Opsporingsmethoden en de IRT-affaire

Nederland is koploper op het gebied van telefoons afluisteren, zo blijkt uit een rapport van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC). Dit komt onder meer omdat de Nederlandse recherche zeer terughoudend is met het gebruik van andere opsporingsmethoden, waaronder infiltratie en internettaps. Volgens het WODC is dit het gevolg van de IRT-affaire uit 1993, waarbij de politie vrijwel alle grenzen overtrad.

Het Interregionaal Recherche Team (IRT) Noord-Holland / Utrecht werd opgericht in het begin van de jaren ’90. Doel van het speciale korps was om grip te krijgen op de zware criminaliteit in Nederland, onder meer in verband met de grootschalige drugssmokkel in de haven van Rotterdam.

Legale drugshandel

In 1993 ontstond er voor het eerst ophef over de opsporingsmethoden van het IRT. Agenten bleken niet alleen ‘gecontroleerd’ te handelen in harddrugs, maar kregen bovendien toestemming om de miljoenen die ze hiermee verdienden zelf te houden. Hiermee hoopte het team te kunnen infiltreren in de top van de criminele wereld, om zo onder andere bewijs te vergaren tegen drugsbaron Klaas Bruinsma. Uit een onderzoek in oktober 1993 bleek dat er al minstens 65 drugscontainers opzettelijk doorgelaten waren, en dat van velen niet bekend was waar ze waren gebleven.

Opheffing van het IRT

Nog geen twee maanden later, op 7 december 1993, werd het IRT officieel opgeheven. Vrijwel direct daarna begonnen de politiekorpsen van Amsterdam en Utrecht elkaar de schuld van de affaire toe te schuiven. Ondertussen bleek ook dat het Openbaar Ministerie (OM) totaal niet op de hoogte was van de controversiële activiteiten van het IRT. Niet veel later drong de affaire ook door tot de politiek. Zowel minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin als minister van Binnenlandse Zaken Ed van Thijn moesten uiteindelijk het veld ruimen.

Commissie Van Traa

De Tweede Kamer riep vervolgens een Parlementaire enquêtecommissie in het leven die onder leiding stond van voorzitter Maarten van Traa. Op 1 februari 1996 gaf deze ‘commissie opsporingsmethoden’ een vernietigend oordeel over de gang van zaken in de IRT-affaire. Volgens het rapport was er sprake van onduidelijke besluitvorming, problemen in de gezagsverhoudingen en een totaal gebrek aan normbesef. In de conclusie sprak de commissie over een ‘crisis in de opsporing’. Drie jaar later werd er in de ‘Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden’ (BOB) onder meer vastgelegd dat alle vormen van bijzondere opsporingsmethoden eerst goedgekeurd moeten worden door het OM.

Koploper telefoontaps

Volgens het rapport van het WODC speelt deze geschiedenis nu een sterke rol in het veelvuldig gebruik van telefoontaps in Nederland. De Nederlandse recherche zou namelijk, in tegenstelling tot de andere opsporingsdiensten in Europa, zeer terughoudend zijn met het gebruik van andere opsporingsmethoden, uit angst voor een herhaling van de IRT-affaire. Mede hierdoor werden er in 2010 maar liefst 22.000 telefoontaps geplaatst, en is Nederland nu koploper in het afluisteren van telefoons, aldus het rapport van het WODC.

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!