Aanspreker lijkbidder aanzegger lijker

De Aanspreker: de voorganger van de begrafenisondernemer

In oktober 2021, tijdens de Maand van de Geschiedenis, verdiept IsGeschiedenis zich in het thema ‘Aan het werk’. Sinds mensenheugenis oefenen we verschillende beroepen uit. In onze rubriek Verdwenen Beroepen besteden we aandacht aan historische beroepen die vroeger veel voorkwamen, maar in de huidige maatschappij niet meer beoefend worden. Vandaag: de aanspreker of lijkbidder, een beroep dat vanaf de middeleeuwen tot de Tweede Wereldoorlog in Nederland beoefend werd. Wat waren de werkzaamheden van dit lugubere beroep?

Wat hield het beroep van de aanspreker in?

Wanneer iemand tegenwoordig komt te overlijden, worden de familie en vrienden van de overledene binnen een mum van tijd op de hoogte gesteld, meestal via de telefoon of een rouwkaart. Vroeger was dat wel anders. Wanneer iemand kwam te overlijden, nam een familielid of buurtbewoner vaak de taak op zich om het droevige nieuws te vertellen aan de naasten, maar als dit niet mogelijk of niet gewenst was, werd de aanspreker ingeschakeld. Vooral in stedelijke gebieden werd deze professionele aanspreker ingeschakeld. Wie dit beroep uitoefende, had de taak om tegen betaling langs de deuren te gaan om andermans overlijden bekend te maken. Voor de opkomst van de telefoon, en daarvoor de rouwkaart of -brief, bestond er namelijk nog geen efficiëntere manier om dit te doen. De aanspreker werd niet overal in Nederland hetzelfde genoemd: andere namen voor het beroep waren aanzegger, begrafenisbidder, dodenroeper, dodenverklikker, doodbidder, groefbidder, kerkzegger, kraai, leedaanzegger, leedbidder, lijkbidder, lijker, noder ter begrafenis, omzegger en rouwzegger. ‘Aanspreker’ was nog de minst sombere benaming. Deze naam komt voort uit de gilden: de gildeknecht werd bij begrafenissen van leden van het gilde altijd de aanspreker genoemd, omdat hij voorop liep in de rouwstoet.

Werkzaamheden van de aanspreker

Zowel de benaming voor het beroep als de werkzaamheden en rituelen van de aanspreker verschilden per regio. In veel dorpen en steden was het ook de taak van de aanspreker om de naasten uit te nodigen voor de begrafenis. Dit werd ‘bidden’ of ‘nodigen’ genoemd, vandaar de namen ‘lijkbidder’ en ‘noder ter begrafenis’. Ook het organiseren van de uitvaart hoorde soms bij het takenpakket van de aanspreker. In dat opzicht is de aanspreker eigenlijk een voorloper van de begrafenisondernemer. Deze taken konden echter ook los worden verzorgd: vaak zorgde de buurt of het gilde waartoe de overledene behoorde al voor de begrafenis. Veel aansprekers waren lid van een aansprekersgilde of begrafenisvereniging. In Brabantse dorpen werd op de sterfdag van de persoon in kwestie door de buurt bepaald wie de werkzaamheden van de lijkbidder, zoals de aanspreker hier genoemd werd, zou uitvoeren. Er werden verschillende routes uitgestippeld langs adressen van familieleden en buurtbewoners, die gelopen werden door twee aangewezen personen. Vaak gaven jongeren zich vrijwillig op voor de klus, omdat ze dan een vrije dag kregen. Op de Veluwe bestond de traditie dat de aanspreker met een stok op de deur bonsde, zodat de bewoners van het huis naar buiten konden komen om het nieuws te ontvangen. Dit had te maken met het nieuws van de aanspreker: hij was een bode des doods, dus als hij binnen zou komen zou hij rampspoed over het huis kunnen brengen. Na het brengen van het nieuws mocht de aanspreker wel binnenkomen.

Aanspreker lijkbidder aanzegger lijkerAansprekers waren over het algemeen makkelijk te herkennen: ze gingen gekleed in het zwart en droegen een driekantige steek als hoofddeksel, waar meestal een lamfer, een rouwsluier, aan hing. Deze was eveneens zwart. Wanneer de aanspreker de dood van een ongehuwde persoon meldde, droeg hij witte handschoenen en was er een wit strikje bevestigd op de hoed.

Het Aansprekersoproer (1696)

Het beroep van aanspreker was een vrij beroep: iedereen mocht het in principe beoefenen. Vanaf de 17e eeuw werden echter steeds vaker aansprekers aangesteld die in dienst waren van de overheid. Veel vrije aansprekers werden verdrongen door officiële aansprekers. Deze nieuwe aansprekers kregen de taak om begraafceduls op te stellen, dit waren briefjes met daarop de naam van de overledene en de sterfdatum. Het aantal briefjes dat uitgedeeld werd, werd geteld en daarna belast. Ook voerde de overheid andere uitvaartbelastingen in, zoals het voeren van een wapenschild in de rouwstoet. Dit leidde door heel de Republiek tot ontevredenheid onder de vrije aansprekers. Naar aanleiding van de introductie van nieuwe belastingen en de verplichting om gebruik te maken van de diensten van officiële aansprekers in Amsterdam, barstte in 1696 het Aansprekersoproer uit. De schutters van Amsterdam werden bekogeld met stenen en het huis van de burgemeester, die de nieuwe wetten had ingevoerd, werd geplunderd. Uiteindelijk kwam de bevolking tot bedaren, maar van een goede afloop was geen sprake: een aantal opstandelingen werd opgehangen, geëxecuteerd of verbannen. 


Het beste van IsGeschiedenis in je inbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief! Helemaal niks missen? Volg ons op Facebook!


Overbodigheid van de aanspreker

Met de opkomst van de post kwam er een efficiënter alternatief voor het beroep van de aanspreker: de rouwbrief. Er was niet langer iemand nodig die stad en land afreisde om de dood van een naaste bekend te maken. Ook advertenties in de krant maakten dit overbodig. De uitvinding van de telefonie maakte het voor nabestaanden nog makkelijker om hun naasten op de hoogte te stellen van overlijdens. Na de Tweede Wereldoorlog verdween het beroep volledig.

Bronnen:

Afbeeldingen:

Ook interessant: 

Rubrieken: 

Landen: 

Bekijk het gehele programma van de Week van de Koloniale Geschiedenis met thema ‘Aan het Werk’.

Ontdek Geschiedenis Magazine!

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief. Het is gratis!

Lees Ons Amsterdam

Iedere maand meeslepende en prachtig geïllusteerde verhalen over de de geschiedenis van Amsterdam.

Meteen op de hoogte van de nieuwste historische verhalen!