Katharen van Béziers

Béziers 1209- “De onzen ontzagen niemand; ongeacht rang, geslacht of leeftijd brachten we ongeveer twintigduizend mensen om met het zwaard; na een enorme slachting van de vijanden is de heel stad geplunderd en verbrand”, vermeldt Alnaud-Almalric, een cisterciënzer monnik die als pauselijk legaat verantwoordelijk was voor de Albigenzische Kruistochten. Vandaag, in 1209 werden twintigduizend personen vermoord door kruisvaarders in de strijd tegen de katharen, ook wel Albigenzen genoemd, in Béziers.

In de twaalfde eeuw kwam in de Languedoc in Frankrijk een spirituele stroming op: de stroming van de Katharen. De katharen beschouwden zichzelf als de ware christelijke Kerk met Jezus in het centrum. De katharen interpreteerden de Bijbelverhalen op hun eigen manier, ze geloofden dat Satan almachtig was op aarde en dat enkel de spirituele bezieling van de Heilige Geest tot verlossing leidde. Omdat zij iets anders geloofden dan wat de Rooms Katholieke kerk voorschreef, werden ze als ketters gezien door de Rooms-katholieke kerk en zodoende vervolgd door de Inquisitie.

Kruistocht tegen de katharen

Al vanaf 1145 probeerde de katholieke kerk de katharen te overtuigen van het ware geloof. Maar zonder succes. Toen de pauselijke gezant, Pierre de Castelnau, in 1208 werd vermoord in de Languedoc, was dat een mooie aanleiding voor paus Innocentius III om de katharen te beschuldigen van de moord en een kruistocht tegen de ketters af te kondigen. Een jaar later, in 1209 viel een leger van kruisvaarders de stad Béziers binnen.

Kruisvaarders voor de deur

Een groot kruisvaardersleger stond voor de poorten van Béziers. Vooraan in het kruisvaardersleger stond Arnaud-Amalric, de abt van het klooster van Citeaux. Hij eiste de uitlevering van de katharen. De trotse bevolking weigerde dit bevel echter. De onverschrokken bevolking opende de poorten van Béziers. Ze dachten de kruisvaarders de baas te kunnen blijven, maar niks was minder waar. Een slachting volgde.

Niemand werd ontzien

Arnaud-Almaric gaf opdracht om niemand te ontzien uit vrees dat sommige katharen zich zouden voordoen als goede kerkgangers. Volgens de overlevering van een andere cisterciënzer veertig jaar later zou Arnaud-Amalroc geroepen hebben: “Dood hen allen, God zal de zijne herkenen!” Die uitspraak zou de kerk sindsdien achtervolgen. Na drie dagen trokken de kruisvaarders verder in een missie de invloed en het bestaan van de katharen uit te roeien. Het bloedbad bij Béziers was één van de kernpunten in de strijd tegen de katharen.

Naar Carcasonne

Vanuit de stad trokken de kruisvaarders naar Carcasonne. De stad werd in de maand juli belegerd gedurende 40 dagen door het kruisleger. Door watergebrek moest de stad zich overgeven. Na de val van Carcassonne trokken de Katharen zich terug in afgelegen bergvestingen, die voor de kruisvaarders, minder goed te bereiken waren. De kruistocht duurde daarna nog ongeveer twintig jaar. Na de val van Montségur (1244) en Quéribus en Puilaurens (1255), was de Katharenbeweging haar grootste slagkracht kwijt.

 

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

De Barbaren geeft een schitterend overzicht van de voorouders van de hedendaagse Europeanen.