Blog: Nachten in Vlaanderen (1919)

Op de elfde dag van de maand november staat de wereld traditiegetrouw stil bij het einde van de Eerste Wereldoorlog, een oorlog die algemeen bekend staat als ‘de literaire oorlog’. Inderdaad, je hoeft niet in het vak te zitten om al eens gehoord te hebben van war poetry.

Tom Deneire, Huygens ING

Wat weten we eigenlijk echt van die oorlogsgedichten? Bitter weinig, zo stel je vast, hooguit een paar clichés. We vergeten bijvoorbeeld wel eens dat niet alleen Engelsen oorlogspoëzie schreven. Die bestaat namelijk in zo wat alle Europese talen; zelfs in die oertaal van Europa, het Latijn. Daar lees je echter al helemaal niets over, terwijl er meer dan zestig Latijnse oorlogsdichters zijn geweest. Het gaat daarbij niet alleen om pastoors, stoffige classici of in lederen fauteuils gezeten intellectuelen die thuis wat Latijnse versjes pleegden. Er bestaan ook Latijnse war poets, kerels die met het lijf in het slijk geplant in de taal van Vergilius gedicht hebben over de Grote Oorlog. De interessantste is ongetwijfeld de Engelse officier Joseph Alfred Bradney (1859-1933), die zijn Latijnse schrijfsels na de oorlog verzamelde in een allegaartje dat hij Noctes Flandricae of Nachten in Vlaanderen (1919) noemde, naar Noctes Atticae, het antieke boek miscellanea van Aulus Gellius.

De eerste van Bradney’s oorlogsgedichten is nog op Engelse bodem geschreven, in juni 1916. Daarin lijkt de dichter te beseffen dat het menens zal worden:

Hier geen lieve danseressen, hier geen meisjes. Niets, alleen maar oorlog en soldaten. (p. 16)

Wanneer Bradney dan op het vasteland aankomt, wellicht in juni 1917, maakt hij allereerst een paar Latijnse versvertalingen van gebeden (pp. 18-20). Pro gratia, voor vergiffenis, of pro pace, voor vrede – geen overbodige maatregelen dus. Bradney voelt zich kennelijk ook alleen, want in een gedicht van augustus 1917 schrijft hij vol zelfbeklag: 

Ik ben alleen. Geen verhalen beuren mij op van helden die met woeste moed ellende verdragen om het Vlaamse land gelukkig en vrij te maken. Alleen doe ik mijn plicht en alleen zal ik blijven tot het einde van de oorlog, tot er vrede is. (p. 22)

Een paar dagen later slaat de stemming echter om want Bradney krijgt tien dagen verlof. In plots luchtige verzen schrijft hij over het geluk dat hem bekruipt, als een jongen op de laatste schooldag, zegt hij zelf. Maar na een kort bezoek aan zijn vrouw en dochters is het mooie liedje uit. Terug naar de absurditeit van de oorlog. Later die maand krijgt Bradney op zijn eigen vraag een nieuwe opdracht, en die brengt hem naar het hellegat Ieper. Dat breekt hem al snel zuur op, want onderweg moet Bradney, die tot dan toe in het logistieke Labour Corps was ingedeeld en in een comfortabel huis sliep, voor het eerst overnachten in een uitgegraven bivak. In de bijtende koude en onder het waanzinnige kabaal van bommen vervloekt hij zichzelf en lezen we voor het eerst: Oh utinam essemus coniuncti foedere pacis! – Ach was er maar vrede! (p. 27).

Die vrede zou er komen, maar tegen een zware prijs voor Bradney. In het voorlaatste gedicht in Noctes Flandricae lezen we hoe op 24 maart 1918 zijn jongste zoon Walter sneuvelt. Aan flarden geblazen door een granaat die vol in zijn loopgraaf viel. Voor Bradney is het genoeg geweest. Met vlijmende ironie alludeert hij in zijn gedicht voor Walter aan de familieleuze Mors gloria forti – De dood is de roem van de dappere:

Wat een eer voor wie roemvol valt! Ons roert een diep gemis; mijn licht, het licht van ons huis, dat is niet meer. (p. 33)

Wat Bradney maanden eerder al in een juichend vredesgedicht schreef – het laatste van de bundel – klinkt nu pijnlijk ironisch:

Wat een vreugde bij het volk! Wat een vreugde bij rijk en arm! Niemand kan droevig zijn. Een liefhebbende echtgenote die haar geliefde man terugziet, een moeder die haar zoon heelhuids kan groeten. (p. 34)

Ooit ben ik Walters graf gaan zoeken. Je weet wel, zo’n sierlijk kalksteentje op een biljartlaken van gras. Pas na een half uur zoeken op het kleine militaire kerkhofje van Pozières besefte ik dat Walter niet eens een graf heeft. Natuurlijk niet. Zijn naam staat op één van de zijpanelen, want zijn lichaam – wat er van over bleef – ligt ergens in een massagraf. Of misschien gewoon nog in de aarde van Noord-Frankrijk, wie zal het zeggen.

<h3>Artikel afkomstig van</h3>
<p><a href="http://www.historici.nl/Nieuws/Actueel/blog_vlaanderen" target="_blank"><img class="alignleft size-thumbnail wp-image-41142" title="historici_logo" src="http://www.isgeschiedenis.nl/wp-content/uploads/2012/11/historici_logo1-... alt="" width="150" height="24" /></a></p>

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!