De Vrijzinnig-Democratische Bond

De lage kiesdrempel en het evenredig kiesstelsel nodigen ertoe uit: politieke partijen kunnen vrij gemakkelijk één of meer zetels in de Tweede Kamer bemachtigen. Die nieuwkomers zijn niet allemaal blijvertjes, sommige zijn niet meer dan eendagsvliegen, andere houden het langer uit. In de rubriek Debutanten op het Binnenhof verhalen Charlotte Brand en Anne Bos over nieuwe partijen die in het parlement voor beroering zorgden.

Een mislukte politieke doorbraak

De Vrijzinnig-Democratische Bond kan als D66 avant la lettre worden beschouwd, zeker waar het gaat om het programma en de ideologie van de partij. De VDB was een progressief liberale partij, waarin zowel liberalen als socialisten van diverse richtingen een thuishaven vonden. De partij had een brede aanhang van middenstanders, ambtenaren en boeren. Deze veelvormigheid was tegelijkertijd ook de makke van de partij en zorgde ervoor dat een duidelijk profiel ontbrak. Het leek dan ook dat deze politieke koorddans niet goed kon aflopen.1

In 1892 besloot een aantal progressieve liberalen uit de Liberale Unie te stappen. Zij richtten samen de Radicale Bond op en kozen Treub als voorman. In 1901 kwam het opnieuw tot een afsplitsing bij de Liberale Unie. Een minderheid van de leden vond dat herziening van de grondwet om algemeen kiesrecht in te voeren voorrang moest hebben boven andere hervormingen. De meerderheid van de unie kon zich hierin echter niet vinden. De afvallige leden besloten met de Radicale Bond de VDB op te richten.

Gelijke rechten voor vrouwen 

De VDB was in de Tweede Kamer een vrij kleine partij met variërende zetelaantallen van vijf tot elf. De partij vond dat burgers meer zeggenschap moesten krijgen. Belangrijk speerpunt was het verkrijgen van gelijke rechten voor en emancipatie van vrouwen. Vandaar dat een kwart van het ledenbestand uit vrouwen bestond. De VDB was daarnaast pleitbezorger van uitbreiding van sociale voorzieningen. Ook stond de VDB op de bres voor invoering van het referendum en afschaffing van de Eerste Kamer. In 1905 trad de partij toe tot het liberale kabinet-De Meester (1905-1908). Ook voor het kabinet-Cort van der Linden (1913-1917) leverden de vrijzinnigen bewindspersonen. In december 1914 verliet Treub de partij, omdat zijn eigen fractie tegen een door hem ingediend wetsontwerp had gestemd. In zijn kielzog vertrok ook minister van Koloniën Pleyte.

Na ietwat rustige en meer intellectuele leiders als rechtsgeleerde Drucker en onderwijsspecialist Bos, werd in 1916 de felle Marchant partijleider. Hoewel de VDB in het gehele interbellum redelijk klein bleef, werd in 1919 door een initiatiefvoorstel van de partij het vrouwenkiesrecht ingevoerd. In het tweede kabinet-Colijn (1933-1935) speelde de VDB een belangrijke rol in de crisistijd door de minister van Financiën, Oud, te leveren. Ook Marchant had zitting in dit kabinet, hij was minister van Onderwijs, maar moest opstappen toen zijn heimelijke overstap naar het katholicisme uitkwam. Al eerder waren in de partij bezwaren tegen Marchant gerezen. Zo had hij als bezuiniging voorgesteld een groot aantal kleine openbare scholen te sluiten. Bijzondere scholen zouden daardoor de dans ontspringen. Oud volgde Marchant op. Bij de staten- en raadsverkiezingen van 1935 leed de VDB ten gevolge van de onrust in de partij grote verliezen. Daarna herstelde de partij zich en profileerde zij zich als verdediger van de democratische rechtstaat.

Doorbraak als ideaal

In 1941 ontbond de bezetter de politieke partijen. Veel leden van de VDB werden in de Nederlandsche Unie actief. Hoewel er later veel kritiek op dit initiatief kwam – er werd gepoogd samen met de Duitsers een nieuwe samenleving op te bouwen – leek het op dat moment de enige legale manier om invloed uit te oefenen. Ook in het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel speelden VDB-leden als Schermerhorn een belangrijke rol. Daar ontstond ook de doorbraakgedachte: de geloofsovertuiging moest in de politiek niet langer bepalend zijn, het ideaal was één progressieve partij waarin verschillende confessies verenigd waren.

Na de oorlog vormde de VDB met de SDAP de PvdA. De VDB’ers dachten zo een doorbraak te kunnen forceren. De PvdA profileerde zich, door de grote concurrentie van de CPN, echter steeds meer als een sociaal- democratische partij. De progressief-liberale standpunten kregen geen prominente plaats. Een groot aantal vrijzinnig-democraten besloot onder leiding van Oud de PvdA de rug toe te keren en samen met de liberalen in de VVD op te gaan. Maar ook in deze partij herkenden de progressief-liberalen zich niet altijd. In de jaren vijftig werd tevergeefs geprobeerd een hernieuwde VDB op te richten. Pas in 1966 kwam er met D’66 een opvolger van deze partij.

[1] Meine Henk Klijnsma, Om de democratie. De geschiedenis van de Vrijzinnig- Democratische Bond 1901-1946, Amsterdam: Bert Bakker, 2008.

Extra informatie

Artikel afkomstig van Centrum voor Parlementaire Geschiedenis.

Rubrieken: 

Landen: 

Ontdek Geschiedenis Magazine!

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief. Het is gratis!

Iedere maand meeslepende en prachtig geïllusteerde verhalen over de de geschiedenis van Amsterdam.

Meteen op de hoogte van de nieuwste historische verhalen!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeaus!