geschiedenis van strandjutten

Strandjutten, een oud maar illegaal gebruik

Strandjutten, uren struinen over het strand op zoek naar allerlei rare of bruikbare voorwerpen. Dat lijkt een leuk en tikje romantisch tijdverdrijf, bijvoorbeeld als er toevallig een zeecontainer vol leuke spullen aanspoelt. In het verleden was strandjutten een stuk minder romantisch, lange tijd was het voor veel mensen een belangrijk middel van bestaan.

Al zo lang mensen zich op zee begeven, vergaan schepen en spoelen de resten van schepen en lading aan op de stranden. Op zo’n moment sloegen veel kustbewoners aan het jutten. De materialen die aanspoelden waren een welkome aanvulling op het dagelijks levensonderhoud. Wrakhout werd bouwmateriaal en waardevolle lading werd verkocht, of door de vinders zelf gebruikt.

Kustbewoners wachtten daarbij lang niet altijd het lot af. Het kwam voor dat de kustbewoners schepen naar de verraderlijke kustwateren toe lokten, in de hoop dat het schip zou stranden en de lading voor het grijpen zou liggen. Daarbij kwam het zelfs voor dat overlevende zeelieden werden vermoord, zodat de jutters hun gang konden gaan. Praktijken die op het randje van piraterij balanceerden en alles behalve legaal waren. Formeel kwamen de spullen die aanspoelden namelijk toe aan de plaatselijke landheer.

Eerste wetten voor strandjutters

In 1285 werd in een oorkonde in het graafschap Holland al vastgesteld dat alles dat aanspoelde de graaf toekwam. Een paar eeuwen later herbevestigde Karel V dat met het wrakkenedict van 10 december 1547, een wet die in België tot 2007 bleef bestaan.

“annopende de verdroncken goedynghen ofte die by der Zee opt Stranghe gheworpen ende aldaer ghevischt ofte ghevonden zijn, dat niemandt en vermagh de zelve te husene ofte daer anne handt te slane, zonder den Ontfanghere van den extraordinairen de wete te doene”

Wat er aanspoelde moest dus worden gemeld aan de strandvoogd, de landsheer of zijn vertegenwoordiger, zoals een schout en door diegene worden verzameld. Wat de vondsten vervolgens opbrachten, kwam ook aan de strandvoogd toe. Als een schip, of overboord geslagen lading aanspoelde, haastte de strandvoogd zich naar het strand. Vaak waren de omwonenden er al eerder, waarna de jutters hun vondsten in de nabijheid van de vindplaats verstopten. Als de strandvoogd vertrokken was, haalden ze hun vondsten weer tevoorschijn.

Wet op strandvonderij

In 1931 en 1934 werden in Nederland achtereenvolgens de Wet op de strandvonderij en de wrakkenwet aangenomen. Volgens die wetten moeten de vondsten gemeld worden bij de politie. De burgemeester van de plaats waar de strandvondsten worden gedaan, bepaalt vervolgens wat er met de vondsten gebeurt. Desondanks werd er nog heel wat gejut op de Noordzeestranden.

Steeds minder jutten

In de twintigste eeuw werd het jutten echter steeds minder makkelijk. Niet alleen de wetgeving werd steeds strikter, er viel gaandeweg ook steeds minder te jutten. De uitvinding van de zeecontainer is daar volgens veel jutters de oorzaak van. Losse goederen die vroeger nog in grote kisten op het dek stonden, worden nu vervoerd in zeecontainers die veel steviger op het dek staan en dus minder makkelijk over boord slaan. Ook zijn schepen zeewaardiger en de navigatiemiddelen veel beter, waardoor schepen minder snel in nood raken voor de kust.

Toch begon 2019 voor bewoners van de Waddeneilanden met een klein extraatje. Door harde wind verloor een schip ten noorden van de Duitse Waddeneilanden meer dan tweehonderd containers. Een aantal daarvan spoelden aan op de stranden van de Waddeneilanden, waardoor veel mensen weer ouderwets aan het strandjutten sloegen.

Bronnen:

Afbeelding:

Strandjutters op het strand bij Callantsoog. Fotocollectie Anefo via www.nationaalarchief.nl

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg drie schitterende cadeau's!

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!