Home » Reportage
Marguerite De Riemaecker-Legot, de eerste vrouwelijke minister van Belgie

Vrouwenstemrecht in België

Na de Eerste Wereldoorlog kregen veel Europese landen, waaronder Nederland, algemeen vrouwenkiesrecht. In België duurde het echter nog tot 1948  voordat de vrouwen mochten stemmen bij de nationale verkiezingen. Waarom duurde dat zo lang?

Geen prioriteit

Aan het eind van de 19e eeuw werden de eerste feministische organisaties in België opgericht. Deze organisaties zijn vooral bezig met de maatschappelijke positie van de vrouw. Ze strijden voor gelijke kansen bij opleidingen en houden zich nog niet intensief bezig met politiek.

In 1893 werd in België het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Vanaf dat moment mochten alle mannen van 25 jaar of ouder stemmen. De intrede van de Belgische Werklieden Partij (BWP) in het Belgische parlement in 1884 gaf hoop voor een vrouwenkiesrecht in de jaren erna. De socialistische partij was van mening dat elke volwassen Belg een even zware stem zou moeten hebben met de verkiezingen, zowel mannen als vrouwen.

Dit lichtpuntje doofde echter snel uit. Hoewel de BWP vanuit ideologisch standpunt wel voorstander was van het vrouwenkiesrecht, kreeg het partijbelang al snel de bovenhand. De angst was namelijk dat in het overwegend katholieke België veel vrouwen het advies van de kerkelijke leiders zouden volgen als ze mochten stemmen. Dit zou betekenen dat de partij zetels kwijt zou raken aan de Katholieke Partij, iets wat de BWP koste wat koste wilde voorkomen.

De Katholieke Partij werd vanwege dezelfde redenatie voorstander van het idee van algemeen kiesrecht voor vrouwen. Toch was het geen prioriteit van deze partij omdat er intern nog veel onenigheid was over de positie die de vrouw zou moeten hebben in de samenleving.

Stapsgewijs

Direct na de Eerste Wereldoorlog kwam de kwestie van het vrouwenstemrecht weer aan bod. De invoering van het enkelvoudig stemrecht, dat alle mannen onder de 21 hetzelfde aantal stemmen gaf, betekende het einde van de dominante positie van de Katholieke Partij. In het decennium dat volgde moesten ze noodgedwongen samenwerken met de BWP.

De Katholieke partij werd nu een grotere voorstander van het vrouwenkiesrecht om de verdere opmars van de socialisten tegen te gaan. De samenwerking met de BWP in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, maakte dit er niet makkelijk op. Hierdoor werd het vrouwenkiesrecht slechts stapsgewijs ingevoerd.

Vanaf 1920 mochten alle vrouwen voor het eerst naar de stembus, maar alleen bij gemeenteraadsverkiezingen. Ook mochten ze zich verkiesbaar stellen bij de provinciale en nationale verkiezingen. De eerste vrouwelijke burgermeesters werden verkozen en ook in het parlement zetelden voor het eerst een handjevol vrouwen. Het aantal vrouwen dat actief werd in de politiek bleef tot de Tweede Wereldoorlog echter klein. Slechts 1 procent van de gekozen politici was vrouw. Mannen hielden het voor het zeggen in de politiek. De vrouwelijke senator Marie-Anne Spaak-Janson van de BWP volgde in 1929 bijvoorbeeld het standpunt van haar partij en stemde tegen het algemeen vrouwenstemrecht.

Eindelijk Vrouwenkiesrecht

Pas na de Tweede Wereldoorlog, in 1948, werd de invoering van het vrouwenkiesrecht in België voltooid. Er kwam stemplicht voor alle vrouwen boven de 21 jaar voor zowel de provinciale als de landelijke verkiezingen. Een echte revolutionaire verandering voor de politieke positie van de vrouw is het niet te noemen. Het aandeel vrouwen in de politiek nam in de jaren 70 en 80 maar langzaam toe en vrouwen kregen vaak ‘vrouwelijke’ portefeuilles. Zo werd Marguerite De Riemaecker-Legot de eerste minister van Gezin en Huisvesting. Tot op de dag van vandaag zijn vrouwen nog steeds in de minderheid in de Belgische politiek, maar dit aandeel wordt wel steeds groter.

Bronnen:

Afbeeldingen:

Meer inspiratie

‘Wereld in vlammen’ van Dan Jones en Marina Amaral. Een schitterend overzicht in woord en ingekleurd beeld met 200 beeldbepalende foto’s uit de periode 1914 - 1945

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!