk.

Amanda Kluveld is cultuurhistorica, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Dit artikel is afkomstig uit:

Titel: Geschiedenis Magazine
Jaargang: 2008
Nummer: 4
Uitgever: Virtùmedia

 

 

 

 

 

Verder lezen

Dit artikel is gebaseerd op een hoofdstuk uit Pijn van Amanda Kluveld.

 

Pijn. De terugkeer naar het paradijs en de wens er weer uit te ontsnappen

(Amsterdam 2007) Arbeiderspers, 223 blz, € 17,95.

Meer weten

Tijdschriften: