Celibaat in de middeleeuwen

Veertig procent van de Nederlandse priesters wil het celibaat afschaffen. Volgens NRC-Next is de uitspraak echter ongefundeerd, omdat slechts 135 van de 700 aangeschreven priesters meededen. Van deze 135 priesters is inderdaad veertig procent voor het afschaffen van het celibaat. Het verbod voor priesters om te trouwen stamt uit de 4e en 5e eeuw, maar in de middeleeuwen hielden lang niet alle priesters zich daar aan.

De apostel Paulus prees het celibaat al aan in brieven. Hij was ongehuwd om ‘God ter wille te zijn’ en om ‘beter over Jezus - die ook ongehuwd was - te kunnen prediken’. Maar voor wie dat niet kon volhouden was trouwen voor Paulus ook een optie: “Het is beter te trouwen dan van begeerte te branden”, schreef hij in een brief aan de Korintiërs. Het was toen voor geestelijken nog niet verplicht om celibatair te leven. De apostel Petrus - die voor de katholieken geldt als de eerste paus - was bijvoorbeeld getrouwd.

Seks als zonde

Binnen de katholieke kerk werd seks in de loop der eeuwen steeds meer als een zonde gezien. Seks was alleen toegestaan binnen het huwelijk en ook dan om nageslacht te produceren en niet voor je plezier. Voor geestelijken gold vanaf de vierde en vijfde eeuw dat zij niet meer mochten trouwen als zij eenmaal waren ingewijd als priester. Het gebod tot een celibatair leven kwam voort uit de overtuiging dat een priester die met het lichaam en bloed van Christus in aanraking kwam, ‘reine handen’ moest hebben.

Samenwonende dorpspriesters

In de praktijk was het in de vroege middeleeuwen echter gebruikelijk dat een priester wel met een vrouw samenleefde, zeker op het platteland. De dorpspriester werd meestal uit de boerenbevolking gekozen en moest nog steeds zijn herendienst vervullen, zoals een stuk land bewerken, voor zijn leenheer. Dit kon hij niet doen zonder hulp van vrouw en kinderen. Het ongetrouwd samenleven van man en vrouw werd concubinaat genoemd.

Kritiek op het Celibaat

In de loop van de middeleeuwen kwam er steeds meer kritiek op geestelijken die zich niet aan het celibaat hielden. De monnik Petrus Damiani was bijvoorbeeld een grote bestrijder van het concubinaat van geestelijken. Hij publiceerde in de 11e eeuw een reeks geschriften waarin hij het huwelijk of het samenleven met een vrouw omschreef als een hel op aarde. In de 12e eeuw werd door de katholieke kerk vastgelegd dat geestelijken niet getrouwd mochten zijn, ook niet als zij voor hun inwijding al getrouwd waren.

Concubinaat verdween niet

In deze periode kwam het concubinaat in een kwaad daglicht te staan, maar het verdween niet. Zoals kanunniken - bepaalde katholieke geestelijken - in Utrecht. Zij hadden de status van hoog-adellijke heren en daarbij hoorden concubines, mooie paarden en jachthonden. De 16 e-eeuwse schilder Jan van Scorel was bijvoorbeeld kanunnik van de Mariakerk in Utrecht en leefde samen met Agatha van Schoonhoven met wie hij zes kinderen kreeg. En uit een onderzoek naar pastoors in Brabant blijkt dat in de 15 e eeuw zestig procent een concubine had. Soms moesten zij daarvoor een boete betalen, maar dat veranderde weinig aan de omstandigheden.

Nog steeds discussie

Het celibaat levert nog steeds discussies op, zoals naar aanleiding van het grootschalige seksueel misbruik binnen de katholieke kerk. En, net als in de middeleeuwen, wonen ook nu nog katholieke geestelijken samen met een vrouw. Bijvoorbeeld de Eindhovense priester Jan Peijnenburg, die al ruim veertig jaar samenwoont met zijn vriendin. Eind vorig jaar kwam hij in het nieuws omdat hij van het bisdom in Den Bosch zijn priesterlijke taken niet meer mocht uitvoeren. Volgens het bisdom gebeurt het wel vaker dat priesters samenwonen, maar er openlijk voor uitkomen en je verzetten tegen het celibaat - zoals Peijnenburg deed - gaat te ver, aldus een zegsman.

Meer weten

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

De Barbaren geeft een schitterend overzicht van de voorouders van de hedendaagse Europeanen.