Cornelis de Witt in de Gevangenpoort

Een beladen proces. Het rampjaar 1672 trof niet alleen de republiek, maar ook de vooraanstaande regent Cornelis de Witt. In een proces werd hij beschuldigd van samenzwering en hoogverraad, waarna hij, samen met zijn broer Johan, werd gelyncht door prinsgezinde schutters en het grauw. De Nederlandse geschiedschrijving is altijd eensluidend geweest in haar oordeel over de onrechtmatigheid en onrechtvaardigheid van het proces. Maar zat er in de aanklachten niet toch een kern van waarheid?

Luc Panhuysen en Jori Zijlmans

Op 8 juli 1672 laat Willem Tichelaar, een barbier uit Piershil (Hoekse Waard), zich aandienen bij Cornelis de Witt. De Witt, op dat moment een van de belangrijkste staatslieden in de Nederlandse Republiek, is een maand eerder als gedeputeerde ter zee ernstig ziek teruggekeerd van ‘s lands vloot. Wanneer Tichelaar hem bezoekt, ligt hij nog op bed. De barbier spreekt De Witt aan in een van zijn andere hoedanigheden, namelijk die van ruwaard van Putten, hoofdofficier van justitie met jurisdictie over het gelijknamige eiland. Tichelaar heeft nog enkele lelijke boetes op zijn strafblad en verzoekt de ruwaard deze kwijt te schelden. Wat volgt is een gesprek dat zou leiden tot een proces dat de gemoederen in de Republiek tot het kookpunt verhitte en dat ook historici later niet onverschillig heeft gelaten. Het proces tegen Cornelis was immers de opmaat tot de beestachtige moord op de gebroeders De Witt: op dezelfde dag van het vonnis werden ze letterlijk aan stukken gesneden.

In het proces stonden twee versies tegenover elkaar. De Witt herinnerde zich later tegenover de rechters dat een ‘grote, blonde man’ in zijn kamer was verschenen van wie hij ‘later begreep dat die Tichelaar heette’. Deze figuur had geïnsinueerd dat hij het land meende te kunnen redden van de ondergang door de Prins te vermoorden. De ruwaard begreep onmiddellijk, zei hij, dat hiermee op ‘schelmstukken’ werd gedoeld. Omdat de bezoeker ondanks tegenwerpingen aandrong, had hij hem het deurgat gewezen. De barbier nam afscheid met het verzoek dat zijn woorden geheim zouden blijven, maar De Witt vertelde de rechters dat hij de stadsecretaris had ontboden, aan wie hij het bedenkelijke voorval overbracht. Tichelaar had een hele andere versie van het gesprek. Hij vertelde de rechters dat De Witt met het plan voor de moordaanslag was gekomen en hem een royale beloning in het vooruitzicht had gesteld.

De twee verklaringen sloten elkaar uit. De waarheid over de beraamde moord op Willem III is nooit boven water gehaald. Desalniettemin staat het proces te boek als een monument van onrechtmatigheid en onrechtvaardigheid. Zelfs contemporaine en latere tegenstanders van de gebroeders hebben het nooit aangedurfd De Witts rechters in bescherming te nemen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het proces nog altijd geldt als een pikzwarte bladzijde in de Nederlandse rechtsgeschiedenis. De rechters zouden de oren hebben laten hangen naar het bloedbeluste volk, waren ‘buigzaam als een riet’. Een nadere blik op de processtukken leert echter dat er heel wat op dit traditionele beeld van het proces-Cornelis de Witt valt af te dingen. Het bloedige einde van de gebroeders was onrechtvaardig en onrechtmatig, maar dat wil niet zeggen dat het proces dat ook was. Uit de verhoren komt duidelijk naar voren dat de rechters wel degelijk weerstand boden aan de enorme druk die het volk op hen uitoefende.

Scène met rechters uit de film ‘Het proces Cornelis de Witt’ die in Museum de Gevangenpoort wordt vertoond.

Rampjaar

De dramatische gebeurtenissen in en naast de Haagse Gevangenpoort vonden plaats in het Rampjaar, een uitzonderlijke periode van de Nederlandse geschiedenis. De Republiek was enkele maanden tevoren vanuit vier richtingen aangevallen. Ter zee bood Michiel de Ruyter, aanvankelijk met Cornelis naast zich als gedeputeerde, succesvol weerstand tegen de Engelse vloot. Op de andere fronten verliep de strijd catastrofaal. Lodewijk xiv was de IJssel overgestoken met een krijgsmacht van ongeëvenaarde omvang en onder de dekking van deze slagschaduw waren de legertjes van de bisschoppen van Münster en Keulen de oostgrens van de Republiek overgestoken. De razendsnelle opmars van de Zonnekoning veroorzaakte blinde paniek onder de burgers en gezagdragers. De militaire tegenstand was vrijwel geheel weggesmolten en bestond voornamelijk uit een mondjesmaat vollopende Waterlinie: Holland lag bijna geheel open. De bestaande gezagsstructuren begaven het, het regime van raadpensionaris Johan de Witt, dat later het eerste stadhouderloze bewind werd genoemd, was in deze kantelende situatie definitief aan het schuiven geraakt.

Johan en Cornelis voelden gedurende de maanden juni en juli de grond onder zich wegzakken. Enkele weken nadat Cornelis  ziek was teruggekeerd van de vloot, trachtten mannen zijn huis in Dordrecht binnen te dringen om hem te vermoorden. Op dezelfde dag, 21 juni, werd Johan door enkele gewapende jongelieden aangevallen. Johan, nog altijd raadpensionaris, had persoonlijk aangedrongen op spoed in de berechting van de enige gepakte dader, Jacob van der Graeff, zoon van een van de rechters van het Hof van Holland. Tegenstanders van het regime- De Witt en hartstochtelijke voorstanders van de prins van Oranje grepen het proces van de minderjarige Van der Graeff aan om hun vijand af te schilderen als een kille demon. Een week later reeds werd Jacob terechtgesteld, hetgeen tot opstootjes en blijken van intense verontwaardiging leidde.

Cornelis de Witt in 1670, twee jaar voor zijn dood. Portret door Jan de Baen. Museum de Gevangenpoort.

Op 29 juni ging het prinsgezinde volk van Dordrecht de straat op in protest tegen het Eeuwig Edict, dat alle magistraten van de Republiek met elkaar verbond in de uitsluiting van Willem III van het stadhouder- en kapitein-generaalschap. De Dordtse regenten waren geïntimideerd en stemden in met nietigverklaring, behalve Cornelis de Witt. Aan zijn ziekbed ontstond een veelbetekenende scène, waarin hij weigerde zijn handtekening te zetten. Het woedende volk stond al bijna in zijn huis en De Witts echtgenote, Maria van Berckel, smeekte hem te tekenen, nam haar beide kinderen bij de hand en zei dat dit moment anders het laatste zou zijn dat ze elkaar levend zouden zien. De Witt tekende, echter met toevoeging van de lettertjes v.c. – vi coactus, oftewel: onder dwang. Ook dit leidde weer tot tumult en uiteindelijk kraste Maria de lettertjes door. Vier dagen later trokken de Staten van Holland het Eeuwig  Edict in. Hiermee was een van de pijlers van het bewind-De Witt komen te vervallen. De dag daarop werd Willem III, prins van Oranje, tot stadhouder benoemd. Ruim een maand later diende Johan de Witt zijn ontslag in, maar in feite was hij de macht allang kwijt.

Naar de Kastelenij

Het was in deze vlottende verhoudingen dat Willem Tichelaar het moment koos voor zijn bezoek aan Cornelis de Witt. Hoe onzeker de tijden waren, bleek wel uit het gedrag van de barbier voordat hij De Witt aangaf. Naar eigen zeggen had de ruwaard hem een bedrag van 30 000 gulden én het baljuwschap van Beierland aangeboden indien hij de prins van Oranje wilde vermoorden. In dit gesprek, dat volgens hem zeker een uur had geduurd, had De Witt gezegd wraak te willen nemen omdat ze hem ‘het werk van de prins’ hadden laten tekenen en waren gif, de kogel en andere manieren de revue gepasseerd om het doel te bereiken. Bij hun afscheid zou De Witt hem geheimhouding hebben afgedwongen op straffe van een wisse dood.

Hoe dan ook, Tichelaar zwierf minstens vijf dagen rond tussen Dordrecht, Rotterdam, Schoonhoven en Gouda alvorens hij naar het legerkamp in Bodegraven ging, waar hij de hofmeester van de prins opzocht en een aanklacht tegen Cornelis de Witt indiende. Waarom had Tichelaar hiermee zo lang gewacht? Was hij bang zelf opgepakt te worden? Feit is dat indien De Witt Tichelaar had aangeklaagd, de barbier onderwerp van gerechtelijk onderzoek was geworden. Dan waren het de smetten op zijn reputatie geweest waarop de speurende blikken van de rechters hadden scherpgesteld. Veel hoop op een gunstige afloop kon hij daarom niet hebben. Maar toen hij na een week nog altijd niet was gearresteerd, zag hij een uitweg.

De prins werd direct in kennis gesteld, en de dag daarna, 14 juli, startte het Hof van Holland het vooronderzoek. Een dag later werd De Witt van zijn bed gelicht terwijl verder iedereen zich in de kerk bevond en werd hij overgebracht naar de Kastelenij op het Binnenhof. De Kastelenij was een complex waar het gerecht aanzienlijke personen opsloot in voorarrest. Hier deed De Witt zijn kant van het verhaal.

De traditionele weergave van het proces- Cornelis de Witt benadrukt dat Willem Tichelaar buitengewoon onbetrouwbaar was. Hij was reeds enkele malen veroordeeld door de schout van Piershil en had bovendien de hoofdrol gespeeld in een geruchtmakende aanrandingszaak. Een aanklacht uit de mond van zo’n sujet, gaat de gedachtegang, is per definitie verdacht. Waarschijnlijk is dit terecht. De woorden van lieden als Tichelaar zijn niet erg kredietwaardig. Maar historici zijn altijd voorbij gegaan aan het feit dat het verhaal van De Witt nóg minder krediet verdiende.

Op het moment dat Tichelaar De Witt bezocht, had Maria enkele vriendinnen op bezoek. Toen zij Tichelaar naar buiten zagen komen, wisten ze direct wie dat was. Als een paar gewone huisvrouwen hem al herkenden, mochten de rechters met reden verbaasd zijn dat een justitieel officier als de ruwaard van Putten beweerde de man niet van naam te kennen. Een van de eerste getuigen die ze opriepen, was de stadssecretaris van Dordrecht Arend Muys van Holy. Muys zei onder andere dat de verkrachtingszaak van Tichelaar door De Witt zelf was behandeld.

Tichelaar kortom was berucht, zijn naam wijd en zijd bekend. Een paar dagen later kwam de dienaar van de procureurgeneraal terug van een antecedentenonderzoek naar Tichelaar. Twee weken had hij over deze reis naar Piershil en omstreken gedaan en zijn bevindingen bevestigden Muys’ woorden. Deze bijdragen lieten de eerste verbazing reeds overhellen naar verdenking. De Witt moest, in tegenstelling tot wat hij voor de onderzoeksrechters had verklaard, zijn bezoeker wel degelijk direct hebben herkend. Het was deze ontkenning die hem uiteindelijk fataal zou worden. Anders dan tegenwoordig moest in de 17de eeuw iedere verdachte op de bijbel zweren de waarheid te spreken, ‘de solemnele eed, door het Hof van Holland afgenomen zijnde’. De Witt had deze eed geschonden, had dus meineed gepleegd.

Grote twijfel

Al in een vroeg stadium van het proces was de kiem van twijfel gezaaid en die schoot wortel. Want als De Witt Tichelaars dubieuze reputatie kende, werd het des te vreemder dat hij de man niet direct had laten oppakken. Het proces van de ruwaard werd gevolgd in de taveernes en op de markt, het werd meebeleefd in heel de Republiek. In de correspondentie van de gebroeders Van der Goes komt het veelvuldig voorbij, afgewisseld met ander ‘wereldnieuws’. Zij behoorden tot het regentenmilieu en waren net als Johan en Cornelis de Witt te Leiden opgeleide juristen. Adriaan van der Goes volgde het proces dus met het oog van een kenner. Hij is verwonderd,  schrijft hij zijn broer Willem, dat De Witt ‘de barbier niet heeft aangebracht of heeft doen vasthouden’. Dat de rechters ernaar vroegen, is dus niet verwonderlijk.

Als antwoord gaf De Witt dat Dordrecht ‘niet tot zijn jurisdictie behoorde’, dus buiten zijn competentie viel en dat Tichelaar daarom niet kon worden gearresteerd. In een geval als dit, een plan tot het vermoorden van de onlangs tot stadhouder benoemde prins, moet het de rechters buitengewoon slap in de oren hebben geklonken. Iedere burger en zeker een jurist als De Witt behoorde te weten dat hoogverraad zo’n kapitaal misdrijf was dat het onmiddellijk bij de officier van justitie moest worden aangegeven; De Witt had dit verzuimd en was daardoor medeplichtig.

De twijfel nam toe. Stadssecretaris Muys vertelde de rechters bijvoorbeeld ook dat hij inderdaad door de ruwaard was ontboden, maar deze had het bezoek van Tichelaar slechts terloops, als op de valreep ter sprake gebracht en beslist niet als de aanleiding tot zijn oproep. Er ontstond nu een merkwaardige situatie. Terwijl de geloofwaardigheid van het verweer van de ruwaard van Putten ernstige scheuren begon te vertonen, stonden de woorden van een onwaarschijnlijke aanklager als Willem Tichelaar nog allemaal recht overeind.

Cornelis de Witt weigert de herroeping van het Eeuwig Edict te ondertekenen. Schilderij door A.J. Lamme, 1913. Museum Mr. Simon van Gijn, Dordrecht.

 

Hoe kon dit? Kon een weldenkend persoon werkelijk geloven dat een intelligent man als Cornelis de Witt zich in zo’n heilloos avontuur zou storten? Adriaan van der Goes kon het zich in ieder geval niet voorstellen en schreef zijn broer op 12 augustus: ‘... het zou enorm onvoorzichtig zijn om zo’n persoon de prins te laten vermoorden.’ Waren de rechters dan toch partijdig? En: fabriceerden zij met alle verhoren en onderzoeken die nog volgden, niet gewoon een stok om de hond te slaan?

Het is onwaarschijnlijk dat een halfjaar eerder het proces een dergelijke wending had kunnen nemen. Klassejustitie was de normaalste zaak van de wereld; de rechters waren regenten en die waren doorgaans zeer terughoudend om het soortgenoten lastig te maken. Wanneer een regent al de schijn tegen zich had, was er altijd nog het trage verloop van de rechtsgang, zodat het niet zelden gebeurde dat wanneer een eventueel vonnis in zicht kwam, iedereen zijn interesse al had verloren.

Het proces tegen Cornelis de Witt was vooral uitzonderlijk doordat de klassejustitie haperde en door de snelheid waarmee de rechters te werk gingen. Het is de vraag of De Witt zich tijdig heeft gerealiseerd hoe bijzonder de situatie op dat moment was. Niet alleen was het bewind van zijn broer ten einde, ook de status van het proces zelf was uitzonderlijk. Prins Willem was immers net tot stadhouder verheven en daardoor betrof het een zaak van hoogverraad. Voor hoogverraad golden andere regels. Normaal had men om een regent vast te zetten de verklaringen nodig van twee geloofwaardige personen van onbesproken gedrag, maar bij hoogverraad gold dit niet. Aangifte van hoogverraad tegen het landsbelang moest door de raadsheren van het Hof van Holland altijd worden onderzocht, zelfs wanneer de melding afkomstig was van een onbetrouwbaar sujet als Tichelaar.

Bovendien had de prins zelf de zaak in handen van het Hof gegeven. Natuurlijk waren zij zich goed bewust van het feit dat het volk over hun schouder meekeek. Het gepeupel schuimde door de straten, dreigde bij herhaling de huizen van magistraten en sommige rechters te plunderen, zong kwaadaardige liedjes over de president van de rechtbank. Er was de rechters veel aan gelegen de zaak snel af te handelen. Dat doet echter niets  af aan het feit dat De Witt zelf de ingrediënten aandroeg voor zijn ongeloofwaardigheid.

De twijfel van de rechters aan De Witts verdediging was terecht en mogelijk oprecht. Op tal van kleine punten vroegen ze door, details die het noemen nauwelijks waard lijken zoals: had De Witt zelf of zijn vrouw de stadssecretaris gewaarschuwd? In het traditionele verhaal over het proces werden deze vragen neerwaarts afgerond en constateert men dat de rechters spijkers op laag water zochten. Maar wanneer de argwaan gegrond was, tekent zich tussen al die futiele details ineens een samenhang af: men zocht naar een motief. Wanneer het toch Maria van Berckel was die Muys liet ontbieden, was dit een aanwijzing. Een afgeleid bewijs voor de grote kwestie of De Witt de prins had kunnen willen laten vermoorden. De verhoren die in augustus in de Examineerkamer van de Gevangenpoort plaatsvonden spitsen zich iedere keer weer toe op het ogenblik dat hij het Eeuwig Edict weigerde af te zweren.

Tot tweemaal toe lieten de rechters Gijsbert Janz Hoochwerff komen, die aanwezig was aan De Witts bedrand. Hoochwerff was commandant van de schutterij en vooraanstaand prinsgezind burger, die bij de ruwaard aandrong met de ‘mortificatie’, de verklaring waarin het Edict werd afgezworen en waaronder nog slechts één magistraatshandtekening ontbrak. De rechters wilden precies weten welke woorden De Witt had gebruikt. ‘Breek mij liever de hals met uw geweer of rapier [= degen]’, had hij tegen Hoochwerff uitgeroepen. Nadat de commandant zei slechts een handtekening te verlangen, had de ruwaard naar invectieven gegrepen: ‘Roep dan enkele roffianen van de straat en laat die het doen, want ik kan niet tekenen.’ Roffianen, in dit woord beluisterden de rechters zoveel Oranjehaat en partijfanatisme dat ze erop door bleven vragen. Ook secretaris Muys, eveneens op dat moment bij De Witts bed present, had dit scheldwoord opgevangen. De rechters lieten De Witt weer uit de Ridderkamer komen. Zeker, had hij toegegeven, de woorden over het breken van zijn hals waren van hem. Maar ‘roffianen’ had hij nooit gebruikt. Weer stond het ene woord tegenover het andere.

Na de gewelddadige dood van Johan en Cornelis de Witt, sneden Haagse burgers lichaamsdelen van de lijken. Voor het nageslacht zijn de tong van Johan en de grote teen van Cornelis bewaard gebleven. Een Amsterdamse burgemeester had deze lichaamsdelen namelijk gedroogd, in zout geconserveerd en als relieken bewaard. Haags Historisch Museum.

Meineed

De Witt pleegde meineed, bekennen deed hij echter niet. Zolang de rechters geen bekentenis hadden, konden zij geen vonnis vellen – voor hoogverraad was dat de doodstraf. De knecht van De Witt was nu al tweemaal verhoord, de vriendinnen van Maria van Berckel hadden hun relaas gedaan, maar veel verder bracht het De Witt noch de rechters. Ondertussen bereikte het volk in en rond het Binnenhof een stemming die grensde aan razernij. Toch bleven de rechters moeite doen de zaak van twee kanten te bekijken. Jannetje Eeuwouds, het slachtoffer van Tichelaars aanranding en ontvoering, verscheen tegenover de rechters. Haar verhaal riep slechts nieuwe vragen op, zoals waarom de ruwaard van Putten de zaak nooit met een veroordeling had afgesloten.

Sinds De Witts eerste verhoor waren twee weken verstreken en steeds had hij voet bij stuk gehouden. Maar nog altijd was Tichelaars onwaarschijnlijke verhaal ongeschonden. Op 6 augustus raakte het proces in een nieuwe fase. De Witt werd van de Kastelenij op het Binnenhof overgebracht en vastgezet in de Ridderkamer van de Gevangenpoort op het Buitenhof; hemelsbreed nog geen kilometer, maar juridisch de diepe val van arrestant naar verdachte. Op aandringen van zijn broer Johan, kort daarvoor als raadpensionaris afgetreden, onderging Willem Tichelaar hetzelfde lot.

Zo belandde ook Willem Tichelaar in een luxe cel, vermoedelijk de Vrouwenkamer, in de Gevangenpoort. Alleen de tralies voor de ramen verraadden dat deze deftige kamers gevangeniscellen zijn; ze waren ruim, licht, hadden een open haard en de bewoners konden tegen betaling bij de cipier de beste wijn en het mooiste wildgebraad bestellen. Beiden werden verhoord, al liet men de barbier na één keer met rust. Toen het gerucht de ronde deed dat De Witt was gevlucht of vrijgelaten, meenden de rechters alleen aan vernielzucht en wraak te kunnen ontkomen door de gevangene voor het open raam aan het volk te tonen. Bij deze gelegenheid kregen ze veel scheldwoorden over zich heen. Het was inmiddels tot hen doorgedrongen dat De Witt waarschijnlijk nooit zou bekennen, terwijl een vonnis noodzakelijk begon te worden.

De enige mogelijkheid die de rechters nog zagen, was een ‘scherp examen’. Dat was hoogst ongebruikelijk. Hooggeplaatsten werden nooit aan tortuur onderworpen, in de regel werden zij op hun woord geloofd. Maar dit was een geval van hoogverraad waarin meineed was geconstateerd. Bovendien was het proces-Cornelis de Witt een publieke kwestie geworden die nauwelijks nog enig uitstel toestond. Persoonlijke motieven begonnen bij de rechters waarschijnlijk steeds sterker mee te spelen. Het publiek herinnerde zich maar al te goed dat zij alle zes zitting hadden gehad in het college dat de jeugdige Jacob van der Graeff ter dood had veroordeeld. De rechters moesten de bewijsvoering rond krijgen en grepen dus naar een extreem instrument, dat juridisch echter verdedigbaar was.

Het zwartboek van het ‘scherpe examen’ in de Pijnkelder is zoekgeraakt. Uit de  rekening van de beul Jan Christiaensen valt echter op te maken dat hij gebruik maakte van de paleij (katrol), de pijnbank, de zweep, de scheenklem, kortom niets onbeproefd heeft gelaten. De overlevering wil dat De Witt Horatius prevelde en dat hij heeft geroepen: ‘Scheurt mij maar aan stukken, je krijgt er toch niet uit wat er niet in zit.’ Na de urenlange behandeling was hij niet meer tot lopen in staat en moest hij naar zijn bed worden gedragen. De rechters hadden de regels tot het maximum opgerekt, maar ze waren er niets mee opgeschoten. De Witt daarentegen had een overwinning geboekt, want door de tortuur zonder bekentenis te doorstaan had hij het recht verworven op een ‘ordinaris’ procedure voor de Hoge Raad, waarin hij werd bijgestaan door een advocaat.

In de ochtend van 20 augustus volgde zijn vonnis, nadat Tichelaar was vrijgesproken. Cornelis de Witt werd van al zijn ‘digniteiten vervallen verklaard’, met onmiddellijke ingang levenslang uit Holland en West-Friesland verbannen, alsmede veroordeeld tot betaling van alle gemaakte proceskosten. Historici hebben veel kritiek geuit op dit vonnis en de onrechtmatigheid ervan onderstreept door erop te wijzen dat het Hof het niet eens motiveerde. Maar het Hof hoefde tijdens het ancien regime nog niet te motiveren en verbanning was voor meineed geen onbillijke straf.

‘De moord op de gebroeders De Witt’ door Pieter Fris (1627-1708). Het schilderij laat als in een stripverhaal zien hoe Johan de Witt, gekleed in deftig zwart pak, en Cornelis de Witt, in Japanse mantel, aan hun einde kwamen. Haags Historisch Museum.

Cornelis de Witt was te zwaar gewond om de daad bij het vonnis te voegen. Toen zijn broer hem in de loop van de middag wilde afhalen, waren de gemoederen van het volk inmiddels zo hoog opgestookt dat Johan niet meer naar huis kon. Cornelis en Johan moesten wachten tot de emoties wat waren afgekoeld. ‘s Middags om vier uur drongen prinsgezinde schutters de Gevangenpoort binnen en sleepten de broers mee naar buiten. Hier werd met pieken en musketkolven op hen ingehakt en -geslagen. Nadat de schutterij was vertrokken, ontfermde het grauw zich over de lichamen, die naar het Groene Zoodje werden gesleept en ondersteboven werden opgehangen aan de wipgalg. Dood was niet genoeg, de lichamen werden voorwerp van een mengsel van vernedering, fetisjisme en kannibalisme. Adriaan van der Goes had zelfs gehoord dat men ‘de ruwaards mannelijkheid’ in Delft te koop had aangeboden.

Over de onrechtmatigheid en onrechtvaardigheid van deze lynchpartij zijn de historici eensluidend. Over het proces dat eraan voorafging vreemd genoeg ook. Dat is onterecht. De rechters grepen naar uitzonderlijke middelen als tortuur, maar een schending van het recht was het niet. De rechtsgang vertoonde een ongebruikelijke snelheid, maar het proces tegen Jacob van der Graeff was ook binnen een week afgerond. Zeker, Cornelis de Witt heeft niet de vruchten van de klassejustitie kunnen plukken, zonder twijfel vanwege de gewijzigde situatie in de Republiek en de enorme pressie van het volk. Maar het koele oog van de historicus gebiedt vast te stellen dat nergens het recht werd overtreden. Bovendien was het Cornelis de Witt zelf die zich met evidente leugens en slappe uitvluchten in de nesten had gewerkt. Het waarom hiervan is een raadsel dat het bestek van dit artikel verre te boven gaat. Waar de ruwaard onmiskenbaar inschattingsfouten heeft gemaakt, is de barbier uit Piershil achteraf gelukkig geweest in zijn timing. Normaal had een barbier tegenover een belangrijk regent als De Witt geen schijn van kans. Maar hij had zijn kans geroken en de verschuiving in de machtsverhoudingen juist ingeschat.

Artikel afkomstig uit:

Titel Spiegel Historiael
Jaargang: 2003
Nummer: 7-8


Meer weten

Tijdschriften: