Aletta Jacobs

Aletta Jacobs

JACOBS, Aletta Henriëtte (geb. Sappemeer 09-2-1854 – gest. Baarn 10-8-1929), eerste vrouwelijke student en arts van Nederland, feministe. Dochter van Abraham Jacobs (1817-?), heel- en vroedmeester, en Anna de Jongh (1817-1887). Aletta Jacobs trouwde op 28-4-1892 met Carel Victor Gerritsen (1850-1905), graanhandelaar en politicus. Uit dit huwelijk werd één kind geboren, dat nog dezelfde dag overleed.

Aletta Jacobs werd in 1854 in Sappemeer geboren als het achtste kind in een gezin van uiteindelijk elf kinderen. Haar vader Abraham Jacobs en moeder Anna de Jongh waren beiden van joodse afkomst, met banden in de joodse gemeenschap in de stad Groningen. Haar vader was een plattelandsdokter die zijn kennis in de praktijk had opgedaan. Hij was bevriend met de vooraanstaande en vooruitstrevende hygiënist Levy Ali Cohen en een bewonderaar van de liberale staatsman Thorbecke. Niettemin wist hij zich aanvankelijk geen raad met de wens van zijn dochter om net als hijzelf en haar oudste broer Israël, later Julius Jacobs, arts te worden.

Al na enkele weken op de jongedamesschool, waar Aletta Jacobs vooral ‘manieren leerde’, had zij er de brui aan gegeven. Zij hield het evenmin uit bij een modiste in het dorp, zodat haar ouders besloten haar thuis verder te laten leren. Hier kwam het op een dag tot een uitbarsting in het bijzijn van Ali Cohen. Toen hij kort daarna met het nieuws kwam dat een meisje het apothekersexamen had afgelegd, zag Aletta Jacobs haar kans. Door middel van zelfstudie bereidde ze zich voor op dat examen, waarvoor zij in juli 1870 slaagde. De examenresultaten waren zodanig dat zij het advies kreeg om door te gaan in deze richting, maar zelf wilde ze haar ideaal volgen en verder leren voor het admissie-examen voor de universiteit.

 


Het boek 1001 vrouwen

1001 vrouwenDit artikel is afkomstig uit de bundel 1001 vrouwen. In samenwerking met Uitgeverij Vantilt publiceert IsGeschiedenis 10 lemma’s uit het boek 1001 vrouwen, dat is genomineerd voor de Libris Geschiedenisprijs.

 

Je kunt dit pakket ook bestellen. Klik hier


 

Toelating tot de universiteit

In plaats van dat examen af te wachten schreef Aletta Jacobs in het begin van 1871, buiten ieders medeweten om, een brief aan Thorbecke. Daarin verzocht ze hem haar ontheffing te verlenen voor het universitaire toelatingsexamen en haar ‘des vereischt’ toestemming te geven zich als studente te mogen inschrijven bij de Groningse hogeschool. Na haar vader geconsulteerd te hebben, besloot Thorbecke dat zij op proef kon worden toegelaten tot de colleges. Tegen de tijd dat zij het eerste examen zou afleggen kon de dispensatie worden verleend. Nu hielp het lot een handje. Het nieuws dat Thorbecke dodelijk ziek was bracht haar vader ertoe aan te dringen op een definitieve beslissing, waartoe Thorbecke nog op zijn ziekbed de koning raadpleegde. Enkele dagen na zijn dood bereikte Jacobs het op 30 mei 1872 gedateerde bericht, naar verluidt in een zwartomrande envelop, dat zij zich officieel mocht inschrijven als student medicijnen aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Met deze actie schiep Aletta Jacobs voor Nederland een precedent dat weliswaar niet direct overal werd nagevolgd, maar dat er zeker toe heeft bijgedragen dat in de Hoger Onderwijswet van 1876 geen (expliciet) onderscheid naar sekse werd gemaakt. Jacobs behaalde in snel tempo het propedeutische en het kandidaatsexamen, waarna zij zich aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam voorbereidde op haar doctoraal en het landelijke artsexamen. Het eerste deel daarvan legde zij op 12 april 1877 met goed gevolg af. Niet lang daarna liep Jacobs echter tyfus op, zodat zij pas een jaar later, op 3 april 1878 het tweede deel van haar artsexamen behaalde. Hierna besloot ze door te gaan voor haar promotie en op 8 maart 1879 verdedigde zij aan de Rijksuniversiteit van Groningen een proefschrift, getiteld Over localisatie van physiologische en pathologische verschijnselen in de groote hersenen.

Londen en Amsterdam

Na haar promotie vertrok Aletta Jacobs naar Londen, waar zij kon meelopen in een ziekenhuis. Mede dankzij de introducties die zij kreeg van een haar toen nog onbekend heerschap, de radicaal en feminist Carel Victor Gerritsen, kwam zij al snel in contact met een groep vrouwelijke artsen rond het New Women Hospital en de London School of Medicine for Women. Via Elizabeth Garrett Anderson, de eerste vrouw die in Engeland een medische praktijk opende, en diens zuster, Millicent Garrett Fawcett, die meer dan veertig jaar lang aan het hoofd van de National Union of Women's Suffrage Societies (de gematigde vereniging voor vrouwenkiesrecht) zou staan, kwam Jacobs in aanraking met het streven naar vrouwenkiesrecht. Ook maakte zij door toedoen van Gerritsen in Londen kennis met het neo-malthusianisme. Woordvoerders hiervan, zoals de artsen George en Charles Bradlaugh en de latere theosofe Annie Besant, zagen in geboortebeperking de oplossing van de grote maatschappelijke problemen die rond deze tijd onder de noemer 'de sociale kwestie' op de politieke agenda kwam te staan. In Nederland richtte Gerritsen in november 1881 met enkele geestverwanten de Nieuw-Malthusiaansche Bond op, met Charles Bradlaugh en de politicus Samuel van Houten als ereleden.

In de herfst van 1879 kwam Aletta Jacobs terug naar Nederland om het internationale medische congres in Amsterdam bij te wonen. De positieve (media) aandacht die zij daar kreeg, benutte zij door zich direct als arts voor vrouwen en kinderen in Amsterdam te vestigen. Niet lang daarna opende zij  een spreekuur voor minvermogende vrouwen in het gebouw van de Amsterdamsche Werkmansbond op de hoek van het Kattegat en de Spuistraat. Hierbij werd ze geassisteerd door de schrijfster en latere socialiste Cornélie Huygens, die toen een geestverwante was, maar die later het kiesrechtfeminisme zou bestrijden. En hoewel het woord ‘birth clinic’, dat later in Amerikaanse literatuur over ‘birth control’ wel aan deze activiteiten is verbonden, te groot is, zal Jacobs zeker veel vrouwen hebben gewezen op de voordelen van het Mensinga-pessarium. Over dit anticonceptiemiddel had zij gelezen in de medische literatuur en in overleg met de ‘vader’ ervan, dr. Mensinga, besloot ze ermee te experimenteren. Dat laatste deed zij hoogstwaarschijnlijk niet alleen via haar patiënten. Omstreeks 1884 ging ze een ‘vrij huwelijk’ aan met Carel Victor Gerritsen waarvan we mogen aannemen dat het werd geconsummeerd, ondanks Jacobs’ stilzwijgen op dit punt.

Vrouwenkiesrecht

In 1883 gaf Aletta Jacobs de eerste aanzet tot de strijd om het vrouwenkiesrecht, een kwestie die in Nederland tot dan toe slechts sporadisch ter sprake was gekomen. In dat jaar diende ze een verzoek in bij de gemeente Amsterdam om haar op de kieslijst te plaatsen voor de komende verkiezingen. Omdat de wet slechts repte van ‘Nederlanders’ en ‘ingezetenen’ voldeed zij immers als voldoende belasting betalende burger aan de geldende bepalingen van kiesgerechtigdheid. Tot drie keer toe kreeg Jacobs nul op haar rekest: eerst van de gemeente Amsterdam, vervolgens van de arrondissementsrechtbank en tenslotte van de Hoge Raad. Kennelijk wakker geschud door deze pogingen van Jacobs, timmerde men bij de Grondwetswijziging van 1887 de kieswet dicht door het kiesrecht expliciet toe te kennen aan Nederlanders en mannelijke ingezetenen. Er zou een nieuwe grondwetswijziging nodig zijn om vrouwenkiesrecht mogelijk  te maken.

Het vrije huwelijk dat Jacobs uit verzet tegen de huwelijkswetgeving met Gerritsen was aangegaan, werd in 1892 toch gewettigd omwille van het kind dat zij beiden graag wilden hebben en omwille van hun beider publieke en politieke carrières. Gerritsen was in 1888 een van de initiatiefnemers van de progressief liberale Kiesvereening Amsterdam, en in 1892 van de Radicale Bond. Wel hield Jacobs na haar huwelijk vast aan haar eigen naam en beide echtgenoten hadden eigen kamers in het huis dat zij samen bewoonden. Het kind dat Aletta Jacobs in 1894 ter wereld bracht bleef echter maar één dag in leven, wat zij met bitterheid toeschrijft aan onzorgvuldig medisch handelen. De hierop volgende operatie verhinderde Jacobs aanwezig te zijn bij de oprichtingsvergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in 1894. Wel stuurde ze een adhesiebetuiging en nam ze deel aan de besprekingen over de statuten, maar een plaats in het hoofdbestuur aanvaardde zij niet. In de jaren negentig lijkt zij meer een schrijfster van ingezonden brieven te zijn geweest, en was ze meer betrokken bij de radicale politiek dan bij de zich ontwikkelende vrouwenbeweging. Zo heeft zij geen enkele bemoeienis gehad met de 'Nationale tentoonstelling van vrouwenarbeid' in 1898, die algemeen wordt beschouwd als de grote doorbraak van de vrouwenbeweging in Nederland. Jacobs’ opstelling veranderde echter rond 1899, toen zij drie spraakmakende artikelen publiceerde – over vrouwenarbeid, het ‘vrijwillig moederschap’ en prostitutie – die duidelijk maakten wat haar standpunt daaromtrent was. In 1903 werd zij gekozen tot presidente van het hoofdbestuur van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en zij bleef dat totdat in 1919 zowel het actief kiesrecht en het passief kiesrecht voor vrouwen in de Grondwet werden vastgelegd.

Jacobs’ prominente rol in de vrouwenkiesrechtbeweging was niet zozeer het gevolg van buitengewone talenten, als wel van de juiste kwaliteiten voor deze positie. Jacobs had oog voor de complexiteit van het 'vrouwenvraagstuk', maar koos uit overwegingen van praktisch-politieke en strategische aard voor een concentratie van alle energie op het kiesbiljet. Politieke gelijkheid in het kiesrecht zou de beste basis zijn voor de strijd om het 'opheffen van de sekseslagboom' op andere gebieden. Voor haar eigen activiteiten betekende dit dat zij zich in het openbaar nauwelijks uitliet over politiek gevoelige onderwerpen als geboortebeperking of de vrije liefde.

Jacobs wist ook haar gebrek aan redenaarstalent ruimschoots te compenseren door strategisch inzicht en vastberadenheid. En hoewel ze meer politica dan theoretica was, bood ze de vrouwenbeweging een bredere inhoudelijke basis door enkele feministische ‘toppers’ te vertalen, zoals Charlotte Perkins Gilmans’ Women and economics (1900) en Olive Schreiners Woman and labour (1910). Bovendien verzekerde haar reputatie als eerste vrouwelijke arts in Nederland haar van de juiste introductie in kringen van het internationale feminisme. Het is niet toevallig dat Susan B. Anthony, die zelf ooit was gearresteerd vanwege haar poging een stem uit te brengen, op het congres van de International Council of Women in 1899 in Londen op Jacobs afstapte, omdat zij had gehoord van Jacobs’ vergelijkbare actie in 1883. Met Anthony’s opvolgsters in de Amerikaanse vrouwenkiesrechtbeweging, Anna Howard Shaw en Carrie Chapman Catt, onderhield Jacobs een intensieve correspondentie. Met laatstgenoemde maakte Jacobs ook haar befaamde wereldreis, die vooral werd benut om via ‘reisbrieven’ in De Telegraaf propaganda voor de eigen zaak te maken.

Internationaal kreeg Jacobs vooral bekendheid door de organisatie van het International Women’s Congress in Den Haag tijdens de Eerste Wereldoorlog. De daar aangenomen resoluties werden door twee delegaties persoonlijk aan de staatshoofden van oorlogvoerende en neutrale landen aangeboden. Zo kwam Jacobs onder andere bij President Wilson, die er zijn veertien punten als grondslag voor de Volkenbond op zou hebben gebaseerd. Toen de voorzitster van dat congres, de sociaal hervormster Jane Addams, in 1933 de Nobelprijs kreeg voor haar vredeswerk, werd Jacobs genoemd in de laudatio.

Eén grote teleurstelling is Jacobs niet bespaard gebleven: tijdens de eerste parlementsverkiezingen waaraan vrouwen ‘passief’ konden deelnemen werd zij niet gekozen tot volksvertegenwoordiger, ondanks het feit dat zij van alle vrouwelijke kandidaten verreweg de meeste stemmen kreeg.

Waardering

Aletta Jacobs heeft een niet weg te cijferen betekenis gehad voor de emancipatie van vrouwen die in de negentiende eeuw begon: als eerste vrouwelijke studente en arts, als voorvechtster van geboortebeperking, als een van de eerste vrouwen die openlijk tegen prostitutie ageerden en vooral als langdurig presidente van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Een rode draad door alles wat zij deed was haar gevoel voor rechtvaardigheid. Daardoor kwam zij voortdurend in botsing met de ‘dubbele moraal’, een begrip dat aanvankelijk voor meer stond dan een dubbele standaard op zedelijk gebied.

Tegelijkertijd was zij een doorgewinterd politica en strateeg die niet alleen het kiesrecht, maar ook zichzelf (blijvend) op de kaart wist te zetten, onder andere door het schrijven van haar onderhoudende en informatieve autobiografie (Herinneringen). Desalniettemin heeft Aletta Jacobs, die tijdens haar leven al de bekendste feministe was van haar tijd, nooit een lintje voor haar grote verdiensten voor de Nederlandse samenleving ontvangen. Wel is, mede door toedoen van enkele generaties vrouwen en feministen, de herinnering aan haar blijven bestaan en leeft haar naam voort in talloze naar haar vernoemde initiatieven en instituten, zoals het dr. Aletta Jacobs College in Hoogezand-Sappemeer, de Aletta Jacobs prijs van de RUG, de planetoïde Aletta Jacobs en het Aletta Instituut voor Vrouwengeschiedenis. Op haar huis in Amsterdam prijkt een plaquette met haar beeltenis en op het voorplein van de letterenfaculteit van de RUG staat haar borstbeeld.

Meer weten

Neem nu een abonnement en krijg drie schitterende cadeau's!

Neem nu een abonnement en krijg schitterende cadeau's!

8x per jaar de beste geschiedenis in de bus

En mis nooit meer de mooiste historische verhalen!