Geschiedenis Magazine

Jeroen Bosch (ca 1450-1515): Duivelskunstenaar maar brave burger

Vijfhonderd jaar geleden overleed Jeroen Bosch. Zijn schilderijen zijn origineel en gedurfd. Hij zette zomaar een dagelijks tafereel en fantasiewezens op een kerkelijk drieluik, ongekend in zijn tijd. Zijn werk lijkt één grote orgie van vleselijke lusten en ondeugende duivels. Maar eigenlijk was hij een brave burger die prijs stelde op beheersing, ingetogenheid en ijver.

Auteur Rob Meens

Wie was Jeroen Bosch? Hij noemde zich bij voorkeur naar de stad waar hij rond 1450 geboren werd, het Brabantse ’s-Hertogenbosch. Soms werd hij echter als Jeroen van Aken aangeduid, waarschijnlijk omdat zijn familie daar oorspronkelijk vandaan kwam. In Den Bosch werkte hij jarenlang in een werkplaats aan de oostkant van de Markt. Zijn vader had er in 1462 een huis gekocht dat in de zomer van 1463 ten prooi viel aan de grote stadsbrand. Het pand werd snel in steen herbouwd en bleef lange tijd het atelier van de schildersfamilie Bosch. Zij zullen tot de elite gerekend zijn als inwoners van een stenen huis in het centrum van Den Bosch, toen een van de grootste steden in het hertogdom Brabant. Alleen Brussel en Antwerpen waren groter.

Dat de schilder Jeroen Bosch tot de hogere kringen van de stad behoorde, kun je ook opmaken uit zijn huwelijk in 1481 met Aleid van de Meervenne, die uit gegoede Bossche kringen stamde en wier erfdeel een vaste inkomstenbron voor het echtpaar zou vormen. Met Aleid betrok Jeroen een huis aan de chiquere noordkant van de Markt, maar hij bleef waarschijnlijk het atelier in zijn ouderlijk huis gebruiken. De grote sociale en culturele veranderingen van zijn tijd hebben ook hun weerklank in Jeroen Bosch gehad. Zo sloot hij zich zes jaar na zijn huwelijk aan bij de Onze Lieve Vrouwe Broederschap, een select gezelschap van voorname burgers in de stad. Hij bleef er zo’n dertig jaar lid van. Kort voor hem was Simon vander Couderberch toegetreden. Simon nam de functies van stadssecretaris en notaris waar, maar was ook de erudiete rector van de Latijnse school in Den Bosch.

Deze was nauw verbonden met het Fraterhuis van de Broeders van het Gemene Leven, een religieuze beweging die voortbouwde op de ideeën van Geert Grote en veel invloed had op het geestelijk leven in de Lage Landen. De Broeders speelden bijvoorbeeld een belangrijke rol in de boekproductie en in de verspreiding van het geschreven woord, ook in Den Bosch. De boekdrukkunst was nog jong, rond het midden van de 15de eeuw had Johannes Gutenberg in Mainz de eerste gedrukte boeken geproduceerd. Deze vernieuwing had al vrij vroeg haar weerslag op de boekproductie in Den Bosch. Al in 1484, en dat is relatief vroeg voor de Nederlanden, bracht hier de drukker Gerard Leempt het visioen van Tondalus uit, een veelgelezen gedetailleerde beschrijving van de hel. Bosch heeft dit werk mogelijk gelezen en gebruikt als inspiratiebron voor zijn hellebeelden.

Goede reputatie

Het werk van Bosch was al snel geliefd bij zijn rijke stadsgenoten. Hij schilderde bijvoorbeeld altaarstukken voor het hoogkoor en de Mariakapel van zijn eigen broederschap in de Sint-Janskerk. Dit zal zijn status in de stad vergroot hebben. Al snel werd Jeroen geliefd bij de Nederlandse, Bourgondische en Spaanse adel rond het hof in Brussel. Zelfs de landsheer, de Bourgondische hertog Filips de Schone, bestelde werk bij hem. De contacten met opdrachtgevers verliepen overigens niet altijd vlekkeloos. Hun beeltenis verdween achteraf nogal eens van een schilderij, overgeschilderd door Jeroen zelf. De waardering heeft Bosch’ reputatie in schilderskringen goed gedaan. Hij werd geïmiteerd, zijn naam werd al snel gebruikt voor een bepaald genre schilderijen en veel kunstenaars werkten na zijn dood voort in zijn geest – en soms onder zijn naam. Ook bijvoorbeeld Pieter Brueghel de Oude werd nog in de tweede helft van de 16de eeuw sterk door hem beïnvloed. Jeroen Bosch dankt zijn goede naam niet alleen aan de hoge kwaliteit van zijn werk, maar ook aan zijn originaliteit. Op een aantal onderdelen week hij af van de traditie. Het drieluik dat bekendstaat als De Hooiwagen is in vele opzichten uitzonderlijk. De vorm van een drieluik was immers nauw verbonden met altaarstukken, maar de keuze van het thema, een scène uit het dagelijks leven, was voor een altaarstuk volstrekt uniek. Hetzelfde geldt voor de zogeheten Tuin der lusten. De fantasiewezens en indrukwekkende verbeeldingen van helse taferelen die Bosch op andere schilderijen vereeuwigde, waren al even opmerkelijk en uitzonderlijk. Wat wilde hij daarmee zeggen?

Omkering

Bosch’ fascinatie voor het duistere, het ontembare, het wilde en het andere is volgens Paul Vandenbroeck, een van de beste kenners van Bosch’ werk, een soort omkering. Hij verklaart Bosch’ beeldtaal vanuit de burgerlijke stedelijke cultuur rond 1500. Met hun voorliefde voor afbeeldingen van of verhalen over exotische typen, narren en boeren, allemaal figuren die het tegendeel van de beschaving belichaamden, gaven leden van de burgerlijke elite uiting aan het eigen burgerlijke zelfbeeld. Dit draaide in de eerste plaats om beheersing: een beschaafd mens diende zijn driften en passie in te tomen. Wie Bosch’ Tuin der lusten bekijkt, vallen misschien vooral de vele erotische voorstellingen op. Het lijkt een aards paradijs van lust en liefdesgenot, maar het is zeker geen loflied op de liefde. De strekking ervan is juist dat dit liederlijke gedrag een pervertering van het huwelijk betreft en zonder twijfel leidt tot een verblijf in de hel, die op de rechtervleugel is uitgebeeld. Eenzelfde boodschap zit in De hooiwagen. Op het linkerluik zien we de verdrijving uit het paradijs en rechts gruwelijke hellebeelden. Op het middenpaneel staat een grote kar beladen met hooi centraal. Demonische wezens trekken de kar voort, niet toevallig in de richting van de helse taferelen rechts. Boven op de hooiwagen zijn twee liefdesparen te herkennen en wordt muziek gemaakt. Allerlei mensen, onder wie een vorst en een paus, proberen de hooiwagen te beklimmen of er een deel van te bemachtigen. Sommigen zijn hierin zo fanatiek dat ze onder de wielen raken en door de wagen worden geplet. Rechtsonder geniet een weldoorvoede monnik van een glas terwijl grote zakken hooi worden aangevoerd. Het hooi staat voor aardse goederen, maar ook voor ijdelheid, vergankelijkheid en de dwaasheid om deze ijdelheden na te jagen en zodoende God te vergeten. Dit motief is niet nieuw. Hooiwagens figureerden op dezelfde manier in stedelijke ommegangen in die tijd. Bosch was wel de eerste die dit motief in de schilderkunst gebruikte.

Bosch de moralist

Een ander maatschappelijk thema in Bosch’ werk was zijn kritiek op armen, zwervers en bedelaars. Werken met een dergelijke strekking zijn helaas verloren gegaan en zijn ons alleen bekend uit kopieën, zoals een Brussels wandtapijt met de titel Heilige die de stad verlaat. In deze afbeelding verlaat een heilige, mogelijk Sint-Maarten, de stad. Hij wordt omringd door een indrukwekkend aantal bedelaars van allerlei pluimage. Het is duidelijk dat Bosch weinig affiniteit had met dit soort lieden die niet door eigen arbeid in hun levensonderhoud konden voorzien. Vaak beeldt hij ze af met drinkgerei in de hand; het is zo wel duidelijk waardoor ze volgens hem aan de bedelstaf zijn geraakt. Hij was niet de enige met dit soort opvattingen. Begin 16de eeuw veranderde het mentale klimaat en dacht men kritischer en minder barmhartig over armelui. Bosch heeft ook boeren geschilderd, al kennen we ook dit werk alleen uit de tweede hand, uit archiefbeschrijvingen die overduidelijk aantonen dat Bosch boeren vooral als zot en lachwekkend afbeeldde. Hij voorzag hier waarschijnlijk ook in een behoefte. De burgers in de steden wensten zich te distantiëren van boeren en boertig gedrag was een overduidelijk onderscheidend kenmerk. Boeren dronken, vraten, dansten, kotsten en vreeën in het openbaar. Burgers deden dit alles natuurlijk niet. Het werk van Bosch is daarom in eerste instantie moralistisch van aard. Het klaagt allerlei vormen van ondeugden aan, waarbij de nadruk ligt op wellust, luiheid, hebberigheid, drank- en vraatzucht. De daarbij horende deugden zijn dan natuurlijk seksuele ingetogenheid, een matig en beheerst eet- en drinkpatroon, een arbeidzaam leven en afkeer van overmatige rijkdom en pronkzucht. Eenzelfde levensopvatting vinden we verwoord in een tekst als het Narrenschip van de Rijnlandse humanist Sebastian Brandt, een bijzonder invloedrijk werk uit die tijd en misschien niet toevallig ook een onderwerp dat Bosch koos voor een van zijn werken. Een soortgelijke ethische houding treffen we aan in de beweging van de Moderne Devoten. De christelijke boodschap is in Bosch’ werk wel aanwezig, maar opvallend veel minder nadrukkelijk dan in andere kunst uit zijn tijd. Het gaat bij Bosch net als bij Sebastian Brandt en diens humanistische medestanders vooral om een praktische ethiek, die wel christelijk was maar toch vooral geïnspireerd werd door het antieke gedachtegoed van de Stoa, waarin de beheersing van de menselijke driften de belangrijkste deugd was. Jeroen Bosch sloot met zijn boodschap aan bij deze stroming en moet met zijn nadruk op deugden als matiging, hard werken en afkeer van pronkzucht als brave burger worden gezien, maar dan wel een burger met een uitzonderlijk rijke verbeelding van het zondige en het helse.

Rob Meens is als historicus verbonden aan het instituut voor Geschiedenis en Kunstgeschiedenis van de Universiteit Utrecht. Onlangs publiceerde hij samen met Carine van Rhijn het boek ''Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen'' (Zwolle 2015).

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!