Atjeh Oorlog

Atjeh-oorlog 1883: Hoe een lokale radja Den Haag én Londen in hun hemd zette

De radja van Teunom zette eind 19de eeuw het Verenigd Koninkrijk en Nederland schaak. Nadat voor de kust van zijn Atjehse rijkje het Britse transportschip de Nisero was gestrand, gijzelde hij de bemanning. Hij had namelijk nog een appeltje te schillen met Batavia. De radja speelde beide koloniale grootmachten vakkundig tegen elkaar uit, om er als lachende derde met het losgeld vandoor te gaan.

Tekst: John Klein Nagelvoort

Teunom was een bescheiden rijk binnen het sultanaat van Atjeh. In het laatste kwart van de 19de eeuw woonden hier aan de westkust van Noord-Sumatra ongeveer vijfduizend mensen, van wie velen werkten in de rijke pepertuinen waar Teunom bekend om stond. De radja heette teukoe (edele) Imeum Moeda. Hij vocht toen de Atjehoorlog uitbrak in 1874 eerst tegen het koloniale leger maar zocht later toenadering tot het Nederlandse bestuur in Koeta Radja (Banda Aceh) en onderwierp zich in 1877 aan het koloniale gezag. Hij ondertekende de zogeheten Lange Verklaring die hem de mogelijkheid gaf om binnen de koloniale verhoudingen zijn lokale positie te handhaven.

Moord op Franse goudzoekers

Atjeh OorlogEen jaar later weigerde de radja echter een aantal bepalingen uit de Lange Verklaring op te volgen. Met name dat hij belasting voor het gouvernement moest innen, was hem een doorn in het oog. Uiteraard gaf dit wrevel bij de koloniale overheerser. De spanning liep op toen in maart 1880 twee Franse ingenieurs werden vermoord, avonturiers die in het gebied van de radja op zoek waren naar goud. De Nederlanders waren ervan overtuigd dat hij wist waar de schuldigen zich schuilhielden. Ze gaven hem de opdracht hen in de kraag te vatten en uit te leveren of te doden. Dit blijkt uit een brief van de radja gedateerd 10 april 1880, waarin hij tevens zegt dat hij al maatregelen had getroffen: ‘Nog voor u mij bevolen had de daders op te sporen en op te pakken, heb ik dit al laten doorvoeren, en indien mijn mannen de daders hebben gedood heb ik opdracht gegeven hun hoofden mee te laten nemen. Tevens worden de prijzen van peper bevroren en niemand krijgt zijn peper uitbetaald zolang de schuldigen niet zijn gevonden.’

Teunom gebombardeerd

De radja traceerde inderdaad de daders, maar weigerde hen uit te leveren. Er volgde een onrustige periode waarbij de Nederlanders en volgelingen van de radja elkaar bestookten. Het leverde de radja geen winst op, sterker, zijn uitvoerhaven in Teunom werd gebombardeerd. Hij stuurde een excuusbrief aan de gouverneur van Atjeh en wachtte op een beter moment om de koloniale veroveraars een slag toe te brengen.

De stranding van de Nisero

Zijn kans op wraak kwam in november 1883 toen het grote Britse stoomtransportschip Nisero strandde voor Panga, een kustplaatsje in zijn gebied. De Nisero was 27 oktober 1883 met een lading suiker vanuit Soerabaja op Oost-Java naar Marseille vertrokken en bereikte na twee weken het noorden van Sumatra.

Was de Nisero een smokkelschip?

De ervaren kapitein William Smith Woodhouse kende de wateren hier voor de westkust van Atjeh goed. Het was stormachtig die 10de november, maar toch voer de Nisero vlak onder de kust. Het Nederlands gouvernement vond dit later verdacht: had het schip soms smokkelwaar of zelfs wapens aan boord, zoals hier ondanks de Nederlandse blokkade wel vaker gebeurde? Dit is nooit opgehelderd. De 3de machinist W. Bradley verklaarde in zijn herinneringen The Wreck of the Nisero and our Captivity in Sumatra (1884) dat men zich op 7 november realiseerde dat er in Soerabaja te weinig kolen waren ingenomen om Ceylon (Sri Lanka) te kunnen bereiken, en besloot om de Atjehse haven Oleh-Leh aan te doen. Waarom de Nisero dan ruim honderd kilometer zuidelijker was gestrand, zei hij niet te weten.

De radja ziet zijn kans schoon

De Nisero liep ’s nachts aan de grond, op ruim honderd meter uit de kust. De bemanning - negentien Britten, twee Noren, twee Duitsers, twee Nederlanders en een Amerikaan - kwam veilig aan wal. De bewoners stelden zich echter vijandig op, in de veronderstelling dat het om Nederlanders ging.  Het plaatselijke hoofd nam de bemanning in bescherming en meldde het voorval aan de radja, die beval meteen de schipbreukelingen naar de kampong Teunom te brengen. Het schip werd kort erop leeggeplunderd. De radja zag zijn kans schoon. Met zijn raadsman Sayid Hasan, die te boek stond als ‘Arabisch’ en teukoe Jit werd genoemd, bedacht hij een plan om hier maximaal van te profiteren.


Hoe dat plan er uitzag en hoe dit verhaal afliep, lees je in het komende nummer van Geschiedenis Magazine.

Dit nummer niet missen, maar nog geen abonnee? Neem vóór donderdag 6 augustus 16:00 u. een abonnement.

Meld je aan                   Geef geschiedenis magazine cadeau

Abonnees krijgen dit nummer eind augustus in de brievenbus.


Over de auteur

John Klein Nagelvoort is gespecialiseerd in de geschiedenis van Atjeh. Hij is assistent-conservator in Museum Bronbeek en werkt aan een boek over de Nisero-kwestie. Van hem verscheen Toean Stammeshaus. Leven en werken in koloniaal Atjeh (LM Publishers 2019).

Rubrieken: 

Landen: 

Tijdperken: 

Onderwerpen: 

Tijdschriften: 

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief. Het is gratis!

Iedere maand meeslepende en prachtig geïllusteerde verhalen over de de geschiedenis van Amsterdam.

Deze bijzonder collectie, met bruiklenen van het Rijksmuseum, is verlengd t/m 13 september 2020.

Ontdek Geschiedenis Magazine!

Meteen op de hoogte van de nieuwste historische verhalen!