Parma's brug tijdens het beleg van Antwerpen

De Val van Antwerpen

Op 27 augustus 1585 maakte Spaanse commandant Alexander Farnese, de hertog van Parma, zijn entree in de stad Antwerpen. Na een beleg van bijna veertien maanden had de Antwerpse burgemeester Filips van Marnix van Sint-Aldegonde zich tien dagen daarvoor overgegeven. De val van Antwerpen wordt meestal gezien als de oorzaak voor de opkomst van Amsterdam als handelsstad.

Het beleg van Antwerpen

In 1576 had Antwerpen de pacificatie van Gent ondertekend. Dit was een overeenkomst tussen gewesten van de Nederlanden om zich aan te sluiten tot een generale unie en de Prins van Oranje aan te nemen als stadhouder. De hertog van Parma had zichzelf het doel gesteld om alle steden die zich hadden aangesloten weer onder het Spaanse gezag te brengen. Daarmee was Antwerpen een van zijn grote doelwitten. Dat wisten de Antwerpenaren ook. Mede dankzij inlichtingen die Willem van Oranje al had bemachtigd. In de zomer van 1584 begon de stad zich voor te bereiden op een mogelijke belegering. De Antwerpenaren legden schansen aan en zetten polders onder water. Door het onder water zetten van de polders wilden ze voorkomen dat de Spaanse troepen makkelijk bij de stad konden komen. Daarnaast had Willem van Oranje toegezegd dat hij de stad, als die werd aangevallen, over water zou komen ontzetten. 


Het beste van IsGeschiedenis in je inbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief! Helemaal niks missen? Volg ons op Facebook!


Maar Farnese was een kundig strateeg. Het plan om Antwerpen te veroveren viel binnen een grotere strategie. Hij wilde de rijke steden van Brabent en Vlaanderen niet met slechts geweld innemen, maar ook verzwakken door eerst de bron van de rijkdom van die steden aan te pakken: de toegang tot de Noordzee. Als de handel daardoor onderbroken werd, zouden de steden zich makkelijker overgeven, was zijn gedachte. Maar Antwerpen was uiteraard een harde noot om te kraken. Nadat de Spaanse troepen op 3 juli 1584 bij de stad aankwamen, veroverden ze langzaam alle steden en dorpen in de omgeving, waardoor Antwerpen langzaam werd ingesloten. Veel mensen probeerden de stad te verlaten voordat die helemaal omsingeld was, anderen bereidden zich voor op een beleg. Burgers hadden de opdracht om voor minstens twee jaar voorraden te hebben, maar historici betwijfelen of dat minimum gehaald werd. In oktober was de stad vrijwel volledig omsingeld, de stad was nog niet helemaal afgesloten, maar alle routes van en naar de stad lagen in het zicht van de Spanjaarden, die de stad al uitnodigden om zich over te geven. De Antwerpenaren weigerden echter en het beleg ging door. De Spanjaarden sloten de stad in de winter volledig af, door de Schelde te blokkeren met een gigantische brug van schepen. 

Uithongering van de stad

Op geen enkele manier kon de stad nu nog bereikt worden en Parma hoefde enkel te wachten totdat de stad zou zijn uitgehongerd. De Antwerpenaren deden meerdere pogingen om met schepen vol buskruit de schipbrug op te blazen. Maar zonder enig succes, de meeste schepen bereikten de brug niet en de schepen die wel dichtbij kwamen, konden de brug niet volledig verwoesten. Wel kostten die aanvallen aan beide kanten honderden levens. Op steun van andere opstandige legers konden de Antwerpenaren op dat moment ook niet rekenen. Tegenaanvallen vanuit Antwerpen werden ten koste van hoge verliezen afgeslagen, soms op het nippertje. Ook vanuit de Noordelijke Nederlanden kwam er, ondanks aandringen van de nieuwe stadhouder Maurits, nauwelijks hulp. Onderwijl slonken de voedselvoorraden in de stad. Langzaamaan kwamen vooral onder de katholieken die nog in de stad verbleven, stemmen op om te onderhandelen met de hertog van Parma.


Titel: Handel in Amsterdam ten tijde van de Opstand- Kooplieden, commerciële expansie en verandering in de ruimtelijke economie van de Nederlanden ca. 1550-ca. 1630
Auteur: C.M. Lesger
ISBN: 9065506861
Uitgever: Verloren
Prijs: €29,-

   


400.000 gulden

Deze onderhandelingen leidden uiteindelijk tot het tekenen van een vredesverdrag. Met de ondertekening daarvan werd overeengekomen dat de stad een bedrag zou betalen ter waarde van 400.000 gulden voor de kosten van het beleg. Niet-katholieken mochten daarbij ook nog vier jaar in de stad blijven wonen en kregen de mogelijkheid zonder moeilijkheden de stad te verlaten. Drie dagen later vond de laatste calvinistische preek in de stad, waar in 1566 de tweede fase van de beeldenstorm was begonnen, plaats.

Uittocht van kooplieden

Nadat de veelal protestante kooplieden na de Val van Antwerpen de stad hadden verlaten, trokken zij volgens de meest bekende verklaring richting Amsterdam. Vanwege afsluiting van de Schelde door de Hollanders konden de achterblijvende katholieke kooplieden ook geen handel meer drijven. De kooplieden zorgden er door hun vertrek naar Amsterdam voor dat niet de Zuid-Nederlandse plaats Antwerpen, maar de Noord-Nederlandse plaats Amsterdam zou uitgroeien tot de belangrijkste handelsstad van zijn tijd.

Voor de val

Volgens de Leidse historicus Oscar Gelderblom is deze verklaring echter niet helemaal juist. Voor 1585 kwamen er volgens hem ook al Antwerpenaren naar Amsterdam. Bovendien waren deze minder rijk dan algemeen werd aangenomen. Deze kooplieden kwamen graag naar Amsterdam, omdat deze stad hen door haar sterke positie op de Oostzee ook voor de Val van Antwerpen al veel te bieden had. Feit blijft dat in Antwerpen na het beleg niet meer dan 40.000 mensen in de stad achterbleven. Aanvankelijk had de stad meer dan 100.000 inwoners.

Ook interessant: 

Rubrieken: 

Landen: 

Tijdperken: 

Onderwerpen: 

Bekijk het gehele programma van de Week van de Koloniale Geschiedenis met thema ‘Aan het Werk’.