Russisch Japanse Oorlog

De Russisch-Japanse Oorlog, 1904-1905

Het gele gevaar rukt op!

Ruud Janssens

Honderd jaar geleden voerden Japan en Rusland een oorlog die diepe indruk op tijdgenoten maakte vanwege de massaliteit van de zee- en veldslagen. Onuitwisbaar bovenal was de indruk die de overwinning van een Aziatisch land op een Westers land achterliet. Met name nationalisten in Azië zagen Japan als lichtend voorbeeld in hun strijd tegen het imperialisme. Tegelijkertijd nam de vrees voor de ondergang van de Westerse beschaving toe. Keizer Willem ii van Duitsland had de Russische tsaar Nicolaas ii al gewaarschuwd voor ‘het gele gevaar’. Die dreiging leek nu werkelijkheid te worden.

De Russisch-Japanse Oorlog was een direct gevolg van het 19de-eeuwse imperialisme in Azië. Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Rusland, de Verenigde Staten en Japan probeerden hun rijk uit te breiden op dit continent. De populaire ideologie van sociaal-darwinisme creëerde een denkwijze waarin het recht van de sterkste gold, en daarmee een behoefte van Westerse landen om hun natie uit te breiden en te laten overheersen, evenals een vrees voor de mogelijke ondergang van de ‘Westerse beschaving’. Japan nam een uitzonderlijke positie in dit geheel in. Toen de Amerikanen het land in 1853 ‘openden’ voor de buitenwereld, ondergingen de Japanners dezelfde behandeling als andere Aziatische landen. Japan kreeg een nadelig verdragstelsel opgelegd, met lage importbelastingen en het voorrecht van Westerse landen om hun burgers die misdaden in Japan hadden gepleegd voor Westerse rechtbanken te berechten (Nederland, dat sinds het begin van de 17de eeuw als enig Europees land in Japan een handelspost had, speelde overigens een bescheiden rol in deze ontwikkelingen). De Westerse landen zouden deze oneerlijke verdragen herzien zodra Japan gemoderniseerd was. Deze belofte was niet de enige stimulans voor de Japanners om te gaan moderniseren. De Westerse aanwezigheid in China was voor Japanse leiders een afschrikwekkend voorbeeld. Groot-Brittannië, bijvoorbeeld, won met gemak de Opiumoorlog van China (1840- 1842) en legde de Chinese regering zijn eisen op. De Westerse aanwezigheid in China leidde ook tot een burgeroorlog, de Taiping-opstand (1853-1864), die de Chinese keizer met moeite wist te overwinnen.

Nadat Japan zijn eigen burgeroorlog had gehad, ging de nieuwe politieke elite met de keizer aan het hoofd over tot modernisering. In 1889 voerde men een grondwet in met een parlementair stelsel. In nauwe samenwerking tussen regering en bedrijfsleven zette men de economie volgens Westerse normen op. De regering voerde universele leerplicht in, waardoor overigens ook de nationalistische ideologie wijde verspreiding kreeg. Veel aandacht was er voor de modernisering van de Japanse krijgsmacht. Britse adviseurs hielpen de Japanse marine te hervormen en Franse en later Duitse adviseurs stonden Japan bij in het vormen van een moderne landmacht. Moderne naties hielden zich bezig met expansie, zoals Japan op het nabije Aziatische vasteland zag . Korea probeerde zich afzijdig te houden van Westerse invloeden en was daarmee een mooi doel voor Japanse invloedsuitbreiding.

Toen de Koreaanse regering in 1894 de hulp inriep van China om een binnenlandse opstand te onderdrukken, besloot de Japanse regering ook troepen te sturen. Het gevolg van deze actie was een oorlog tussen Japan en China, die de Japanners overtuigend wonnen. Na onderhandelingen tussen beide landen, kreeg Japan volgens het verdrag van Sjimonoseki (1895) Formosa (oftewel Taiwan), de Pescadores- eilanden, Port Arthur en het schierland Liaodong (het zuidelijk deel van Mantsjoerije), een schadevergoeding voor de oorlog en Chinese erkenning van de onafhankelijkheid van Korea (waarmee China Japan de vrije hand gaf in Korea). Dit was niet geheel volgens de verwachtingen van met name een aantal Europese landen. Rusland, Duitsland en Frankrijk besloten zich met deze vrede te bemoeien (de zogenaamde Triple Interventie). De drie landen maakten de Japanse regering duidelijk het geen goed idee te vinden als het Port Arthur en het Liautoeng-schierland zou innemen, zogenaamd omdat Japan daarmee Beijing zou bedreigen en de vrede in Oost-Azië in gevaar zou brengen. De Japanse regering gaf toe aan de diplomatieke druk. Vijf jaar later zag Japan toe hoe deze landen zelf diverse delen van China bezetten, waarbij Rusland Port Arthur en het Liautoeng-schierland in bezit nam.

Rusland was ondertussen bezig met het uitbouwen van zijn imperium in Azië. Graaf Sergej Witte, de minister van Financiën, speelde daarin een belangrijke rol. Hij richtte zich op Siberië en verdere uitbreiding van het grondgebied. In 1860 had Rusland al Vladivostok en omgeving van China opgeëist. Witte had ook belangstelling voor Mantsjoerije en Korea, gebieden met veel grondstoffen, maar hij zag ze vooral als een regio om handel te drijven via de transsiberische spoorweg. Tsaar Nicolaas II zag ook een rol voor Rusland als brenger van beschaving in Oost-Azië. Tijdens de anti-Westerse opstand in China, (de Bokseropstand) bezetten Russische troepen posities in Mantsjoerije. Dit was voor de Britten en de Japanners reden tot wantrouwen. In 1902 sloten zij een alliantie waarin ze beloofden elkaar te helpen als een van de verdragspartners in een oorlog met twee of meer landen zou komen. Dit verzekerde Japan van Britse steun als bijvoorbeeld Frankrijk, als verdragspartner van de Russen, Rusland te hulp zou komen in een oorlog. Japan probeerde nog via onderhandelingen de Russen ertoe te bewegen Mantsjoerije te verlaten. Toen dat niet lukte, ging het tot de aanval over. Beide partijen namen hun beslissing om tot oorlog over te gaan na lang overwegen. De Japanse landmacht en marine verwachtten veel verliezen te lijden en gokten uiteindelijk op een patstelling.

De verovering van Port Arthur

In de nacht van 8 op 9 februari 1904, voordat er nog een oorlogsverklaring was afgegeven, viel admiraal Heihachiro Togo de Russische vloot aan in de haven van Port Arthur. De Japanners wisten slechts twee slagschepen en een kruiser te beschadigen. Zolang de Russische schepen onder de bescherming van de kustbatterijen bleven, was het de Japanse vloot onmogelijk de Russische vloot te vernietigen. Een ander belangrijk doel voor de Japanse marine was te voorkomen dat de Russische vloot in Port Arthur zich zou verenigen met de vloot in Vladivostok. De Japanse superioriteit op zee was cruciaal om troepen vanuit Japan naar Korea te transporteren, vanwaaruit de Japanse krijgsmacht dan naar Mantsjoerije kon oprukken.

Op land had de Japanse krijgsmacht drie doelen. Ten eerste het veilig stellen van Korea voor de Japanse troepen. Dat lukte snel, onder andere met de bezetting van Seoul op 9 februari. Ten tweede wilde men Port Arthur veroveren. Ten derde moest men de aanvoer van Russische troepen uit het noorden via de Transsiberische, de oost-Chinese en de Zuid-Mantsjoerijse Spoorweg tegenhouden. De Japanse landmacht bestond uit 850 000 soldaten, waarvan echter maar 380 000 paraat waren en de rest was reservist met wisselend niveau van training. De Russen hadden 1 100 000 man paraat en 2 400 000 reservisten. Van deze krijgsmacht was maar 100 000 man in Oost-Azië aanwezig. Uiteindelijk wisten de Russen 1 300 000 soldaten in de regio te krijgen.

Beide landen kenden dienstplicht. Het niveau van de officieren verschilde echter nogal. Waar de Japanners via hun samoerai-traditie en vaak een opleiding in Pruisen een toegewijd officierskorps hadden, kenmerkte het Russische officierskorps zich door incompetentie vanwege benoemingen op basis van afkomst en relaties. Bovendien meenden de Russen op grond van allerlei racistische vooroordelen dat de Japanners geen goede soldaten zouden zijn. Op 30 april 1904 troffen Russische en Japanse troepen elkaar voor het eerst in een grote slag te land. De Japanners wilden vanuit Korea een grensrivier oversteken. Na drie dagen wisten ze deze slag te winnen, ten koste van ongeveer 1000 doden en gewonden (de Russen hadden bij benadering 3000 doden en gewonden). De meeste Russische slachtoffers vielen door een slecht georganiseerde aftocht. Het merendeel van de Japanse doden en gewonden viel door het opvolgen van het Pruisische advies om in dichte formatie over open terrein vijandelijke stellingen aan te vallen. Pas veel later in de oorlog weken de Japanners af van deze wijze van aanvallen.

Een kenmerk van deze oorlog was het grote aantal slachtoffers, aan beide kanten. Nadat de opmars via Korea was veilig gesteld, voerden de Japanners een amfibische landing op het schiereiland Liaodong uit. De Japanners landden bij Nan Shan op het smalste deel van het schiereiland om er de aanvoerlijn naar Port Arthur af te snijden. De Russen hadden hier 18 000 soldaten gelegerd. De Japanners vielen op 25 mei met 36 000 militairen aan en probeerden met directe aanvallen op de Russische stellingen door te breken. De Russen hadden deze strijd lang kunnen volhouden als hun commandanten van beter kaliber waren geweest. Slechts 4000 van de 18 000 Russische militairen namen aan de slag deel en daarvan sneuvelden er 1400. Aan Japanse kant waren er 5000 doden te betreuren, maar uiteindelijk slaagden zij erin de doorgang naar Port Arthur te forceren.

De Japanners waren optimistisch over hun kansen, omdat ze in 1894 tijdens de oorlog met China Port Arthur ook hadden veroverd en slechts met een verlies van achttien levens. Tevens zagen zij de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871 als voorbeeld, vooral omdat de Duitsers die oorlog gemakkelijk hadden gewonnen. Japanse commandanten, misschien ook wel door hun opleiding in Pruisen, probeerden de succesvolle Duitse tactiek tijdens de Slag om Sedan opnieuw uit te voeren. De Russen dachten daarentegen dat zij een goede kans maakten om Port Arthur te verdedigen. Zij hadden het fort verbeterd. Bovendien hadden zij uit de belegering en moeizame verovering van Plevna in de Russisch-Turkse Oorlog van 1877 de les geleerd dat het heel moeilijk is om een fort te veroveren. Zowel Japanners als Russen hielden in hun tactiek geen rekening met de gevolgen van de verbetering van wapens. Ze onderschatten met name de rol van de mitrailleur in gevechten met vestingen en loopgraven en de grote hoeveelheid slachtoffers daardoor. De Russen hadden 42 000 manschappen in Port Arthur en 500 stukken artillerie, terwijl de Japanners 90 000 militairen en eveneens 500 kanonnen hadden.

Japan had het voordeel dat het versterkingen en voorraden kon aanvoeren. De Russen waren afhankelijk van de aanwezige voorraden. Vooral voedsel zou een probleem vormen: in november 1904 had 22 procent van de Russische troepen scheurbuik. Begin juli 1904 begonnen de Japanners met de eerste aanvallen op de verdedigingswerken rond Port Arthur. Pas in augustus wisten ze na felle gevechten de eerste verdedigingslinies te slechten. Ondertussen deed de Russische vloot nog een poging een rol te spelen in het conflict. Op 10 augustus 1904 vond de slag in de Gele Zee plaats. De Russische vloot probeerde de blokkade van de Japanse vloot voor de haven van Port Arthur te doorbreken. Het doel was om naar Vladivostok op te stomen en met de daar aanwezige Russische schepen Japanse konvooien naar Korea en het schiereiland Liaodong aan te vallen. Slechts vier Russische schepen wisten langs de Japanse vloot te komen, maar de Japanners wisten er twee te achterhalen en de twee andere, zwaar beschadigde schepen vluchtten naar een Franse en Duitse haven in China, waar de autoriteiten er beslag op legden. Russische schepen uit Vladivostok probeerden de schepen uit Port Arthur op zee te ontmoeten, maar leden op 14 augustus een nederlaag in de slag bij Ulsan. Eind augustus kreeg een Russisch eskader opdracht vanuit de Oostzee rond Kaap de Goede Hoop naar Oost- Azië op te stomen.

De verovering van Port Arthur verliep voor de Japanners langzaam en met grote verliezen. De gevechten gingen per heuvel. Berucht werd de slag om de 203-meter-heuvel. Het Japanse leger begon de aanval op 25 november. De Russen verdedigden met 2000 man dit strategische punt en lieten uiteindelijk 400 slachtoffers achter. Het kostte de Japanners acht dagen en meer dan 10 000 doden en gewonden om de heuvel te veroveren. Uiteindelijk vielen er in de slag om Port Arthur aan Japanse kant 58 000 doden en gewonden en aan Russische kant 31 000. In januari 1905, na 240 dagen beleg, besloot de Russische commandant Anatoli Stroessel het fort over te geven, waarvoor een Russisch militaire rechtbank hem later tot de doodstraf veroordeelde (die na gratie van de tsaar echter niet werd uitgevoerd). Ondertussen ging de oorlog in Mantsjoerije voort. In augustus 1904 troffen de Japanse en Russische legers elkaar bij Liaoyang. In een acht dagen lange veldslag waren beide legers weinig succesvol. Men wist elkaar vooral uit te putten en nadat de Japanners 24 000 van hun 125 000 soldaten en de Russen 18 000 van hun 158 000 militairen hadden verloren, trokken de Russen zich terug.

De laatste grote veldslag vond plaats in het noorden bij Moekden, het huidige Shenyang. In een gevecht dat twee weken duurde stonden 380 000 Russen (het grootste leger dat Rusland ooit te velde had gebracht) tegenover 320 000 Japanners langs een front van 70 kilometer. In dit geval vielen de Russen vooral aan en verdedigden de Japanners, die uiteindelijk ook wonnen. Deze keer vielen de meeste slachtoffers aan Russische zijde: 116 000 Russische doden en gewonden tegen 47 000 Japanse. Japanse generaals melden, ondanks de overwinning, hun regering dat de troepen uitgeput waren en niet veel langer konden doorvechten.

Aan Russische kant had men vooral de hoop gevestigd op het Oostzee-eskader. Die hoop was nogal misplaatst. De vloot was niet goed getraind. In de buurt van de Doggersbank raakte een dronken commandant ervan overtuigd dat er Japanse torpedoboten in de buurt waren en liet 296 schoten afvuren, waarbij men een aantal Britse vissersschepen wist te raken. In maart 1905 lag de vloot tweeënhalve maand voor de kust van Madagaskar te wachten op orders. Ondertussen voerde men schietoefeningen uit, waarbij men erin slaagde om bijna alle doelen te missen en de brug van een Russische kruiser met twee granaten te raken. Uiteindelijk kwam de vloot in mei in de Japanse wateren aan. Admiraal Togo wachtte de Russische vloot op in de Straat van Tsushima (Korea). De Japanse schepen waren sneller dan de Russische en de bemanning was beter getraind. De tweedaagse slag die op 27 mei 1905 begon resulteerde in een overtuigende winst voor de Japanners. De Russen verloren 34 oorlogsschepen tegen maar drie Japanse torpedoboten. De nederlaag van het Oostzee-eskader onder leiding van Zinovi Rozjestvenski maakte diepe indruk in Moskou en betekende het einde van de oorlog voor de Russen.

De Vrede van Portsmouth

Begin juni 1905 bood de Amerikaanse president Theodore Roosevelt aan om te bemiddelen. Beide landen accepteerden zijn aanbod en in augustus kwamen de delegaties aan in Portsmouth (New Hampshire) voor de onderhandelingen. Roosevelt maakte zich zorgen over de Amerikaanse belangen in Oost-Azië. Hij zag graag een verzwakt Rusland in Mantsjoerije, dat echter sterk genoeg zou zijn om Japan in toom te houden. Die situatie was nu bereikt naar zijn mening. Japan had drie kerneisen: Rusland moest Japan de vrije hand laten in Korea; Rusland en Japan moesten hun troepen uit Mantsjoerije terugtrekken; en Rusland moest Port Arthur, het schiereiland Liaodong en de Zuid-Mantsjoerijse Spoorweg aan Japan afstaan. Daarnaast had men nog een lijst met minder belangrijke eisen.

Tsaar Nicolaas ii stuurde graaf Witte naar Portsmouth. De tsaar was overtuigd van de mogelijkheid om de oorlog voort te zetten en alsnog te winnen. Dit was opmerkelijk omdat er eerder binnenlandse onrust was ontstaan, mede vanwege de oorlog. Er braken stakingen uit en op 9 januari 1905 (volgens de Russische kalender) marcheerden stakers in Sint-Petersburg naar het Winterpaleis om hun eisen voor betere werkomstandigheden en een eind aan de oorlog aan de tsaar voor te leggen. De politie vuurde op de stakers en volgens officiële cijfers vonden 94 burgers de dood en waren er 333 arbeiders gewond. De berichten over dit geweld bereikten het front niet, maar in binnen- en buitenland verloor de Russische regering veel steun. Desondanks gaf Nicolaas graaf Witte de instructie mee dat er geen vernederende vrede mocht komen en dat Rusland geen oorlogsschuld zou betalen. Witte stelde dat Rusland niet verslagen was en niet om vrede smeekte. Hij wilde slechts vrede om humanitaire redenen.Uiteindelijk bereikten de partijen een compromis. De Russen erkenden Japans leidende rol in Korea. Beide landen zouden hun troepen uit Mantsjoerije terugtrekken. Japan kreeg uiteindelijk toch Port Arthur en het schiereiland Liaodong.

Op het laatste moment stond Rusland ook nog de helft van het schiereiland Sachalin af. De tsaar was uiteindelijk tevreden met dit resultaat. Zo niet de Japanse bevolking die op een Russische betaling van oorlogsschuld had gerekend en schadeloosstelling van het volk. Ze begrepen niet waarom de Japanse troepen zich uit Mantsjoerije moesten terugtrekken ondanks alle overwinningen in dit gebied. Twee dagen lang waren er rellen in Tokyo. In Rusland gingen de stakingen door ondanks de vrede, met onder andere een opstand op de pantserkruiser Potemkin in de Zwarte Zee. Er brak ook muiterij uit onder de troepen in Oost-Azië omdat ze vanwege de stakingen niet konden terugkeren naar het Westen via de transsibirische spoorweg.

Het gele gevaar en de vergeten lessen

De reden om een oorlog te beginnen hangt vaak samen met de verwachting dat de inzet van geweld een (politiek) probleem zal oplossen. In het geval van de Russisch- Japanse Oorlog was dat echter niet het resultaat, integendeel. Het tsaristisch regime had onherstelbare schade opgelopen. Om de binnenlandse onlusten onder controle te krijgen stond Nicolaas ii toe dat de Doema (het parlement) een rol kreeg in de politiek. Achteraf gezien bleken de stakingen van 1905 een generale repetitie te zijn voor de revolutie van 1917. In Japan kregen militairen meer aanzien door hun succes in de oorlog, evenals geheime genootschappen die voor expansie pleitten. De Japanse winst in de oorlog maakte diepe indruk in de diverse landen rondom de Stille Oceaan. De Britse generaal sir Ian Hamilton schreef na de slag bij Liaoyang: ‘Vandaag heb ik het meest verbijsterende spektakel gezien dat het menselijke brein kan bevatten: Azië rukt op, Europa valt terug en ik zie de voortekenen aan de wand.’ De Japanse winst was een inspiratie voor Aziatische nationalisten en veroorzaakte een angst voor Japan onder Franse kolonisten in Indo-China, Nederlandse kolonisten in Nederlands-Oost-Indië en onder Amerikaanse burgers aan de westkust van de Verenigde Staten.

Amerikanen vreesden dat er nu een grote stroom Japanse immigranten naar hun land zou komen, die zou zorgen voor een ‘complete Orientalization of the Pacific Coast’ aldus de krant San Francisco Examiner. Onder druk van deze angst sloot president Theodore Roosevelt in 1908 een ‘herenakkoord’ met Japan om geen Japanse arbeiders meer naar de Verenigde Staten te laten emigreren. Het zou niet terecht zijn om te suggereren dat de Russisch-Japanse Oorlog direct leidde tot de Tweede Wereldoorlog in Azië. In de jaren twintig sloten diverse landen op de Conferentie van Washington enkele verdragen waarmee men tien jaar lang de wapenwedloop in de regio wist te beperken. Toen dit systeem mede door de economische depressie van de volgende jaren bezweek, was echter de suggestie van militaire expansie voor veel Japanse politici en burgers acceptabel door de successen in de Russisch-Japanse Oorlog. Journalisten en militairen hadden deze oorlog nauwlettend gevolgd om lessen te trekken voor toekomstige oorlogen.

Het was opmerkelijk hoe selectief deze lessen waren. Ofschoon de Duitsers konden waarnemen hoeveel tijd (en mensen) moderne oorlogen kostten, ging de Duitse generale staf er in 1914 nog steeds van uit dat men eerder in weken dan maanden van de Fransen kon winnen, een essentiële overweging in de keuze om de Eerste Wereldoorlog te beginnen. Op een ander niveau trok men wel de juiste lessen. De Duitsers wonnen de Slag bij Tannenberg van de Russen omdat de Duitse kolonel Max Hoffmann de lessen die hij had geleerd als observator in de Russische-Japanse Oorlog, in zijn tactische plannen toepaste. De Japanse marine was ervan overtuigd dat ze een oorlog door een beslissende slag kon winnen. In de Tweede Wereldoorlog was de consequentie dat de Japanners slagschepen belangrijker vonden dan vliegdekschepen, hetgeen bijdroeg tot de belangrijke nederlaag in de Slag bij Midway. De zeeslagen in de Filippijnse Zee en de Golf van Leyte in 1944 waren twee pogingen om een beslissende zeeslag te forceren, maar waren wanhopige mislukkingen. Anderzijds waren de raciale vooroordelen die de Russen in 1904 hadden, ook bij de Britse en Amerikaanse officieren in 1941 waar te nemen en ook in dit geval leidde het tot een volkomen onterechte onderschatting van Japanse militairen – met indrukwekkende gevolgen.

In dit verband is het Brits optimisme over het behoud van het fort Singapore te plaatsen, maar na de verovering van Port Arthur niet te begrijpen. Zowel in de oorlog van 1894 tegen China, als in de Russisch-Japanse Oorlog in 1904 opende de Japanse vloot de aanval op de vloot van de tegenstander voordat er een oorlogsverklaring was afgegeven. Ondanks alle analyses die militairen en journalisten direct na 1905 schreven, maakte dit eenvoudige feit blijkbaar geen deel uit van de parate kennis van Amerikaanse officieren in 1941 en werd het echec van Pearl Harbor mogelijk.

Dit artikel is afkomstig uit Spiegel Historiael, nummer 1, jaargang 2005.

Meer weten