Home » Reportage
Gunnar Kaasen met Balto

Balto de husky hielp een complete stad in Alaska van een epidemie te redden

In de winter van 1925 lag een difterie-uitbraak op de loer in de stad Nome in Alaska. Er waren geen medicijnen aanwezig en daarom moesten deze ingevoerd worden vanuit een stadje ruim duizend kilometer verderop. De tijd begon te dringen en snelle transportmogelijkheden waren niet mogelijk. Er werd een estafettetocht opgezet met sleehonden om de medicijnen op tijd in Nome te krijgen voordat iedereen besmet zou zijn. De tocht werd bekend onder de naam ‘The Great Race of Mercy’.

Nome was een afgelegen mijnstad. Het stadje bloeide tijdens goldrush, toen er goud werd gevonden in de buurt van de stad. Maar in 1925 waren inmiddels veel goudzoekers weer vertrokken. Desondanks was Nome op dat moment nog altijd de grootste stad van Noord-Alaska met ongeveer 1.500 inwoners. In januari van 1925 registreerde een arts, Curtis Welch, een aantal gevallen van de extreem besmettelijke ziekte difterie in Nome. Welch bestelde medicijnen waarmee de difterie-uitbraak gestopt zou kunnen worden. Echter, door de ijskoude winter was de haven van Nome dichtgevroren. Daarmee was de enige normale toegang tot het stadje afgesloten en dus konden de medicijnen niet geleverd worden. Een drama leek onvermijdelijk. Kinderen begonnen te sterven en Welch stelde een quarantaine in om meer besmettingen te voorkomen.

The Great Race of Mercy

Omdat het onmogelijk was om Nome via schip of vliegtuig te bereiken, adviseerde de Amerikaanse gezondheidsraad om een sledehondenestafette op te zetten. Deze estafette begon vanuit Nenana waar het medicijn tegen difterie per trein was afgeleverd. De normale postroute van Nenana naar Nome was zo’n 1.085 kilometer. Normaal zou deze reis, zonder estafette, ruim een maand duren. Door er een estafette van te maken, hoopten de autoriteiten dat de reis sneller zou gaan. Door regelmatig van sledehonden en mushers, de mannen die de slee bereden, te wisselen, zou vermoeidheid minder vertraging veroorzaken. Vanwege de grote druk, werden de beste mushers ingezet tijdens deze reis. De route werd opgedeeld in verschillende etappes waarbij er bij een aantal kleine nederzettingen werd gewisseld van musher en sledehonden.


Het beste van IsGeschiedenis in je inbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief! Helemaal niks missen? Volg ons op Facebook!


Estafette begint

Op 27 januari kwam het serum, verpakt in een metalen cilinder en gewikkeld in dekbedden om de temperatuur op pijl te houden, aan in Nenana. De eerste sleerijder die -dezelfde ochtend nog- vertrok met zijn honden, geleid door de husky Blackie, was ‘Wild Bill’ Shannon. Bij een temperatuur van ongeveer -40 graden Celsius nam hij de eerste 84 kilometer voor zijn rekening. Tegelijkertijd vertrokken er vanuit Nome al een aantal mushers naar hun wisselposten, waar ze zouden wachten totdat zij hun deel van de route moesten afleggen.

De mushers stonden bloot aan extreem zware omstandigheden. Drie van Shannons honden overleden onderweg door de extreme kou, waarschijnlijk door longletsel. Shannon zelf had zwarte vlekken op zijn gezicht als gevolg van bevriezing, maar bereikte Tolvana, waar hij de cilinder met het serum door kon geven.  De noodgreep leek te werken, veel sneller dan normaal werd het serum vervoerd, maar daarvoor waren grootse inspanningen nodig. Op de wissellocaties werd het serum af en toe opgewarmd en ook de mushers konden soms wel opwarming gebruiken. In tenminste een geval moest er warm water over de handen van een musher worden gegoten om ze los van de slede te krijgen. Sneeuwstormen en relatief warme momenten, van zo’n -29 graden Celsius, wisselden elkaar af en op sommige plekken waren sneeuwbanken van wel drie meter hoog te vinden.

Nadat er al verschillende keren gewisseld was van musher en sleehonden was het zwaarste en langste deel van de route weggelegd voor Leonhard Seppala en zijn hond Togo. Seppala was de meest ervaren sleerijder en hij moest een afstand van maar liefst 146 kilometer afleggen. Een van de zwaarste delen van zijn etappe waseen gevaarlijk stuk over de bevroren Beringzee, waar het risico  van schuivend of brekend ijs op de loer lag. Maar nog voor hij daar was werd hij overvallen door een sneeuwstorm die hem het zicht benam. Uiteindelijk legde hij een veel grotere afstand af dan gepland. Musher Charlie Olsen nam vervolgens nog veertig kilometer voor zijn rekening waarna Gunnar Kaasen en zijn leidende hond Balto de laatste 85 kilometer moesten afleggen.

Balto

Kaasen en zijn honden werden geleid door Balto. Dat was opmerkelijk te noemen aangezien Balto bekendstond als langzaam. De hond was eigendom van Seppala en die koos er niet voor om hem op te nemen in zijn roedel. Kaasen koos ondanks dat toch voor Balto als de leider van zijn roedel en met succes. Balto leidde zijn baas met zijn sterke reukvermogen door een sneeuwstorm aangezien Kaasen door de extreme omstandigheden geen hand voor ogen zag. Kaasen, Balto en de rest van de roedel werden op 2 februari, vijf en een halve dag nadat ‘Wild Bill’ Shannon vertrokken was met het serum, als helden onthaald in Nome.

Waarschijnlijk omdat Balto als leider van zijn roedel als eerste zichtbaar was bij aankomst in Nome werd deze hond de grote held van de estafettetocht. Zeker nadat bleek dat het serum zou voorkomen dat de hele stad zou bezwijken aan difterie, waar dokter Welch bang voor was. Het succes van de estafettetocht was groot nieuws in heel de Verenigde Staten met Balto als het ultieme symbool van de reddingsactie. Een jaar na zijn aankomst in Nome werd er in Central Park in New York een standbeeld van Balto onthuld dat er nog steeds staat. In 1933 overleed Balto, zijn lichaam is nog steeds te zien in het Cleveland Museum of National History.

Controverse

Kaasen en Balto kregen veel lof na de geslaagde estafette en dat zorgde voor scheve gezichten bij de andere sleerijders. Zo zou Kaasen het serum eigenlijk nog een keer door hebben moeten geven aan sleerijder Rohn in het plaatsje Port Safety. Maar Rohn lag te slapen en daarop besloot Kaasen zelf door te gaan tot Nome. Rohn dacht dat Kaasen dit bewust deed om alle eer voor zichzelf en Balto op te strijken. Gunnar Kaasen zei hierop dat hij geen tijd wilde verspillen en daarom zelf was doorgereden.

Daarnaast hadden Leonhard Seppala en zijn Togo veruit de meeste kilometers afgelegd in de barre omstandigheden van Alaska. Niet alleen legde Seppala zo’n 146 kilometer af met het serum, maar reed hij eerder al ruim 250 kilometer om het serum tegemoet te komen. En volgens Seppala was het niet Balto die de roedel van Kaasen leidde maar een andere hond genaamd Foxie. De pers zou voor de naam Balto hebben gekozen omdat deze beter overkwam in de media. Later ontstond  discussie of Seppala en Togoniet de grote helden moesten zijn van de Great Race of Mercy die ook wel bekend kwam te staan onder de naam Serum run to Nome.

Bronnen:

Ook interessant: 

Rubrieken: 

Landen: 

Tijdperken: 

Meteen op de hoogte van de nieuwste historische verhalen!

Lees het aankomende nummer van Geschiedenis Magazine. Neem vóór donderdag 27 januari een abonnement.

Lees het aankomende nummer van Geschiedenis Magazine. Neem vóór donderdag 27 januari een abonnement.

Ga mee op ontdekkingstocht naar archeologische vindplaatsen in binnen- en buitenland!

Lees het aankomende nummer van Geschiedenis Magazine. Neem vóór donderdag 27 januari een abonnement.