Collegianten

Collegianten: Leermeesters van Spinoza

Terwijl politici elkaar baantjes toespelen en bestuurders zichzelf verrijken, groeit er een tegenbeweging die directe democratie voorop stelt. De wortels daarvan liggen, schrik niet… in Holland! Onze Gouden Eeuw was óók de tijd van de radicale Verlichting (1650-1688). Toen bleek het levensgevaarlijk om de Bijbelse openbaring af te wijzen en ‘alle macht aan het volk!’ uit te roepen. Die combinatie maakt het gedachtegoed van enkele Collegianten, een vrijzinnige doperse beweging waaronder de filosoof Spinoza zijn allerbeste vrienden had, ook nu nog revolutionair.

Amsterdam, 1661. Op de Nes, de lange straat door het hart van de stad die bij de Beurs[i] aan het Damrak eindigt, is het ’s middags een drukte van belang. Die ochtend hebben drie fluitschepen hun ankers voor de ree van de Prins Hendrikkade laten vallen. De eerste is zwaarbeladen met graan uit Danzig teruggekeerd, de tweede met tabak uit Amerika en suikerbrood uit de West, de laatste met koloniale waren uit de Oost. Vanuit hun kleine bootjes zetten buitenlandse matrozen[ii] balen tabaksblad, conische potten suikerbrood en kisten met krenten, rozijnen en peperdure specerijen op de kade. Armzalig geklede werklieden vervoeren de handel weer verder op schuiten en pramen, steeds dieper de stad in.

De suikerbakkerijen in Nes

Aan weerszijden op de Nes kringelen bedwelmende geuren van gestold suiker, ossenbloed[iii] en kaneel uit de ruim zestig suikerbakkerijen van de stad op, meer dan waar ook in de Republiek[iv]. Hoge schoorstenen op vier tot zes verdiepingen tellende panden stoten dag en nacht zoete, warme walmen uit. Achter de gevels op zolder klinken vaak gedempte kreten als zieders of suikerkokers zich aan het hete goedje verbranden. Het werk is slecht betaald. Hun bazen, de raffinadeurs, verdienen des te meer maar lang niet zo grof als de plantagebezitters tussen Singel en Prinsengracht. Het ontgaat de vele bezoekers. Ook dat de raffinadeurs suiker soms met kalk, bloem en god weet wat versnijden hebben ze nauwelijks weet. Zij zien alleen de heerlijke handel bij de kruidenier beneden op de toonbank liggen: kandij, de fijnste soort, het geraffineerde suiker, lompen suiker en, in een hoekje weggemoffeld, suikerstroop voor de werkende klasse.[v]

'Mij niet gezien wat ze daar binnen doen, snijden in lijken!'

Iets verderop op de Nes duwen twee schamel geklede jonge knapen een kar voort. Onder het dekzeil ligt het lijk van een eergisteren opgehangen dief. De oudste spreekt met een zwaar Brabants accent. Waarschijnlijk is hij pas in Amsterdam. Net als zoveel immigranten die werk of fortuin zoeken, woont hij in een sloppenwijk aan de rand van de sterk groeiende stad. Het is winter, koud en guur. ‘Moeder Maria, schiet toch ‘ns op, ’t corps stinkt me toch ‘nen uur in de wind, ik wil ’t nú lozen, ‘k wil mien carolus voor ‘ne moand swoege, dan kan ik dêr ‘ne romer brandewijn fan sjoekeluh[vi]’, zemelt hij. ‘Awel zunne’, reageert de ander als ze de bocht naar het St. Pietersgasthuis omslaan die, samen met het Margaretha klooster, al bijna een eeuw als vleeshal dienst doet. Het lijk van de misdadiger zal worden gebruikt voor de anatomische les.[vii] ‘Ge moet maar afwachten of ge die sulveren carolus[viii] van die hoge heren krijgt en dronken kan worden. Mij niet gezien wat ze daar binnen doen, snijden in lijken. Chirurgijnen of heelmeesters noemen ze zichzelf maar hoe kan dat nu als de kop er vanaf is?’[ix] Zijn Brabantse metgezel lacht, zijn stemming is na het grapje merkbaar verbeterd.

'Allez, respectez la noblesse!'

In een van de zijstraten van de Nes, in de Wijde Lombardsteeg wegen geldwisselaars zilveren carolussen, florijnen, braspenningen, achterwielen, Spaanse kluiten en andere munten uiterst zorgvuldig af. Valsemunters willen nog wel een stukje metaal afsnijden. Telramen achter de toonbank, wisselkoersen op leisteen aan de muur. Ondanks - of misschien dankzij - de schermutselingen met Engeland gaat de handel voortreffelijk.[x] Duitse, Spaanse en Poolse handelsvertegenwoordigers lopen af en aan naar hun nering. Een Franse edelman in nauwsluitende jas met twee rijen knopen, zijn lange vest rijkelijk versierd met kant, kijkt zijn ogen uit. Hij moet nog oppassen als een boenvrouw plots een emmer water voor hem op straat uitkiepert. ‘Allez, respectez la noblesse!’, schreeuwt hij naar boven terwijl hij maar net zijn brede hoed droog kan houden. ‘Tuches[xi], seigneur! past maar op dat ge die glimmende schoentjes niet vies maakt’, snibt ze even eigengereid terug.[xii] Iets later besmeurt een hoepel van enkele kinderen toch nog zijn rode schoenen, de brutaliteit! In Frankrijk zouden ze…

Zoveel verschillende kerken

‘Merde, maar wat een vrijheid hier!’ denkt hij dan opgeruimd. Zoiets heeft hij nergens gezien. Zoveel verschillende kerken, katholiek en protestants bijna broederlijk naast elkaar, zoveel geloven die minder openlijk beleden kunnen worden, remonstranten, doopsgezinden, lutheranen, quakers en Sefardische joden achter Waterlooplein. Iemands geloof schijnt er in deze stad nauwelijks toe te doen, zolang de regenten elkaar maar de mooie baantjes en posities kunnen toespelen. Want de edelman weet: nog groter dan hun afkeer van tirannie is de zucht naar rijkdom die ze in herenhuizen en buitens langs Amstel en Vecht tentoonspreiden.

Religieuze vrijheid: schone schijn?

Maar die vrijheid is toch vooral schone schijn. Vooraan in de kerkbanken die ze verplicht zijn om op te zoeken, staat bij tijd en wijle het zweet op hun voorhoofd. Na de dienst laat de dominee hen rijmpjes lezen die hij uit het ponkje[xiii] heeft gevist, rijmpjes die nog erger zijn dan een mes in de rug. ‘Heere godt wilt ons ontlasten/ van alle dees regenten wreet/ ghij kent het best deese gasten/ die ons aandoen so veel leet’, staat er op een te lezen. De zelfgenoegzame uitstraling op hun portretten verbloemt de spanningen waarmee ze worden geconfronteerd. Regenten kunnen er bijna donder op zeggen dat ze tijdens hun lange regeerperiode minstens één keer het uitgebuite volk op hun stoep krijgen. Die hen of hun huisraad vervolgens tot barrels slaan. Of de magistraat en zijn coterie op straat gooien, de ultieme vernedering.[xiv] Zulke stedelijke opstandjes (ook wel ‘beroerten’ genoemd) komen in de Gouden Eeuw gemiddeld één keer per jaar voor. De afstand tot het volk is, letterlijk, kleiner dan de buitenlandse adel die in ‘gated communities’ op het platteland woont. Geen wonder dat Jacob Cats, raadspensionaris, grootgrondbezitter en een nog veel groter moralist, zijn buiten ‘Sorghvliet’ noemt (tegenwoordig is dit het ‘Catshuis’, ambtswoning van de premier). En Constantijn Huygens, wetenschapper, diplomaat en dichter, betitelt zijn stulpje, eveneens net buiten het deftige Haagje, als ‘Hofwijck’. Het zijn veelzeggende namen.

Met verbaal geweld uitgevochten

De regenten krijgen dan ook veel voor hun kiezen. Buiten de bedreigde tuin die de Republiek in de 17de eeuw feitelijk is[xv], hebben ze op te boksen tegen mogendheden als Engeland en Frankrijk. Waar hun diplomatie faalt, slagen ze met de wapens, niet alleen op land maar vooral in de zeeslagen. Binnenlands moeten ze adel, ambachtslieden en het gewone volk buiten het machtsspel houden. Die zijn in wisselende verbanden op de hand van de Oranjes, hun naar monarchie strevende tegenstanders. En dan is er nog de calvinistische staatsreligie met hun aanhang onder het bijgelovige volk dat alle niet-gereformeerde uitingen van de Bijbel wil censureren of verbieden. De steeds minder gelovige regenten weten dat daarentegen effectief te verhinderen. Uit hun midden komen befaamde wetenschappers als Huygens, Leeuwenhoeck en Stevin voort, veelal opgeleid aan een van de jonge universiteiten die over de rest van de provinciën zijn verspreid.[xvi] Theologische en politieke verschillen worden met veel verbaal geweld uitgevochten in pamfletten, schotschriften en boeken, kreupelrijmpjes, in kroegen en bordelen. Iedereen doet aan al dat getwist en gescheld mee, van orthodoxe predikanten en verlichte professoren tot aan volslagen leken aan toe. Drukkerijen schieten die jaren de grond uit,[xvii] de laatste wetenschappelijke ontdekkingen worden aan het IJ gepubliceerd: Amsterdam vormt enkele decennia het hart van intellectueel Europa (tot Den Haag vanaf 1700 die rol overnam).

Jarich Jellesz., Simon Joosten de Vries & Pieter Balling

Op de Dam, enkele minuten gaans van de Nes, staan drie heren voor het nieuwe stadshuis te praten. Het zijn Jarich Jellesz, Simon Joosten de Vries en Pieter Balling. We kennen hun uiterlijk noch eigenaardigheden, hun lengte noch hun temperament. Als handelaren in goeden doen zullen ze waarschijnlijk in gebruikelijk zwart zijn gekleed en met grote, witte kragen uitgerust die we zo goed van de portretten uit de Gouden Eeuw kennen. Jarich Jellesz, wiens ouders uit Staveren naar hier kwamen, zal als Fries misschien iets langer dan de andere twee zijn geweest. Simon Joosten de Vries, net als hem vrijgezel en mogelijk homoseksueel, kan zich door zijn grotere rijkdom misschien duurder dan de anderen hebben gekleed. Pieter Balling, de oudste, is de meest geleerde van alle drie.[xviii] Het enige wat met zekerheid valt te zeggen, is dat ze bijna tien jaar lang in koloniale waren zoals zuidvruchten handelen, vloeiend Spaans spreken en doopsgezinden zijn. Als Collegianten van diverse gezindten komen ze tweemaal per jaar samen om in Rijnsburg bij Leiden hun erediensten te vieren.[xix] Pieter Balling zucht, haalt een kleurige zakdoek uit de binnenzak en snuit omstandig zijn neus. Soms wordt het hem teveel, al dat domme getwist en gekrakeel over wat en hoe te geloven. Kan de mens dan geen vreugd en geluk in de deugd zelve vinden?[xx] De deugd is toch niet Gods genade? Waarom zo’n felle strijd over dogma’s die niets met geloof hebben te maken? Woorden verslijten, betekenissen veranderen, ze hebben weinig tot geen relatie met dingen of zaken die ze moeten uitdrukken…

Hypocriete kerkgangers

‘Hebben jullie het al gehoord?’, zegt Balling tegen zijn broeders nadat hij zijn zakdoek heeft opgeborgen, ‘William Ames, de quakerse missionaris uit Engeland, is na vier jaar omzwervingen weer in de stad.’ Jarich Jellesz, even vredelievend en verdraagzaam als Balling maar aanzienlijk devoter, kijkt geschrokken op. ‘Wat, die ruziezoeker?[xxi] Is die terug? Dat hij weigert zijn hoed voor de hoge heren af te nemen, daar kan ik nog wel inkomen. Maar dat hij onze zondagse diensten verstoort en onze kerkgangers voor hypocriet uitscheldt, gaat me te ver.’

Het innerlijk licht

‘Toch valt er wel wat voor zijn redeneertrant te zeggen’, verdedigt Balling de scherpslijper. ‘Quakers noemen zich kinderen van het licht. Het ware geluk krijgen we niet door het navolgen van wetten, traditie of autoriteit maar door het innerlijke licht. Eerder heb ik het er nog met Spinoza over gehad toen ik hem in de Latijnse school van Van den Enden tegenkwam. In onze filosofische kring, waarin we wekelijks een van zijn axioma’s bespreken, is de verbetering van het verstand uitgebreid aan de orde geweest.[xxii] Volgens hem is de mens alleen aan de wetten der natuur onderworpen. Geen drie-eenheid Gods, geen riten, geen kruisdood van Christus, geen terugkeer of de komst van de Messias.[xxiii] Het draait om het innerlijke licht, noem het de Christus, de Heilige Geest of anderszins. Dat licht is, zo zeggen wij, een klare kennis van waarheid, in het verstand van een ieder mens, van het zijn en van het hoedanig zijn der zaken, zódanig dat het onmogelijk is om daaraan te twijfelen.’[xxiv]

Collegianten & Spinoza's filosofie

Door de Collegianten wordt maar weinig aandacht aan die rationalistische ideeën geschonken. Hoewel iedereen in hun vrijspreekcolleges als gelijk wordt gezien en zonder voorganger afwisselend het woord voert, houden die vrijzinnigen zich veel meer met het geloof en hoe deugdzaam te leven dan met de filosofie bezig. Niets van Spinoza’s gedachtegoed komt tijdens die jaren in hun geschriften terecht. De stiefkinderen van het christendom laten Spinoza spreekwoordelijk links liggen. Maar niet letterlijk: tussen 1661 en 1663 komen ze hem zo nu en dan tegen in dit duindorp waar hij bij de collegiant-chirurgijn Herman Loman inwoont. Soms zullen ze een pijpje hebben gerookt. Of aan het eind van de dag een biertje[xxv] in de zon hebben gedronken. ‘t Gaat altijd met mate, hij doet het vooral om het stof van zijn lenzen slijpen weg te spoelen. Die kleine, bleke man met dat nare kuchje is altijd voorkomend en vriendelijk.[xxvi] Verder dan koetjes en kalfjes zullen die praatjes niet zijn gegaan. Hun voormannen komen pas in actie als orthodoxe predikanten het steeds meer voor het zeggen krijgen. Dan moeten ook zij zich voor hun aantijgingen staande houden door Spinoza’s nagelaten geschriften als ‘godslasterlijk’ te brandmerken.

Het verhaal van Spinoza's leermeester: Franciscus van den Enden

Franciscus van den Enden is kwaad. Het gaat volkomen tegen zijn schertsende, vrolijke natuur in. Nee, niet hoe sommige regentenzonen hem, achter zijn rug om, nogal neerbuigend noemen. Dat ‘paapse schoolmeester’ kan de ex-Jezuïet en vrijdenker wel als een eend van zich afschudden. Ook niet dat Baruch de Spinoza, zijn meest briljante leerling, in de zomer van 1661 uit Amsterdam is verbannen. Ging hij er nu vandoor toen iemand hem, na afloop van een bezoek aan de schouwburg, met de ponjaard stak of was het nu tóch vanwege de tweede ban, hem door de wraakzuchtige joodse gemeenschap opgelegd? Franciscus weet het niet, hij weet alleen dat in zijn school het gerucht gaat dat Spinoza nog enige tijd op een buiten aan de Amstel, achter banpaal 1625[xxvii], onderdak heeft gevonden voordat hij de hoofdstad definitief heeft verlaten. Noch over Spinoza’s vertrek noch over de roddels en opmerkingen windt de doorgaans zo ‘vrolijke dokter’ zich op. Zijn woede komt uit iets anders voort: onderdrukking en uitbuiting van kleine lieden en armlastigen door die vermaledijde hoge heren, of ze nu katholiek of calvinistisch van origine zijn. Het is een grof schandaal! Aalmoezen als aflaat voor schuldgevoelens geven is me toch een grote farce! Ruim een jaar geleden, in de zomer van 1663, stond er alweer een stoet ambachtslieden, hun petten deemoedig in de hand, bij hem op de stoep, een sliert weduwen en wezen daarachter nog schuchterder op de kasseien. ‘Och meester’, zegt de moedigste en meest welbespraakte, ‘heeft U wat brood voor ons? Pestilentiën woeden in de stad en hebben tienduizenden slachtoffers onder het volk gemaakt. We hebben geen eten en werkgevers weigeren ons werk te geven.’[xxviii] Van den Enden kijkt hen medelijdend aan. ‘Claartje!’ roept hij naar achteren. Zijn oudste dochter komt aangehobbeld vanuit de duiventil die zijn grote huishouden is. Clara Maria, zoals ze heet, loopt mank. Toch is ze altijd goed geluimd en uitermate intelligent. [xxix] ‘We hebben vast nog wel wat brood en spek in onze voorraadkast, kan je dat aan die arme drommels geven?’

Polygamist Plockhoy & zijn droom

Franciscus blijft kwaad. Vorig jaar stond net zo’n armoedig zootje bij hem op de stoep, een zekere Plockhoy met zijn volgelingen. Zij wilden dat hij bij de koloniekamer voor hun plannen pleitte. Plockhoy, een doopsgezind collegiant uit Zierikzee, had juist daarvoor zijn ‘Kort en klaer ontwerp’ geschreven, een constitutie voor een nederzetting die ze in de Nieuwe Wereld wilden stichten. Het was een wonderlijk mannetje, charismatisch, diepgelovig én polygamist. Volgens hem kwam alle lust tot macht van de duivel en moet de ware christen op gelijke voet met de ander omgaan. Dat eerste is natuurlijk baarlijke nonsens - de duivel bestaat niet - maar met het tweede stemt hij van harte mee in. Vier jaar lang had Plockhoy geprobeerd om in Engeland egalitaire gemeenschappen op te zetten. Had zelfs het oor van de protestantse leider Cromwell. Toen de monarchie zich echter herstelde, vielen zijn plannen in duigen. Omdat Plockhoy Van den Endens reputatie wel kende, klopte hij bij hem aan. De koloniekamer weigerde. Hun voorstellen bleken te radicaal. Plockhoy had hem nog zó gewaarschuwd: strijk ze niet tegen de haren in. Maar de meester liet zich door zijn welsprekendheid meeslepen. Hij fulmineerde tegen het opleggen van belasting in de nieuwe kolonie, wilde predikanten pertinent uitsluiten. Vermoedelijk schoot het de hoge heren vooral in het verkeerde keelgat dat hij een van hen van schraapzucht en inhaligheid beschuldigde. Al snel scheidden hun wegen. Binnen enkele weken kreeg Plockhoy, omstandig Bijbelverzen citerend, wel voor elkaar waar Franciscus faalde. Zijn kolonisten kregen elk een lening van honderd gulden, zeilden in mei 1663 met 25 gezinnen op de ‘St. Jacob’ uit en vestigden zich twee maanden later in ‘Swaenendal’, het huidige Lewes in Delaware.[xxx]

Een radicaal nieuwe staatsvorm

Inwendig jaloers en kwaad zet de ‘vrolijke dokter’ zich aan het werk om een vervolg op het ‘Kort verhael van Nieuw Nederlants’ te schrijven. Was het ‘kort verhael’ nog een verzameling stukken van het proces om tot een democratische kolonie te komen, in het nieuwe geschrift geeft hij een geheel logische, deterministische onderbouwing voor een radicaal nieuwe staatsvorm. Het moet in het geheim en bij kaarslicht in de avontuurtjes gebeuren. Hij herinnert zich nog een gesprek van enkele weken geleden. ‘Meester,’ smaalt een van die dikke burgemeesters terwijl hij omstandig aan zijn sikje[xxxi] plukt (wat een pompeuze, opgezwollen geit! Maar gras zal ti ende niet vreten, eerder paté foie gras of eendenlever, denkt Franciscus snedig) [xxxii], u moge weliswaar onze zonen het nodige Latijn bijbrengen, wij vinden uw toneelvoorstellingen ook danig vermakelijk, maar houdt u uw radicale ideeën altegader voor u, want anders geven we u een verbod op deelneming aan openbare disputen.’[xxxiii] Van den Enden weet precies wat de regent bedoelt: hij mag niet het algemeen belang als hoogste wet en Gods stem betitelen! (want dat zijn de laatste twee zinnen in de titel van ‘Vrye polityke stellingen’).

Evengelijkheid sluit onderlinge overheersing uit

Die grondstellingen – directe democratie en afwijzing van de openbaring - maken dit geschrift dat hij op eigen kosten door de collegiant Rieuwertsz. laat drukken revolutionair. Franciscus heeft ervaren hoe die met elkaar omgaan. Collegianten noemen elkaar broeder, erkennen geen leider en verrijken zich niet over de ruggen van anderen, roofzuchtige regenten voorop. Dat nu past hij puur seculier toe. Zijn ‘vrije politieke stellingen’ zijn revolutionair omdat het de openbaring als dwangmiddel uitschakelt en vrijheid en gelijkheid als twee kanten van dezelfde medaille ziet. ‘Even-gelijkheid’, zoals hij het noemt, ‘sluit onderlinge overheersing uit’.

Goed en slecht bestaan niet

Maar wie zijn vrij? Dat zijn economisch zelfstandige mannen van goede naam; vrouwen, kinderen en criminele personen worden op grond van hun afhankelijkheid, onvolwassenheid en gedrag uitgesloten. Goed en slecht bestaan volgens Van den Enden niet. Goed is wat iemand vooruit helpt, slecht het tegenovergestelde. Ondeugden komen slechts voort uit maatschappelijk falen: leugen en bedrog, uitbuiting en geweld, slechte behandeling en vernederende ervaringen.

Eigenbelang en eerzucht boven het algemene belang

Van nature streeft ieder mens naar maximalisering van eigen belang. Van den Enden onderkent dat meteen. Zijn pseudoniem is ‘hij die van zaken houdt’. Maar wie kan ervoor zorgen dat dit eigenbelang, onafhankelijk van iemands talenten, bezit of geslacht, het beste gediend wordt? Predikanten noch hoge heren: alleen de ‘gemenebest’ als ‘som van ieders belang’ telt. ‘De volksregering is de enige die van nature gedurige verbetering toelaat en insluit’, schrijft hij. Daar laat hij het echter niet bij. Van den Enden, fel: ‘nooit kan ik toegeven dat een volk verplicht zou zijn om blindelings te varen op de bijzondere kennis van iemand anders.’ Ook onder experts komen tegenstellingen voor en stellen hun eigenbelang en eerzucht boven het algemene belang. Hun adviezen zijn prima maar de volksvergadering heeft, via geheime stemmingen, het laatste woord. Betaalde politici wijst Van den Enden af. ‘Welsprekendheid en hebzucht van functionarissen moeten in de gaten worden gehouden’, schrijft hij.[xxxiv]

Van den Enden & Spinoza

Spinoza, inmiddels woonachtig in Voorburg, neemt de politieke filosofie van zijn leermeester vrijwel volledig over. De invulling van de begrippen goed en slecht. De idee van directe democratie door een gemeenschap voor en door ‘evengelijken’ (Spinoza noch Van den Enden pleiten echter voor economische gelijkschakeling!). En van een God die met de wetten van de natuur samenvalt waarvan de mens ‘slechts’ een onderdeel is. Alleen het recht op opstand laat Spinoza in zijn Godgeleerd-Staatkundig Vertoog, het enige geschrift dat hij onder eigen naam tijdens zijn leven publiceert, vallen. Die calvinistische trek is de afvallige jood vreemd.

Aan de galg

Voor Van den Enden leidt dat laatste zelfs tot zijn dood. Ziek van de vele spreekverboden, hem door de vroedschap opgelegd, en beschuldigingen door de gereformeerde kerkenraden verkast hij zijn Latijnse school in 1670 naar Parijs. Daar wordt hij het brein achter een samenzwering tegen Lodewijk XIV. Een leerling die in die jaren bij hem inwoont verraadt hem echter. Hoewel hij eerst kan ontsnappen, wordt de bejaarde, hij is al over de zeventig, snel gearresteerd. Na een bekentenis, waarin hij zijn gehele politieke filosofie ontvouwt, bungelt Van den Enden op een winterse dag in 1674 aan de galg. Zijn adellijke samenzweerders komen, iets sneller en humaner, onder de hakbijl in de Bastille terecht.[xxxv]

De radicale verlichting & de Franse Revolutie

En die radicale verlichting in Holland speelt zich ruim honderd jaar voor het ‘contract social’ van Jean Jacques Rousseau af, honderd jaar voordat atheïstische denkers hun pijlen op het algemeen aanvaarde christendom en op het zogenaamde recht van de monarchie richten, 120 jaar voor ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’, de leus van de Franse Revolutie!

'Ergste barbaren!'

Is er veel veranderd sinds de Gouden Eeuw? Natuurlijk, regenten worden niet langer, tezamen met hun huisraad, op straat gesmeten. Of, zoals met de broeders De Witt – ook regenten en Spinoza’s beschermers – in 1672 is gebeurd, door Oranjegezinden aangevallen, gelyncht en zelfs in stukken gesneden (toen Spinoza dat hoorde, werd hij voor de eerste keer van zijn leven woest, volkomen tegen zijn vredelievende natuur in. Hij moest en zou naar de plek des onheils lopen, een uur gaans. Daar, op het ‘Groene Zoodje’, waar de lichamen van de De Witts aan de boom bungelden, wilde hij een plakkaat spijkeren met de tekst ‘ultimi barbarorum!’ – de ‘ergste barbaren!’. Zijn huisbaas sloot hem op in zijn kamer en redde daarmee, zeer waarschijnlijk, zijn leven). Tegenwoordig kunnen verantwoordelijke politici en bestuurders zich veilig in ‘gated communities’ of in de anonimiteit terugtrekken, precies zoals de Franse adel dat vóór de Franse Revolutie op het platteland deed.

De lessen van de radicale Verlichting zijn vergeten

Is er eigenlijk wel zoveel veranderd vanaf de ‘Gouden’ Eeuw? Sinds jaar en dag vertoont de Nederlandse parlementaire democratie trekken van multiple sclerose. De lessen van onze radicale Verlichting lijken te zijn vergeten. Zorgbestuurders verrijken zich op kosten van de gemeenschap waardoor ze eens werden benoemd. Politici, goeden niet te na gesproken, doen het niet voor hen onder, vooral als ze in een regeringscoalitie zitten of hebben gezeten. Het draaideurmechanisme is gemeengoed geworden: politici spelen stuivertje wisselen met het bedrijfsleven, banken en vooral met communautaire organisaties (zoals de zorgsector). We leven, met andere woorden, in een particratie waarin de heersende partijen en hun lobbyisten en communicatie adviseurs het voor het zeggen hebben. ‘De Federalist’, een democratische organisatie uit de VS, had gelijk toen het stelde ‘het volk kan nooit moedwillig zijn eigen belangen verraden; maar het kan wel worden verraden door de vertegenwoordigers van het volk’.[xxxvi] Van den Enden en Spinoza hadden gelijk met hun pleidooi om politici niet voor publieke werken te betalen. Dat zou een nieuwe klasse scheppen zoals we vanaf de Gouden Eeuw immers hebben gezien. En ze hadden evenzeer gelijk met hun idee dat de schaal van de ideale staat meespeelt. Die moet niet te groot, noch te klein zijn. Niet zo klein als een dorp, ook niet zo groot als een land. Een stad, of een confederatie van steden, is ruim voldoende, menen beide vrijdenkers. En ze hebben daarbij de Renaissancistische Italiaanse stadstaatjes voor ogen (beiden kenden ‘Il Principe’ van de diplomaat Niccolo Machiavelli goed).

Vrijheid & dircecte democratie: is het mogelijk?

Directe democratie en vrijheid verlangen nogal wat, onafhankelijk van de soort gemeenschap (socialistisch, kapitalistisch of theocratisch, dat is aan de volksvergadering). De voorwaarde is betrokkenheid, actieve deelname aan het besluitvormingsproces. En zich met anderen kunnen verbinden. Net als in de 17de eeuw toen vluchtelingen en arbeidsmigranten in ons land een veilige haven zochten, bestaan er ook nu weer grote culturele verschillen. Tweede of derde generatie Marokkanen en Turken, Somaliërs, Afghanen en nu de instroom van Syriërs. Het is maar de vraag hoeveel mensen en in welke mate kunnen en willen participeren. Of, binnen de gegeven rechtsorde, ‘religieus’ (verbindend) in de taal van de 17de eeuw zijn. Want - om op de collegianten rondom Spinoza te reageren - alleen ‘ware religie baart rede en evengelijkheid’.

Leestip:

The March of the Libertines – Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660-1750)
Auteur: Michiel Wielema
Uitgeverij: Verloren
ISBN: 9065507779 
Winkelprijs: €29,–

Bestel The March of the Libertines

 

 

Afbeelding:

Het Groote huis van de Collegianten in Rijnsburg (1665 of daaromtrent)

Primaire bronnen:

Balling, Pieter, ‘Het licht op den kandelaar’, 1662

Koerbagh, Adriaan, ‘Een bloemhof van allerley lieflijkheyt sonder verdriet’, 1668

Plockhoy, Pieter Cornelisz., ‘Kort en klaer ontwerp’, 1662

Spinoza, Benedictus de, ‘Korte verhandeling van God, de mensch en deszelvs verstand’, ca. 1659

Spinoza, Benedictus de, ‘Tractatus theologico-politicus’ (Godgeleerd-staatkundig vertoog), 1670

Van den Enden, Franciscus, ‘Kort verhael van Nieuw-Nederlant, 1662

Van den Enden, Franciscus, ‘Vrye Politijke Stellingen’, 1665

Noten:

[i] Ook wel de Korenbeurs. Graanhandel via de Sont op de Oostzee was tussen de 14de en 18de eeuw van levensbelang voor de Nederlanden en werd ook wel ‘moedernegotie’ genoemd. Zie oa. Martijn Lak, ‘De moedernegotie’, Historisch Nieuwsblad (HN), 6/2007, via: http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6948/de-moedernegotie.html

[ii] Circa tweederde van alle matrozen in de Gouden Eeuw was van buitenlandse afkomst, vooral uit Engeland maar ook uit Vlaanderen, de Duitse landen en Scandinavië.

[iii] Normaliter gingen er twintig eieren in om het schuim van het ziedende suiker af te scheppen. Ossenbloed was echter goedkoper. Vanaf 1704 verbood de stad het gebruik van ossenbloed op grond van gezondheidsredenen (bron: zie noot 5).

[iv] De Nes stond vanaf de Gouden Eeuw als straat van suikerbakkers en tabakshandelaren bekend. De tabaksveilingen hielden pas na de Tweede Wereldoorlog op.

[v] Rond 1660 telde de stad ruim zestig suikerbakkerijen, een kapitaalintensieve sector waar volgens stadsgeschiedschrijver Melchior Fokkens wel vijftig- tot zestigduizend guldens per nering in omging en tevens aanpalend werk aan pottenbakkerijen aan de rand van de stad bood. Zie onder meer: http://www.onsamsterdam.nl/component/content/article/23-tijdschrift/tijdschrift-jaargang-2005/660-nummer-10-oktober-2005?showall=&start=3d

[vi] Brabants voor ‘zuipen’. De werkende klasse dronk brandewijn en jenever in donkere kroegen. Wijn was enkel weggelegd voor de rijken.

[vii] Rembrandt maakte in 1632 het schilderij ‘De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp’. De mythe gaat dat Spinoza bij zijn zoon Dirck Tulp onderdak vond toen hij verbannen werd. Het schilderij valt te zien op: http://www.rembrandthuis.nl/rembrandt/belangrijkste-werken/de-anatomische-les-van-dr-nicolaes-tulp

[viii] naar huidige maatstaven omgerekend is een zilveren carolus ongeveer 70 euro. Een ambachtsman verdiende in de 17de eeuw gemiddeld 300 à 400 euro per jaar. Regenten hadden soms fortuinen van tientallen miljoenen euro’s.

[ix] Het grapje is afkomstig van Adriaan Koerbagh, intellectueel, arts en jurist. In 1668 publiceerde deze spotter van godsdiensten ‘Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd (etc.), het eerste woordenboek van bastaardwoorden in de Nederlandse taal, tevens het enige woordenboek dat in Nederland verboden werd. Ewoud Sanders, taalhistoricus, heeft daarvan een bloemlezing uitgebracht, ‘Woorden van de duivel’ (Bijenkorf, 1993) waaruit dit grapje is gehaald. Over het leven van Adriaan Koerbagh – dat tragisch in het rasphuis eindigde - verscheen vrij recent een biografie. Zie: Bart Leeuwenburg, ‘Het noodlot van een ketter’, uitgeverij Vantilt, maart 2013.

[x] De radicale Verlichting viel vrijwel samen met het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650 – 1672). Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Eerste_Stadhouderloze_Tijdperk

[xi] Bargoens voor ‘kiss my ass’

[xii] Deze scène is ontleend aan en geïnspireerd op Wiep van Bunge, ‘De Nederlandse Republiek, Spinoza en de radicale verlichting’, VUB Press, 2010, p. 33

[xiii] Een diepe, zwarte collectezak die na afloop van de dienst door kerkvoogd of diaken langs de rijen in de kerk gaat, ter inzameling van gelden voor beheer van de kerkelijke goederen (kerkvoogdij) en maatschappelijk werk (diaconie, d.w.z. ondersteuning van armen, weduwen en wezen van de belijdende leden van deze kerk). De zak is diep en zwart zodat niemand kan zien wat de gever erin stopt.

[xiv] Zie daarvoor oa. Luc Panhuysen, ‘Regenten in de rats’, HN, 2, 2012 of in zijn geheel op : http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/28520/regenten-in-de-rats.html

[xv] ontleend aan Theun de Vries, ‘Spinoza’ (herziene biografie), De Prom, 1991

[xvi] ‘Cruciaal voor het succes van Descartes (waarop Spinoza verder borduurde. TZ) was de jonge leeftijd van de Nederlandse universiteiten’, Wiep van Bunge, ‘De Nederlandse republiek…’, pp. 38-39. Leiden kreeg in 1575 als eerste een universiteit, toen Franeker (1589), Groningen (1619) en Utrecht (1636) en tenslotte zelfs Harderwijk (1648).

[xvii] In de tweede helft van de 17de eeuw nam de persvrijheid in de Republiek af. Terwijl er in 1675 nog ruim honderd drukkers in Amsterdam waren, was dat aantal in 1700 tot 86 geslonken. Zie: Geertje Dekkers, ‘persvrijheid in het Amsterdam van de Gouden Eeuw’, HN, 10/2007, via: http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6994/de-persvrijheid-in-het-amsterdam-van-de-gouden-eeuw.html

[xviii] Over de afkomst van de eerste twee, zie: A.M. Vaz Diaz ‘Spinoza and Simon Joosten de Vries’ en W.G. van der Tak, ‘Jarich Jellesz. Origins, life and business’, in: Mededelingen vanwege het Spinozahuis, nr. 59, Eburon, Delft, 1989.

[xix] Wiep van Bunge (Erasmus University), ‘Spinoza and the Collegiants’, Philosophia OSAKA, no. 7, 2012 en ‘Spinozistische vrijdenkers in de Republiek, 1998, te vinden op: http://www.verbodengeschriften.nl/html/spinozistischevrijdenkersinderepubliek.html

[xx] Een radicaal standpunt, in de tijd daarvoor werd geluk gezien als het gevolg van Gods genade. Zie oa.: Peter Buijs, ‘De eeuw van het geluk: Nederlandse opvattingen over geluk ten tijde van de Verlichting 1658-1835’, Uitgeverij Verloren, 2007

[xxi] En dat heeft Jarich Jellesz nog vriendelijk uitgedrukt. Volgens Van den Berg, emeritus professor kerkgeschiedenis, werd hij door de hoge heren als ‘lunatic’ (gek) uitgemaakt. Ames kreeg diverse keren een spreekverbod opgelegd en werd even zo vaak verbannen, iets wat hij handig wist te voorkomen door bij radicale vrienden in de stad onder te duiken. Zie: Johannes van den Berg, in: ‘Religious Currents and Cross-Currents: Essays on Early Modern Protestantism and Protestant Enlightenment’, Brill, Leiden, 1999

[xxii] En van de eerste wetenschappelijke studies over de Collegianten rondom Spinoza verscheen alweer bijna twee eeuwen geleden, die van de Fries Koenraad Oege Meinsma, ‘Spinoza en zijn kring (historisch-kritische studiën over Hollandse vrijgeesten)’, Den Haag, Martinus Nijhoff, 1896 en, gelukkig dankzij internet!, in zijn geheel te vinden op: https://archive.org/stream/spinozaenzijnkri00mein#page/n3/mode/2up

[xxiii] Alleen Balling en Spinoza zouden dit gezegd kunnen hebben. Onder de ‘stiefkinderen van het christendom’ heersten zeer verschillende meningen. De ene groep (anti-trinitaristen) wees de drie-eenheid af, doopsgezinden zien Jezus Christus eerder als lichtend voorbeeld dan aan het kruis gestorven, chiliasten daarentegen geloven wel in de komst van het Koninkrijk Gods en de Eindtijd, en joden, met uitzondering van de kabbalisten, kijken uit naar de komst van de Messias (niet Jezus). Over Spinoza als kabbalist, zie: Tseard Zoethout, ‘Spinoza en de kabbala’, in: Bres, 2003

[xxiv] De laatste zin is bijna letterlijk overgenomen uit ‘Het licht op de kandelaar’, het pamflet dat in 1684 onder Pieter Ballings naam verscheen. Een eerdere versie uit 1662, toen het pamflet ontstond, vermeldt echter William Ames als auteur. Het pamflet geldt nog steeds als een van de belangrijkste bronnen voor de Quakers. En er is meer. Gezien de wijze van formulering en de gebruikte woorden wordt ook wel verondersteld dat Balling in de totstandkoming van dit geschrift met Spinoza heeft samengewerkt zonder dat precies te zeggen valt wie wie heeft beïnvloed. De overeenkomsten tussen Ballings ‘Het licht op de kandelaar’ en Spinoza’s ‘De verhandeling over de verbetering des verstands’, het onvoltooid gebleven (jeugd)werk uit 1658 toen de laatste bij Franciscus van den Enden inwoonde, zijn in ieder geval treffend. Vele onderzoekers hebben zich over deze kwestie gebogen, onder andere Willem Klever, de grote Spinoza deskundige. Zie o.a. zijn werk: ‘Mannen rond Spinoza (1650-1700)’, (presentatie van een emanciperende generatie), Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1997.

[xxv] Spinoza mocht graag een pijpje roken. Zie: Theun de Vries. Ook gerstenat ging er wel in, zo blijkt uit een lijstje bierbestellingen in zijn nalatenschap volgens Klever. Maar het zal altijd met mate zijn gegaan: de volgende dag moest hij weer nauwkeurig aan zijn lenzen slijpen (dat hij het dronk om het stof weg te spoelen, is mijn ‘educated guess’).

[xxvi] Spinoza leed twintig jaar aan tuberculose, al vanaf het moment dat hij bij Van den Enden in de leer was, Latijn onderwees en bij hem inwoonde. De remedie volgens zijn vriend en arts Koerbagh was seksuele geheelonthouding. K.O. Meinsma geeft in ‘Spinoza en zijn kring’ daarvoor het recept: aftreksel van rozenbladeren…

[xxvii] Wie verbannen werd, moest achter deze banpaal verblijven. Deze stenen obelisken, ruim twee meter hoog, gaven de grens van de Amsterdamse jurisdictie aan. Er staan er nog enkele. Banpaal 1625 ligt ter hoogte van de Middelpolder, net voorbij het huidige gemaal aan de Amstel, richting Ouderkerk. Op luchtfoto’s – via Google Earth – vielen de contouren van het vroegere Tulpenburch enige jaren geleden nog te zien.

[xxviii] Tijdens de pestepidemie van 1663-1664 vielen er bijna 25.000 slachtoffers, circa tien procent van de werkende bevolking, met name in de sloppenwijken. Zie het lemma op Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Pestepidemie_in_Amsterdam

[xxix] Clara Maria van den Enden, acht jaar jonger dan Spinoza en twaalf, dertien jaar toen de wijsgeer haar ontmoette, trouwde in 1671 met Theodor Kerckring, net als Spinoza leerling aan de Latijnse school. Het is niet onwaarschijnlijk dat Spinoza verliefd op de oudste dochter van Van den Enden was.

[xxx] Zie Frans Mertens van de Universiteit van Gent. Hij heeft het nodige over Van den Enden en Plockhoy mede te delen (hoewel zijn sectie over de bloeitijd en neergang van Van den Enden nog niet af is). Zie: http://users.telenet.be/fvde/index.htm?Home1

[xxxi] Gerard Schaep of, waarschijnlijker, Andries de Graeff. De Graeff was in totaal zeven keer burgemeester van Amsterdam en bepaalde, samen met zijn broer Cornelis en de gebroeders de Witt, de financiën en politiek tijdens het Eerste stadhouderloze tijdperk. Nepotisme was bij de regentenklasse schering en inslag: de De Witts moesten oom tegen hem zeggen, Frans Banning Cocq, kapitein van de schutterij, was zijn zwager en hij was aan de steenrijke familie Bicker gelieerd. Iedereen kent die kapitein wel: hij is immers de hoofdfiguur op het belangrijkste schilderij uit de Gouden Eeuw… De Nachtwacht.

[xxxii] Volgens Du Cauzé de Nazelle, de man die zijn samenzwering tegen de Franse koning Lodewijk XIV in 1674 heeft verraden, had Van den Enden ‘een kleine gestalte maar met een spirituele en zeer aangename fysionomie. Zijn conversatie was charmant. Hij was vol vuur in zijn redevoeringen, vooral in zijn snedige antwoorden, enthousiast zelfs bij steriele onderwerpen, subliem in zijn gedachten’. Aangehaald door Willem Klever in zijn inleiding op de ‘Vrije politieke Stellingen’, Wereldbibliotheek, 1992. Klever ontdekte in 1990 dat Van den Enden de auteur van dit anonieme werk was. Het is nog niet te vinden in de eerste en enige biografie over Van den Enden van Jan V. Meiniger en Guido van Suchtelen (eertijds secretaris van Vereniging ‘Het Spinozahuis), ‘Liever met wercken als met woorden’ (de levensreis van doctor Franciscus van den Enden, leermeester van Spinoza, complotteur tegen Lodewijk de Veertiende), Uitgeverij Heureka, Weesp, 1980. Wel geven deze auteurs op p. 125 exact dezelfde beschrijving (identieke bron).

[xxxiii] Van den Enden werd diverse keren een spreekverbod opgelegd en week in 1670 naar Frankrijk uit (zie vorige noot).

[xxxiv] Zie het pleidooi van Klever voor Van den Enden’s stellingen in het tijdschrift voor Anarchisme, http://www.tijdschrift-de-as.nl/documenten/de_AS_112.pdf, verder zijn inleiding op ‘vrije politieke stellingen’ en zijn schotschrift ‘Met de oude Grieken, Van den Enden en Spinoza naar een echte directe democratie’, Uitgeverij Vrijstad, 2007 (in eigen beheer).

[xxxv] Zie oa. http://www.amsterdamsespinozakring.nl/spinoza/biografie/franciscus-van-den-enden

[xxxvi] Zie: http://www.constitution.org/fed/federa63.htm

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!