geschiedenis vogeltrek

Hoe een pechvogel het mysterie van de vogeltrek verklaarde

Wetenschappers van de Duitse Universiteit van Oldenburg hebben in 2021 ontdekt hoe sommige soorten trekvogels tijdens hun lange vluchten kunnen navigeren. Moleculen in de ogen van de dieren zijn gevoelig voor het magnetisch veld van de aarde en daarmee kunnen de vogels makkelijker de weg vinden. Met de ontdekking is er weer een klein stukje van het mysterie van de vogeltrek opgelost. De vogeltrek houdt wetenschappers al eeuwen bezig. 

De vogeltrek houdt mensen al eeuwenlang bezig. Dat veel vogels elk jaar vertrekken en een aantal maanden later weer terugkomen, viel mensen al eeuwen op. In de mythologie van volken over de hele wereld speelt de jaarlijkse vogeltrek een rol. Van de Polynesiërs tot de Oude Grieken en de Bijbel. Maar waar die vogels dan steeds naartoe gingen, was voor veel wetenschappers eeuwenlang een raadsel. 

Eerste verklaringen voor de ‘verdwenen’ vogels

Waar bleven de vogels die ’s zomers in grote getalen voorkwamen, maar ’s winters in geen velde of wege te bekennen waren? Plinius de Oudere beschreef een theorie dat de kraanvogels die elk jaar naar het zuiden vlogen op weg waren naar een verschrikkelijke oorlog tussen de vogels en pygmeeën aan de bronnen van de Nijl, een verhaal dat al in de mythes van Homerus voorkwam. Aristoteles baseerde zich meer op zijn eigen waarnemingen, al trok hij daarbij een in onze ogen merkwaardige conclusie. Hij beredeneerde dat de roodstaarten die hij aan het begin van elke winter zag vertrekken transformeerden in roodborstjes. Die laatsten doken namelijk elke winter in Griekenland op als de roodstaarten verdwenen. En als de roodstaarten weer te zien waren, waren de roodborstjes weg. Doordat de soorten niet of nauwelijks tegelijk werden waargenomen, leek zo’n verklaring mogelijk. Toch was ook Aristoteles er niet helemaal van overtuigd dat die transformatie dé verklaring voor het vertrek van vogels was. Zelf kwam hij ook met het idee dat vogels ’s winters in winterslaap gingen. 


Het beste van IsGeschiedenis in je inbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief! Helemaal niks missen? Volg ons op Facebook!


Gaan vogels in winterslaap of vliegen ze naar de maan?

Hoewel het bewijs voor deze theorie mager was, werd winterslaap eeuwenlang als de meest logische verklaring gezien. Wetenschappelijke discussies richtten zich dan ook vaak op de vraag hoe en waar vogels in winterslaap gingen. In 1555 schreef een Zweedse bisschop dat zwaluwen zich in de herfst ingroeven in de door herfstregens zachte bodem, en daar weer uit tevoorschijn kwamen als de bodem door de smeltende sneeuw in de lente weer zacht werd. Volgens andere verklaringen doken zwaluwen onder water en brachten daar ergens de winter door. Sommige verslagen repten zelfs van vissers die zo nu en dan slapende zwaluwen in hun netten aantroffen. Die winterslaap verklaarde echter niet waarom de vogels dan met het wisselen van de seizoenen in grote formaties over vlogen. En daarnaast: hoe ademden vogels als ze zo lang onder water bleven? De achttiende-eeuwse wetenschaper Charles Morton bedacht daarom dat vogels niet in winterslaap gingen, maar naar de maan vertrokken om daar te overwinteren en schreef daar een lijvig onderzoek over. 

Zwaluwen uit Afrika

Maar naarmate Europeanen zich meer over de wereld verspreidden en er meer en meer verslagen van wat zij meemaakten verschenen, begonnen er ook meer puzzelstukjes op hun plek te vallen. Zwaluwen uit Afrika brachten een Britse wetenschapper op het juiste spoor. In 1797 verscheen het boek A History of British Birds van Thomas Berwick, waarin Berwick beschreef hoe een ‘zeer intelligente’ schipper vertelde dat hij op de Middellandse Zee veel zwaluwen noordwaarts had zien vliegen. Berwick beredeneerde dat de grote zwermen zwaluwen die aan de oevers van meren en rivieren werden gezien, niet meteen aangaven dat de zwaluwen ergens onder water de winter doorbrachten. Berwick zette een experiment op. Een winter lang zorgde hij ervoor dat zwaluwnesten in zijn omgeving warm bleven en dat de vogels altijd voldoende eten in de buurt hadden. De vogels vertrokken niet en Berwick trok de conclusie dat de vogels verdwenen als ze in de winter niet genoeg voedsel en warmte konden vinden.
Berwick sloeg de spijker op de kop, maar, zo luidde de kritiek, zijn conclusie was het resultaat van experimenten en dus geen natuurlijk gedrag. Totdat iemand kon vaststellen dat één vogel daadwerkelijk in de herfst naar warmere oorden vloog en in de lente weer terugkeerde, stond er nog niks vast. 

geschiedenis vogeltrek

Pechvogel geeft de doorslag

Totdat er in 1822 een opmerkelijke ontdekking werd gedaan. In het noordoosten van Duitsland, aan de kust van de Oostzee, werd een ooievaar met een 75 centimeter lange pijl in de nek aangetroffen. Het dier, dat wonder boven wonder nog leefde, was een echte pechvogel, want hij werd gevangen en alsnog gedood. En daarbij werd een opmerkelijke ontdekking gedaan. De pijl was niet van Europese makelij, maar kwam uit Centraal-Afrika. En het bleef niet bij die ene ooievaar, die al snel bekend werd als de Pfeilstorche. In de volgende jaren werden er in Duitsland meer vogels gevonden die nog delen van jachtprojectielen in hun lichaam hadden zitten. Daarmee werd voor Duitse biologen duidelijk dat de onfortuinlijke Pfeilstorche die in 1822 werd gevonden, niet de enige was. Daarmee was het raadsel van de vogels die ’s winters verdwenen, opgelost. De Pfeilstorche werd opgezet met pijl en al en is nog altijd in het museum van de Universiteit van Rostock te zien. 

Bronnen:

 

Ook interessant: 

Landen: 

Tijdperken: 

Onderwerpen: 

Ontdek Geschiedenis Magazine!

Lees Ons Amsterdam

Iedere maand meeslepende en prachtig geïllusteerde verhalen over de de geschiedenis van Amsterdam.

Meteen op de hoogte van de nieuwste historische verhalen!

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief. Het is gratis!

Ga mee op ontdekkingstocht naar archeologische vindplaatsen in binnen- en buitenland!