geschiedenis van vaccinaties

Vaccinatiecampagnes in de 19de eeuw

‘Burgers noodzaken tot hun geluk’. In 2009 werd er een inentingscampagnetegen de Mexicaanse griep gevoerd. Sinds de ‘mislukte’ vaccinatie tegen baarmoederhalskanker eerder, ligt de aanpak van dergelijke campagnes onder vuur. De problemen waar men tegenaan loopt (een half of verkeerd geïnformeerde doelgroep) zijn niet nieuw en gaan terug tot in de 19de eeuw. Wat voor strategieën gebruikte de overheid destijds om de bevolking voor vaccinatie over te halen?

Willibrord Rutten

Het had van een leien dakje moeten gaan met de vaccinatiecampagne die voorjaar 2009 van start ging tegen het Humaan Papillomavirus (HPV), de veroorzaker van baarmoederhalskanker. In plaats van een verwachte opkomst van 70%, bleef de teller na de eerste ronde echter steken op 50%. De helft van de doelgroep, meisjes van 13 tot 16 jaar, gaf geen gehoor aan de oproep. Fabels over schadelijke bijwerkingen van het HPV-vaccin speelden de campagne parten. Via Hyves, MSN, Youtube en sms’jes kregen de indianenverhalen een enorm bereik. Verder waren er ook (huis)artsen die hun hand nog niet voor het nieuwe vaccin in het vuur durfden te steken, waardoor leken soms niet meer wisten waar ze aan toe waren. Inmiddels is er een vervolgcampagne in de maak.

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), verantwoordelijk voor de uitvoering van het rijksvaccinatieprogramma, zal dit keer meer gebruik maken van moderne media. Maar we hoeven niet direct een Youtube-filmpje te verwachten van treurende meisjes bij het graf van hun moeder die jong aan kanker is gestorven waarbij een voice-over zegt: ‘Dit lot kunt u uw dochters besparen’. In tegenstelling tot de criticasters van de vaccinatie is het rivm wars van het bespelen van emoties en heeft het integriteit hoog in het vaandel staan. Niettemin, de campagne van het afgelopen voorjaar was misschien wel iets té integer, té keurig. In de 19de eeuw tapte men wat dat betreft uit een heel ander vaatje.

‘Goddeloze kuur’

Vaccinatie bestaat al ruim tweehonderd jaar. Een mijlpaal was de ontdekking door Edward Jenner in 1796 dat wanneer mensen besmet waren met koepokken, een ongevaarlijke ziekte, ze immuun waren voor het levensgevaarlijke pokkenvirus (variola maior). Vaccineren (Lat. vacca = koe) betekent letterlijk het inenten met koepokstof. Eindelijk had men een doeltreffend wapen tegen de gevreesde pokken.

De pioniers van de koepokinenting hadden het echter niet gemakkelijk. Ze stuitten op een muur van gewetensbezwaren, onverschilligheid, onwetendheid en vooroordelen. De belangrijkste daarvan was dat vaccinatie het vertrouwen in de Heer zou ondermijnen. Plagen als de pokken waren een gesel Gods, een beproeving waartegen men zich niet mocht wapenen. Gewetensbezwaren kwamen in de 19de eeuw in veel bredere kring voor dan tegenwoordig. Er waren vrome katholieken die pokken en andere volksziekten als een straf van God zagen en daarom inenten niet geoorloofd vonden. Streng-gereformeerden van de bevindelijke richting verzetten zich tot op de dag van vandaag tegen de ‘Goddeloze kuur’. Daarentegen konden joden, doopsgezinden, remonstranten, Engels- en Waals-gereformeerden, eigenlijk de meeste vrijzinnig protestanten, bijna niet wachten tot ze aan de beurt waren.

Er waren ook andere bezwaren. Indianenverhalen deden de ronde dat door toediening van de koepokken op den duur heel de natie zou ‘verrunderen’. Dit was nog niet het grootste struikelblok. De goegemeente was behept met het eeuwenoude denkbeeld, afkomstig uit de Arabische geneeskunde, dat typische kinderziekten als pokken en mazelen niet van buiten komen, maar binnenin zetelen. De vuile stoffen die het kind in de baarmoeder heeft binnengekregen moeten het lichaam uit. Men moet de pokken niet voorkomen, je moet ze juist krijgen, zo werd gedacht. Kringen rondom de Nederlandse Vereniging voor Kritisch Prikken (nvkp), opgericht in 1994, geloven nog altijd dat kinderziekten een louterende werking hebben op het gestel. Om de pokkenvaccinatie geaccepteerd te krijgen, moest men mensen eerst uit het hoofd praten dat de pokken aangeboren waren.

Vaccinatieoffensief

Ondanks het verzet in orthodox-religieuze kringen beleefde de vaccinatie in de Bataafs-Franse Tijd (1795-1813) een stormachtige opmars. Er ging een ware kruistocht tegen pokken van start. Lodewijk Napoleon, koning van Holland, verhief de koepokprik tot ‘het dierbaarste voorwerp van staat’. De Bonapartes waren de pokkenvaccinatie zeer toegewijd. Toen er in 1811 uit het tweede huwelijk van Napoleon Bonaparte een troonopvolger werd geboren, gelastte de keizer dat zijn kind in het openbaar moest worden gevaccineerd. De behandeling van de ‘Roi de Rome’ moest de hele natie tot voorbeeld strekken, want er was nog veel weerstand te overwinnen onder minder verlichte lagen van de bevolking.

De koepokinenting gold als het paradepaardje van de moderne beschaving. Voor de kosten hoefde men het niet te laten. De medische stand was bereid gratis in te enten en liet zich paaien met gouden medailles die door Lodewijk Napoleon in 1808 per decreet werden uitgeloofd aan dokters en heelmeesters die het grootste aantal kosteloze vaccinaties verrichtten. Alle verlichte krachten werden gemobiliseerd om onder leiding van de overheid een vaccinatieoffensief te ontplooien dat reikte tot in de verste uithoeken van het vaderland. Onderwijzers, pastoors, predikanten, fabrikanten, grootgrondbezitters, magistraten en andere lokale notabelen werden bij de campagne ingeschakeld. Zij moesten het ijs breken voor mensen die nog aarzelden. De politicus Gijsbert Karel van Hogendorp was hierin een trendsetter. In de Rotterdamsche Courant van 26 februari 1801 – toen al – publiceerde hij het nieuws dat zijn zonen Dirk en Willem de koepokinenting goed hadden doorstaan. Onder koning Willem i en zijn opvolgers werd de pokkenbestrijding met groot elan voortgezet, getuige Zijner Majesteits Besluit van 7 september 1814 om de koepokinenting – ‘dat onschatbaar geschenk der Voorzienigheid’ – zoveel mogelijk te bevorderen. Er was bijzondere aandacht voor de armlastigen.

Gezinnen die een uitkering van de burgerlijke armbesturen kregen, werden bedreigd met inhouding van de bedeling als hun kinderen niet gevaccineerd waren. Voorlichtingsboekjes, veelal in de vorm van een samenspraak, werden gratis gedistribueerd, bijvoorbeeld De ondervinding is de beste leermeesteresse, een uitgave van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Zo kregen onwetenden uitleg over de koepokinenting. Het propagandamateriaal speelde in op de angst van ouders om hun kinderen aan de pokken te verliezen. De vrees voor besmetting werd flink aangewakkerd.

Dreigen, dwingen, lokken

Om de inentingscampagnes tot een succes te maken werd alles uit de kast gehaald, ook minder fraaie methodes. In de couranten verschenen lijsten met de namen van ouders die een kind verloren hadden aan de pokken omdat zij verzuimd hadden hun kroost te laten inenten. Koepokinenters probeerden kinderen te lokken met snoepgoed. In Amsterdam kreeg men brood in ruil voor een prik. Negatieve ervaringen met de pokkenvaccinatie verdwenen in de doofpot. De gouverneur van Gelderland verhinderde in 1819 dat in de Arnhemsche Courant kwam te staan dat een jonge vrouw uit Zevenaar aan de pokken was bezweken, ofschoon zij in haar jeugd de koepokprik had gekregen. De autoriteiten hielden tegen beter weten in vast aan de claim dat één keer prikken genoeg was om iemand levenslang tegen het pokkenvirus te beschermen. Deze benadering pakte uiteindelijk averechts uit. Begin jaren 1830 keerde het publiek zich massaal af van de koepokinenting toen er in Nederland weer een vrij grote pokkenepidemie uitbrak, waarbij ook honderden mensen ziek werden die vroeger gevaccineerd waren. De noodzaak van revaccinatie werd toen eindelijk onderkend door de medische autoriteiten, maar het heeft jaren geduurd om het vertrouwen van het publiek te herwinnen.

Naarmate men meer ervaring opdeed met de bestrijding van de pokken, werd duidelijk dat het nog wel een paar generaties zou duren voordat iedereen overstag ging voor het paradepaardje van de beschaving. Koepokinenting was niet iets dat vanzelf afdaalde langs de maatschappelijke ladder. Om het proces te versnellen nam de regering van Willem i in 1823 haar toevlucht tot zachte dwang. Zonder bewijs van vaccinatie – het ‘pokkenbriefje’– mochten kinderen niet op school komen. De maatregel was omstreden, omdat die indruiste tegen de vrijheid van geweten en godsdienst. Er werd namelijk geen uitzondering gemaakt voor het bijzonder lager onderwijs. De overheid vond echter dat zij de plicht had de maatschappij te behoeden voor onheilen die voortvloeiden uit de kortzichtigheid van een minderheid. Als het erop aankwam, kon de regering ‘bevooroordeelde burgers noodzaken tot hun geluk’. Sindsdien gingen de vaccinatiecijfers sterk omhoog. Van de cohorten geboren in de jaren 1820 kreeg 66% de koepokinenting, een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de Franse Tijd toen ongeveer de helft van de doelgroep bereikt werd.

De handhaving van het vaccinatiebeleid werd overgelaten aan de lagere overheden. Zo kon de situatie ontstaan dat in de noordelijke en oostelijke provincies de pressie groter was dan elders. Op de Veluwe vormde districtcommissaris Sloet tot Oldhuis in de jaren 1840 samen met schoolopziener Robidé van der Aa een ijzersterk span dat korte metten maakte met de tegenwerking van ‘gereformeerde dwepers’. Zij deinsden er niet voor terug om de Veluwse dorpen te laten uitkammen op de aanwezigheid van niet-gevaccineerde kinderen. Daarentegen nam men het in het westen en het zuiden des lands minder nauw met de handhaving van de vaccinatieplicht. Het was hier en daar een publiek geheim dat kinderen zonder pokkenbriefje werden toegelaten, een staaltje van vroeg gedoogbeleid waar Nederland later bekend om zou worden.

Na de invoering van de Gemeentewet in 1851 verloren de provincies hun invloed op het vaccineren. Plaatselijke inentingsverordeningen werden toen de speelbal van wisselende coalities in gemeenteraden. Uiteindelijk maakte de Wet op de Besmettelijke Ziekten in 1872 een eind aan de wirwar van provinciale en gemeentelijke vaccinatieverordeningen. Door deze uniforme regeling gingen de vaccinatiecijfers weer een sprong omhoog. Toen in 1901 ook de leerplicht werd ingevoerd, was er geen ontkomen meer aan: ieder kind kreeg de koepokinenting. Bij het aanbreken van de 20ste eeuw waren de pokken in Nederland uitgeroeid. De gevallen die daarna nog zijn waargenomen, kwamen door import van het pokkenvirus uit het buitenland.

Youtube

In hoeverre zou de 19de eeuw een voorbeeld kunnen zijn voor de tegenwoordige bedenkers van de vaccinatiecampagne tegen baarmoederhalskanker? Het is natuurlijk een paardenmiddel, maar men zou de meisjes die dit voorjaar geen hpv-prik hebben gehaald het recht op basisbeurs kunnen ontzeggen. Dat zou in ieder geval in de geest zijn van de 19de eeuw. Te zwaar geschut? Dan zou men in plaats van aan dwang kunnen denken aan lokmiddelen. Snoepgoed werkt niet, maar een muziek-cd valt waarschijnlijk wel in de smaak.

Een andere moderne vertaling van een 19de eeuwse methode is het koningshuis een voorbeeldrol te laten spelen. Prinses Amalia heeft er nu nog niet de leeftijd voor, maar over een paar jaar zou het een geweldige stunt zijn als er op Youtube een filmpje kwam te staan dat laat zien hoe de kroonprinses de hpv-prik krijgt. Mocht prinses Máxima haar dochter niet voor zo’n actie willen lenen, dan kan natuurlijk uitgeweken worden naar Bekende Nederlanders met dochters van de juiste leeftijd. Draconische maatregelen kunnen zo achterwege blijven. Het dwingen van mensen tot hun geluk ligt tegenwoordig nogal gevoelig. Ook een vorm van beschaving.

Dit artikel is afkomstig uit:

 

Titel Geschiedenis Magazine
Uitgever Virtùmedia

 

 

 

Meer weten