De Boerenpartij

De lage kiesdrempel en het evenredig kiesstelsel nodigen ertoe uit: politieke partijen kunnen vrij gemakkelijk één of meer zetels in de Tweede Kamer bemachtigen. Die nieuwkomers zijn niet allemaal blijvertjes, sommige zijn niet meer dan eendagsvliegen, andere houden het langer uit. In de rubriek Debutanten op het Binnenhof verhalen Charlotte Brand en Anne Bos over nieuwe partijen die in het parlement voor beroering zorgden.

Koekoek op de barricaden

‘De heer Koekoek molt elke discussie. Hij schreeuwt, roept niets-ter-zakedoende kreten, gaat stelselmatig langs de kwesties heen. Beschuldigingen vliegen naar alle kanten. Er is sprake van een soort achtervolgingscomplex. De regering is niet betrouwbaar, de rechter niet, de kranten niet, de hele wereld niet, alleen de Boerenpartij wel.’1 Journalist Henry Faas bekeek de partij in zijn in 1967 verschenen boek als een gezwel, dat werd veroorzaakt door een ziekte ergens anders in het lichaam. De Boeren vertegenwoordigden het protest van de ‘kleine man’ die het allemaal niet meer kon volgen.

De Drentse veehouder Hendrik Koekoek richtte in 1946 de Landelijke Vereniging voor Bedrijfsvrijheid in de Landbouw op, beter bekend onder de naam Vrije Boeren. Vooral kleine boeren sloten zich aan. Na wat politieke omzwervingen – Koekoek werd lid van de conservatieve extreem-rechtse Nederlandse Oppositie – besloot hij zijn boerenbeweging in een politieke partij om te zetten. De Boerenpartij verzette zich vooral tegen de opgelegde regels van het Landbouwschap, een centralistisch semi-overheidsorgaan dat de collectieve belangen van de agrarische sector behartigde.

In 1959 haalde de Boerenpartij bij de Tweede Kamerverkiezingen de kiesdeler niet, maar in 1963 kwamen de boeren prompt met drie zetels in de Kamer. Dat was ongetwijfeld te danken aan Koekoeks optreden bij de rellen in zijn voormalige woonplaats Hollandscheveld. In maart 1963 werden drie gezinnen hun boerderij uitgezet omdat ze hadden geweigerd de verplichte heffingen aan het Landbouwschap te betalen.2 Boeren uit het hele land probeerden een ontruiming te voorkomen. De politie pakte groots uit met traangasgranaten en karabijnen. Koekoek leidde de opstand en werd daarmee in korte tijd ongekend populair.

Een anti-parlementariër

De BoerenpartijDe Boerenpartij was fel tegen overheidsbemoeienis met de landbouw en richtte zich vooral tegen de invloed van het Landbouwschap. Het lag dan ook in de verwachting dat de partij zich in de Kamer vooral zou laten horen bij de behandeling van landbouwzaken. Maar dat viel tegen. Partijleider Koekoek hield meestal onsamenhangende pleidooien die ergernis bij de overige partijen opriepen.

Bovendien presenteerde de voorman zichzelf dikwijls als een anti-parlementariër, getuige zijn uitspraak in de Kamer in maart 1966: ‘Onze minister van Landbouw heeft reeds enige weken lang (...) aangekondigd, dat, wanneer er moest worden gedebatteerd, de hiervoor aangewezen plaats de Kamer was. Ik had daar niet veel belangstelling voor. Ik heb er nooit veel waarde aan gehecht.’3 Het succes van de Boerenpartij lag in haar partijleider. Met simpele woorden, met de aanhef ‘wijvan de Boerenpartij’ en met zijn Drentse tongval wist Boer Koekoek zich gemakkelijk in een underdogpositie te manoeuvreren. Hij vond dat hij in de Kamer te weinig aan het woord kwam en ging fel tekeer tegen het Landbouwschap dat volgens hem ‘fascistisch en ondemocratisch’ was.

Koekoek en de zijnen waren meesters in het manipuleren en irriteren van politieke tegenstanders. In september 1966 ontstond in de Eerste Kamer het ‘koffiekamerincident’. In de plenaire vergadering had VVD’er Baas zijn medeleden erop gewezen dat het nieuwe BP-Kamerlid Adams nationaalsocialistische sympathieën had gehad. In de koffiekamer van de Eerste Kamer volgde daarop slaande ruzie. Een maand later ging Koekoek over de schreef door in de Tweede Kamer het VVD-lid Zegering Hadders voor de voeten te werpen dat hij één of meerdere piloten aan de vijand zou hebben verraden. Koekoek kon zijn beschuldigingen niet hard maken en kreeg een motie van afkeuring aan zijn broek, een parlementair unicum: een motie tegen een Kamerlid. De motie werd met 109 stemmen voor en 2 tegen (Koekoek en zijn medelid Voogd) aangenomen.

Op het hoogtepunt, tijdens het kabinet-De Jong (1967-1971), had de partij zeven zetels, daarna ging het door intern geruzie snel bergafwaarts. Een enkele keer trok Koekoek nog de aandacht. In 1974, ten tijde van het Kabinet-Den Uyl, stond hij met Vader Abraham op één in de hitparade met de carnavalskraker Den Uyl is in den olie. Daarnaast kwam hij nog negatief in het nieuws wegens het verwaarlozen van pony’s op zijn land. In 1981 deed de partij mee aan de verkiezingen onder de naam Rechtse Volkspartij (RVP) maar haalde geen zetel. Koekoek overleed in 1987, maar de Kamer wijdde geen herdenking aan hem en dat was heel ongebruikelijk.

<h3>Extra informatie</h3>
<p><em>[1] Henry Faas, God, Nederland en de franje. Necrologie van het Nederlandse partijwezen(Utrecht/Antwerpen 1967). </em><br /><em>[2] Hans Righart, De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict (2e druk; Amsterdam/ Antwerpen 1997) p. 47. </em><br /><em>[3] HTK 1965-1966, p. 1658.</em></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Artikel afkomstig van <a title="Centrum voor Parlementaire Geschiedenis" href="http://www.ru.nl/cpg/blogs-rubrieken/debutanten-binnenhof/koekoek-barric... target="_blank">Centrum voor Parlementaire Geschiedenis</a>.<em><br /></em></p>

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!